Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:PHR:2026:518

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
23 mei 2026
Zaaknummer
24/01590
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14c lid 2 sub 10 SrArt. 14c lid 2 sub 11 SrArt. 113 lid 3 GrondwetArt. 5 EVRMArt. 6:6:1 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging bijzondere voorwaarde behandelverplichting wegens onbepaalde rechterlijke goedkeuring

De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden, waaronder een behandelverplichting bij een forensisch psychiatrische polikliniek. Deze voorwaarde bevatte de mogelijkheid tot een kortdurende klinische opname na indicatie en goedkeuring door de rechter.

De verdachte stelde cassatie in tegen deze bijzondere voorwaarde, met twee deelklachten: de onbepaaldheid van de vereiste rechterlijke goedkeuring voor opname en de onverenigbaarheid van de verplichte medicatie met artikel 14c lid 2 sub 10 Sr. De Hoge Raad oordeelde dat de voorwaarde omtrent de rechterlijke goedkeuring te onbepaald is, omdat niet duidelijk is hoe en via welke procedure deze goedkeuring wordt gegeven, wat strijdig is met het vereiste van wettelijke grondslag en procedurele waarborgen.

De klacht over de verplichte medicatie faalde, aangezien de Hoge Raad eerder heeft geoordeeld dat een dergelijke verplichting binnen een ambulante behandelverplichting kan worden gesteld, mits de verdachte zich hierover heeft kunnen uitlaten en de therapeutische noodzaak is betrokken.

De conclusie van de procureur-generaal strekt tot vernietiging van de bijzondere voorwaarde voor zover deze de mogelijkheid tot kortdurende klinische opname omvat, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

Uitkomst: De bijzondere voorwaarde voor kortdurende klinische opname na rechterlijke goedkeuring wordt vernietigd wegens onbepaaldheid, overige klachten worden verworpen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer24/01590

Zitting26 mei 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de verdachte

Inleiding

1. Het gerechtshof Amsterdam (enkelvoudige kamer) heeft de verdachte bij arrest van 9 april 2024 (parketnr. 23-001619-23) wegens “
diefstal” veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht weken, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het hof heeft daaraan een aantal bijzondere voorwaarden verbonden. Daarnaast heeft het hof beslist op vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerder voorwaardelijk opgelegde straffen en een beslissing genomen over de vordering van de benadeelde partij. Het hof heeft verder nog de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Kuijper, advocaat in Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

3. Het middel komt erop neer dat de bijzondere voorwaarde die inhoudt dat de verdachte zich laat behandelen, niet voldoet aan artikel 14c lid 2 sub 10 Sr. Het middel bevat twee deelklachten.

De strafoplegging

4. Het hof heeft bij de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf een aantal bijzondere voorwaarden gesteld,
“te weten - kort gezegd - een meldplicht, een behandelverplichting en een inspanningsverplichting om dagbesteding te vinden.” De behandelverplichting wordt in het dictum als volgt omschreven (onderstrepingen door mij):

Het hof:
(…)
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich laat behandelen door Forensisch psychiatrische polikliniek Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start na ingaan van de proeftijd. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt. Bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor detoxificatie.Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal veroordeelde zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling.Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt.

De eerste deelklacht

5. De steller van het middel klaagt ten eerste dat de voorwaarde niet voldoet aan het vereiste dat de beoordeling van de noodzaak van opneming van de verdachte in een zorginstelling is voorbehouden aan de rechter en/of dat de voorwaarde op dit punt te onbepaald is, nu onduidelijk is wat wordt bedoeld met ‘na goedkeuring door de rechter’.
Het beoordelingskader: de mogelijkheid tot kortdurende klinische opname in een ambulant behandeltraject in het kader van een voorwaardelijke veroordeling
6. De rechter die via een voorwaardelijke veroordeling gedragsverandering wil realiseren, kan uiteenlopende bijzondere voorwaarden stellen, beschreven in artikel 14c lid 2 Sr. Daaronder vallen “
opneming van de veroordeelde in een zorginstelling” (sub 10) en “
een verplichting zich onder behandeling te stellen van een deskundige of zorginstelling” (sub 11). In de praktijk bestaat geregeld behoefte aan een bijzondere voorwaarde die deze twee combineert: de verplichting tot ambulante behandeling, met de mogelijkheid tot een kortdurende klinische opname wanneer de omstandigheden dat vragen. Soms laten rechters het eventuele opstarten van een kortdurende opname dan over aan de reclassering. [1] Zo ging het in HR 12 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1027, om een voorwaarde die inhield dat de verdachte zich (ambulant) zou laten behandelen en dat de reclassering een kortdurende klinische opname zou mogen regelen indien daartoe aanleiding zou ontstaan, bijvoorbeeld bij “
een terugval in middelengebruik, bij overmatig middelengebruik of in geval van ernstige zorgen over het psychiatrische toestandsbeeld”.
7. De Hoge Raad heeft in dat arrest (en eerder al) [2] uitgemaakt dat de rechter bij het stellen van de voorwaarde dat de verdachte wordt opgenomen in een zorginstelling (artikel 14c lid 2 sub 10 Sr), de beslissing of en, zo ja, voor welke duur de verdachte zich gedurende de proeftijd onder klinische behandeling moet laten stellen, niet in handen mag leggen van de reclassering of een andere instantie, De beslissing of zich de noodzaak voordoet van opneming van de verdachte in een zorginstelling en, zo ja, voor welke duur moet worden genomen door de rechter. [3]
8. Dat volgt naar het oordeel van de Hoge Raad uit de tekst en het systeem van de wet. [4] Op grond van artikel 14a en 14c lid 2 Sr is het immers de rechter die de bijzondere voorwaarden stelt en bepaalt binnen welk deel van de proeftijd de verdachte zich aan die voorwaarden moet houden. Verder is in de eerste titel van hoofdstuk 6 van boek 6 van het Wetboek van Strafvordering voorzien in een procedure voor rechterlijke beslissingen in de fase van tenuitvoerlegging. Op grond van de artikelen 6:6:1 en 6:6:19 Sv kan de rechter tijdens de proeftijd het eerder gestelde pakket aan bijzondere voorwaarden aanpassen binnen de mogelijkheden van artikel 14c lid 2 Sr. In lid 7 van artikel 6:6:1 Sv Pro is onder c opgenomen dat de rechter-commissaris bevoegd is tot het nemen van spoedeisende, tijdelijke en voorlopige beslissingen. Artikel 6:6:20 lid 1 Sv Pro somt de beslissingen op die de rechter-commissaris mag nemen. Het wijzigen van de bijzondere voorwaarden behoort niet tot de opties, zo volgt uit die bepaling. [5] Bij tbs met voorwaarden biedt artikel 6:6:10a Sv de mogelijkheid dat de rechter-commissaris een tijdelijke opname beveelt als aan de in die bepaling gestelde eisen is voldaan. [6] Een soortgelijke bepaling bestaat echter niet voor de voorwaardelijke strafoplegging.
9. Op de achtergrond spelen artikel 113 lid 3 Grondwet Pro en het in artikel 5 EVRM Pro gewaarborgde recht op vrijheid en veiligheid een rol. Een verplichte klinische opname kan gelden als vrijheidsbeneming in de zin van die bepalingen. [7] Artikel 113 lid 3 van Pro de Grondwet stelt dat een vrijheidsbenemende straf uitsluitend door de rechterlijke macht kan worden opgelegd. [8] Het doel van artikel 5 EVRM Pro is het voorkomen van ongerechtvaardigde en willekeurige vrijheidsbeneming. Daarom vereist deze bepaling dat vrijheidsbeneming “
lawful” is en (dus) plaatsvindt “
in accordance with a procedure prescribed by law”. [9] De nationale procedure moet daarbij van een zekere kwaliteit zijn: “
where a national law authorises deprivation of liberty it must be sufficiently accessible, precise and foreseeable in its application, in order to avoid all risk of arbitrariness.” [10]

De bespreking van de eerste deelklacht

10. In deze zaak heeft het hof een ambulante behandelverplichting in de bijzondere voorwaarden opgenomen, en daarbij de mogelijkheid geschapen dat de verdachte zich bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld moet laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken (of zoveel korter als de reclassering nodig vindt). Die eventuele opname vindt volgens de bijzondere voorwaarde slechts plaats na indicatie van een daarvoor verantwoordelijke instantie [11] en na “
goedkeuring door de rechter”.
11. Met die laatste voorwaarde heeft het hof blijkbaar willen voldoen aan de hierboven weergegeven rechtspraak van de Hoge Raad. Langs welke weg de rechterlijke goedkeuring zou moeten plaatsvinden is alleen niet kraakhelder. Mogelijk heeft het hof willen zeggen dat een beslissing van de rechter tot wijziging van de bijzondere voorwaarden moet worden gezocht (artikel 6:6:19 Sv Pro). Ik ken geen andere procedures met een wettelijke grondslag die eenzelfde resultaat mogelijk maken. Het zou dus kunnen dat de bijzondere voorwaarde op deze manier moet worden begrepen.
12. Nadeel van de in de eerste titel van hoofdstuk 6, boek 6 Sv neergelegde procedure is dat snelheid niet is verzekerd. De situatie waarvoor de hier gestelde bijzondere voorwaarde is bedoeld, een vaak acute terugval in middelengebruik of verslechtering van de psychische gesteldheid, vraagt juist om een snelle beslissing. Zo bezien is het niet ondenkbaar dat het hof een andere, niet in de wet vastgelegde route voor ogen had. Als de bijzondere voorwaarde langs die lijnen moet worden begrepen, is deze niet in overeenstemming met artikel 14c lid 2 sub 10 Sr. Artikel 5 EVRM Pro en artikel 113 lid 3 Grondwet Pro verlangen dat een procedure die leidt tot vrijheidsbeneming (op bevel van de rechter) berust op een wettelijke grondslag en gepaard gaat met zekere procedurele waarborgen. Dat is volgens mij niet anders als het, zoals hier, gaat om het tijdens de executie van een voorwaardelijke straf geven van goedkeuring aan de reclassering of de voor indicatie verantwoordelijke instantie.
13. Tegen die achtergrond slaagt het eerste deel van het middel, waarin terecht wordt geklaagd dat de omschrijving van de vereiste rechterlijke goedkeuring te onbepaald is.

De tweede deelklacht

14. Deze klacht houdt in dat het verplicht innemen van medicijnen is aan te merken als verplichte zorg die niet verenigbaar is met artikel 14c lid 2 sub 10 Sr.

De bespreking van de tweede deelklacht

15. Nu de eerste deelklacht slaagt (en tot vernietiging van dit deel van de bijzondere voorwaarde leidt), hoeft de tweede deelklacht eigenlijk niet te worden besproken. Voor het geval dat de Hoge Raad mij niet volgt, merk ik op dat het onderdeel van de bijzondere voorwaarde dat de verdachte bij een eventuele klinische opname verplicht kan worden medicijnen in te nemen, niet in strijd is met artikel 14c lid 2 sub 10 Sr. Sinds het indienen van de cassatieschriftuur heeft de Hoge Raad bepaald dat zo’n verplichting mag worden gesteld in het kader van een (ambulante) behandelverplichting. [12] Daarbij vond de Hoge Raad van belang dat het hof het reclasseringsrapport op het onderzoek ter terechtzitting aan de orde had gesteld en de verdachte zich daarover had kunnen uitlaten. [13] Ook in deze zaak is het reclasseringsrapport besproken op de terechtzitting en heeft de verdachte daarover opmerkingen kunnen maken.
16. De tweede deelklacht faalt.

Slotsom

17. De tweede deelklacht van het middel faalt, maar de eerste deelklacht slaagt.
18. Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
19. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend voor wat betreft de bijzondere voorwaarde die strekt tot een behandelverplichting, voor zover deze inhoudt “
Bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor detoxificatie. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal veroordeelde zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt”, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie P.C. Vegter & E.J. de Vries,
2.Zie HR 9 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:946, en HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5449. En over 14c lid 2 sub 2 (oud) Sr: HR 30 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0262, en HR 6 november 1990,
3.Ook na het arrest van de Hoge Raad van juli 2022 oordeelt de praktijk verschillend over het stellen van de voorwaarde van kortdurende klinische opname in verband met een crisissituatie. Er zijn globaal vier varianten. De eerste is dat de mogelijkheid tot tijdelijke klinische opname (impliciet) in handen wordt gelegd van een andere instantie dan de rechter (de reclassering, de behandelaar, degene die de indicatie stelt). De tweede variant is dat de voorwaarde, hoewel geadviseerd, niet wordt gesteld. Een derde variant is dat de voorwaarde zo wordt geformuleerd dat in geval van concrete nood tot klinische opname een verzoek of vordering wordt gedaan tot zodanige wijziging van de voorwaarden dat de rechter alsnog tot de opname beslist. Een veel toegepaste vierde variant stelt (zoals in de voorliggende zaak) bij een indicatie tot tijdelijke klinische opname de eis van voorafgaande ‘rechterlijke goedkeuring’. Zie (met verwijzingen) P.C. Vegter & E.J. de Vries,
4.Vgl. HR 6 november 1990, ECLI:NL:HR:1990:AB9573,
5.Zie hierover de memorie van toelichting bij de Wet USB:
6.Zie HR 28 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1663,
7.Zie
8.Vgl. F.W. Bleichrodt,
9.Zie EHRM 22 oktober 2018, nrs. 35553/12, 36678/12 en 36711/12 (
10.Zie EHRM 19 mei 2016, nr. 37289/12 (
11.Voor klinische opname is een indicatiestelling nodig van de werkeenheid Indicatiestelling Forensische Zorg van het NIFP (zie p. 120 van het eerder genoemde toezichtrapport).
12.De Hoge Raad oordeelde over het verplicht innemen van medicijnen tijdens een ambulante behandeling (artikel 14c lid 2 sub 11 Sr).
13.HR 27 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:775,