Conclusie
Nummer 24/01934
Inleiding
met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind, meermalen gepleegd” (artikel 244 (oud) Sr jo artikel 248 lid Pro 2 (oud) Sr);
met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind, meermalen gepleegd” (artikel 245 (oud) Sr jo artikel 248 lid Pro 2 (oud) Sr) en
met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind, meermalen gepleegd” (artikel 247 (oud) Sr jo artikel 248 lid Pro 2 (oud) Sr)
De zaak
Het eerste middel
De relevante delen van de processtukken
1. hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 10 april 2018 te Dubai, de Verenigde Arabische Emiraten, met zijn kind, [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2006, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte zijn penis in de vagina en/of de anus van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en/of zijn vinger(s) tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] geduwd;
Verblijfsgegevens” is als verblijfstitel opgenomen: “
Vw 2000 art. 8, onder a, vergunning regulier bepaalde tijd, arbeid vrij”. Naast “
Datum einde geldigheid verblijfstitel” staat vermeld: “
14-12-2028”. De verklaring van de verdachte op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 29 april 2024 houdt in: “
Ik heb een verblijfsvergunning voor Nederland. De verblijfsvergunning is onlangs verlengd voor een periode van 5 jaar voor het hele gezin. Ik heb de vergunning vanaf december 2023.”
Toepasselijke wettelijke voorschriften” verwezen naar de artikelen 6 en 7 Sr.
De toelichting op eerste middel
Het beoordelingskader I: de reikwijdte van het onderzoek in cassatie
een ernstig en rechtstreeks vermoeden” rijst dat het OM in de strafvervolging niet-ontvankelijk is. [3]
een ernstig en rechtstreeks vermoeden” rijst dat het OM in de vervolging om die reden niet-ontvankelijk is [4] en (ii) in cassatie wordt geklaagd over het verzuim van de feitenrechter om naar aanleiding van dit vermoeden ambtshalve onderzoek naar de ontvankelijkheid van het OM te verrichten. [5]
Grosskommentarvan Van Elst in
Tekst & Commentaar strafrechtbij de artikelen 2 tot en met 8c Sr
.Van Elst hecht op zijn beurt aan een grammaticale en wetssystematische uitleg van de betreffende rechtsmachtsbepalingen, die ertoe leidt dat in een geval als de onderhavige geen rechtsmacht kan bestaan. Van Elst (en dus ook de steller van het middel) neemt hiermee een – ook in mijn opvatting – verdedigbare positie in. Daarop kom ik terug.
Het beoordelingskader II: extraterritoriale rechtsmacht voor zedenmisdrijven
1. De Nederlandse strafwet is toepasselijk op een ieder die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een misdrijf tegen een Nederlander, (…), voor zover op dit feit naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van ten minste acht jaren is gesteld en daarop door de wet van het land waar het begaan is, straf is gesteld.
1. De Nederlandse strafwet is toepasselijk op een ieder die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een feit voor zover een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verdrag of besluit van een volkenrechtelijke organisatie tot het vestigen van rechtsmacht over dat feit verplicht.
1. De Nederlandse strafwet is toepasselijk op ieder die zich buiten Nederland schuldig maakt:
1. De Nederlandse strafwet is toepasselijk op de Nederlander die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een feit dat door de Nederlandse strafwet als misdrijf wordt beschouwd en waarop door de wet van het land waar het begaan is, straf is gesteld.
De Nederlandse strafwet is toepasselijk op de vreemdeling die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van ten minste acht jaren is gesteld, indien deze vreemdeling zich in Nederland bevindt en:
uitlevering ter zake van dit misdrijf is geweigerd op een grond die niet tevens inhoudt dat naar Nederlands recht geen vervolging kan plaatshebben, of
uitlevering ter zake van dit misdrijf wegens het ontbreken van een verdragsrelatie niet mogelijk is, voor zover op het feit door de wet van het land waar het begaan is, straf is gesteld.”
Voor de toepassing van Titel I van dit Boek wordt onder het hebben van een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland verstaan het rechtmatig verblijven in Nederland gedurende een onafgebroken periode van vijf jaar of langer.”
1. De Nederlandse strafwet is toepasselijk op de vreemdeling die in Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft en zich buiten Nederland schuldig maakt aan een der misdrijven omschreven in de artikelen 240b en 242 tot en met 250a, voor zover het feit is gepleegd ten aanzien van een minderjarige.
verval van het recht tot strafvordering”, een aantal gronden voor
uitsluitingvan vervolgbaarheid opsomt, zijn de rechtsmachtsbepalingen positief, d.w.z. rechtsmacht
vestigend, geformuleerd. Rechtsmacht is een noodzakelijke voorwaarde voor vervolgbaarheid. [12]
tegenNederlanders, althans voor zover het feit strafbaar is in het land waar het is begaan. Artikel 6 Sr Pro regelt in samenhang met het Besluit internationale verplichtingen dat Nederland – in veel gevallen:
universele– rechtsmacht heeft over in dat besluit aangewezen feiten ingeval de staat verdragsrechtelijk verplicht is die rechtsmacht te vestigen. Artikel 7 lid 1 Sr Pro verklaart de Nederlandse strafwet van toepassing op misdrijven die in het buitenland
doorNederlanders (tegen wie dan ook) zijn begaan, voor zover het feit strafbaar is in het land waar het is begaan. Lid 2 van artikel 7 dicteert Pro dat de Nederlandse strafwet onder meer van toepassing is op de onder c vermelde zedenmisdrijven begaan
doorNederlanders in het buitenland, zonder dat de aanvullende eis van dubbele strafbaarheid wordt gesteld.
isof een vreemdeling die een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland
heeft. Dit wijst erop dat de situatie ten tijde van het feit leidend is. Ook uit bepalingen als artikel 7 lid 3 Sr Pro en artikel 3 lid 7 van Pro het Besluit internationale verplichtingen zou a contrario kunnen worden afgeleid dat
buitende daarin geregelde gevallen niet ter zake doet dat de vreemdeling ná het plegen van het feit Nederlander is geworden dan wel hier te lande vaste woon- of verblijfplaats heeft gekregen. [17] De wetsgeschiedenis wijst volgens mij echter in een andere richting.
in de toelichting[dient]
te worden ingegaan op het feit dat in het voorgestelde artikel 86b Sr niet wordt bepaald of aan het criterium van het hebben van een vaste woon- of verblijfplaats moet zijn voldaan op het moment waarop het feit is begaan, of dat voldoende is dat daaraan is voldaan op het moment waarop wordt beslist tot vervolging over te gaan,zoals de bestaande artikelen 5, tweede lid, en 5a, vierde lid, Sr ten aanzien van het actieve personaliteitsbeginsel bepalen.” [20]
overeenkomstig het advies van de Afdeling in de memorie van toelichting [wordt] aangegeven dat aan het hebben van een vaste woon- of verblijfplaats moet zijn voldaan op het moment waarop wordt beslist om tot vervolging over te gaan.” [21]
Bepalend is of betrokkene op het moment waarop wordt beslist tot vervolging over te gaan aan de voorwaarden van artikel 86b Sr voldoet.” [22]
op het moment waarop wordt beslist tot vervolging over te gaanaan de voorwaarden van artikel 86b Sr voldoet, bestaat extraterritoriale rechtsmacht ook indien de dader een vreemdeling betreft die ná het begaan van een in artikel 5a (oud) Sr bedoeld feit in het buitenland een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft gekregen. Een tegengestelde opvatting zou ook slecht passen bij de verruimende strekking van de wetswijziging, die in de wetsgeschiedenis herhaaldelijk wordt benadrukt. [23]
dan wel een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft gekregen. [24] Ik geef prioriteit aan deze op de wetsgeschiedenis gebaseerde uitleg van artikel 7 lid 3 Sr Pro boven een grammaticale en wetssystematische uitleg, omdat deze beter strookt met de ratio van de gelijkstelling van de ingezeten vreemdeling met een Nederlander. [25]
De bespreking van het eerste middel
Het tweede middel
De bewezenverklaring en bewijsmotivering
1. hij in de periode van 1 januari 2015 tot en met 10 april 2018 te Dubai, de Verenigde Arabische Emiraten, met zijn kind, [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2006, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en zijn vingers tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] geduwd;
1. Het proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden d.d. 28 juni 2021 (p. 7-9), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]:
).
)?
De toelichting op het tweede middel
zijn vingers tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] [heeft] geduwd”. Ten tweede behelst het middel de klacht dat uit verschillende bewijsmiddelen volgt dat de verdachte het slachtoffer, geboren op [geboortedatum] 2006, voor het laatst in 2020 vaginaal zou hebben gepenetreerd, terwijl bewijsmiddel 2 inhoudt dat het slachtoffer op haar elfde voor het laatst door de verdachte is verkracht. Dat is tegenstrijdig aan elkaar, terwijl bewijsmiddel 2 zich bovendien niet verdraagt met de bewezenverklaring van feit 2, dat ziet op seksueel binnendringen ('verkrachten') vanaf het twaalfde levensjaar.
De bespreking van het tweede middel
kunnenafleiden dat de verdachte in de onder 1 en 2 bewezen verklaarde periodes “
zijn vingers tussen de schaamlippen” van het slachtoffer heeft geduwd. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof in dat verband geoordeeld dat de bekentenis van de verdachte van dit deel van de tenlastelegging betrekking had op (momenten in) de gehele bewezen verklaarde periode. Als de klacht wel terecht zou zijn voorgesteld, zou deze overigens falen bij gebrek aan belang. Immers, als dit deel uit de bewezenverklaringen zou wegvallen, zou dat de aard en ernst van het bewezen verklaarde niet wezenlijk aantasten. [28]
Het derde middel
De strafmotivering
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging - op gronden zoals verwoord in de overgelegde pleitnota - naar voren gebracht dat de tenlastegelegde feiten een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen, doch dat de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren - gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de straffen die in vergelijkbare strafzaken zijn opgelegd - te hoog is. Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte heeft de verdediging in het bijzonder naar voren gebracht dat hij het misbruik direct heeft erkend, dat hij zelf in therapie is gegaan en dat hij de therapie inmiddels heeft afgerond. Bovendien ondersteunt de verdachte zijn vrouw en kinderen op financieel gebied en werkt hij hard om de kosten van de studies van zijn kinderen en de studentenkamers te betalen. Indien de verdachte gedetineerd raakt, ontstaan grote financiële problemen. De verdachte vreest dat zijn kinderen hun studies dan zullen moeten staken. De verdediging heeft het hof verzocht om de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, waarvan bij voorkeur 2 jaren en anders 1 jaar voorwaardelijk, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en als bijzondere voorwaarden (betreffende het gedrag van de verdachte) een contactverbod met [slachtoffer] en dat hij contacten met minderjarigen dient te vermijden.