Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:PHR:2026:534

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
25 mei 2026
Zaaknummer
24/03737
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 338 SvArt. 2:16 Algemene wet bestuursrechtArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling voor valsheid in geschrift en valse aangifte bij TOGS- en TVL-aanvragen

De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot veertien maanden gevangenisstraf wegens meervoudige valsheid in geschrift en het doen van een valse aangifte. Het hof stelde vast dat de verdachte tussen maart 2020 en januari 2021 meerdere valse aanvragen voor de Tegemoetkoming Ondernemers Getroffen Sectoren Covid-19 (TOGS) en Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL) had ingediend, waarbij onder meer onjuiste omzetgegevens en valse bijlagen waren gebruikt.

De verdediging voerde aan dat onvoldoende bewijs bestond dat de verdachte zelf de aanvragen had ingediend, omdat ook anderen toegang konden hebben gehad tot zijn DigiD-account en de aanvragen niet fysiek waren ondertekend. Het hof oordeelde echter dat het gebruik van het persoonlijke DigiD-account en het ontbreken van een aannemelijke ontlastende verklaring van de verdachte voldoende bewijs vormden dat hij de aanvragen zelf had gedaan.

Daarnaast werd bewezen verklaard dat de verdachte op 9 september 2020 een valse aangifte deed van diefstal van zijn mobiele telefoon, waarbij het hof de diefstalhandeling kwalificeerde als zakkenrollerij, ook al werd die term niet letterlijk in de aangifte gebruikt.

De Hoge Raad concludeert dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd, de onschuldpresumptie niet heeft geschonden en de bewijslast correct heeft toegepast. De cassatiemiddelen worden verworpen en de veroordeling blijft in stand.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van de verdachte tot veertien maanden gevangenisstraf voor meervoudige valsheid in geschrift en het doen van een valse aangifte.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/03737

Zitting26 mei 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de verdachte

Inleiding

1. Het gerechtshof Den Haag heeft de verdachte bij arrest van 26 september 2024 (parketnr. 22-003252-23) wegens
- onder 1 “
valsheid in geschrift, meermalen gepleegd”;
- onder 2 “
valsheid in geschrift, meermalen gepleegd”;
- onder 3 “
aangifte doen dat een strafbaar feit gepleegd is, wetende dat het niet gepleegd is”;
- onder 4 “
Verduistering, meermalen gepleegd
veroordeeld tot een gevangenisstraf van veertien maanden. Daarnaast heeft het hof beslist op vorderingen van benadeelde partijen en in verband daarmee een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. N. van Schaik en H. Brentjes, beiden advocaat in Utrecht, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste middel

3. Het middel ziet op het onder 1 en 2 bewezen verklaarde en bevat vier deelklachten.

De bewezenverklaring en bewijsmotivering

4. De bewezenverklaring houdt onder 1 in dat de verdachte:

in de periode van 29 maart 2020 tot en met 8 juni 2020 in Nederland, meermalen, geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten aanvragen Tegemoetkoming Ondernemers Getroffen Sectoren Covid-19 (TOGS), te weten:
a) een aanvraag TOGS namens [benadeelde 1] B.V. d.d. 29-03 2020 (DOC-002-01, p. 439-440) en
b) een aanvraag TOGS namens [benadeelde 2] B.V. d.d. 25-04 2020 (DOC-003-01, p. 445-447) d.d. 25-04-2020 en
c) een aanvraag TOGS namens [benadeelde 3] B.V. d.d. 25-04-2020 (DOC-004-01 p. 451-53) en
d) een aanvraag TOGS namens [benadeelde 4] B.V. d.d. 30-04-2020 {DOC-006-01, p. 462-465) en
e) een aanvraag TOGS namens [benadeelde 5] B.V. d.d. 04 05-2020 en
f) een aanvraag TOGS namens [benadeelde 6] d.d. 19-05-2020 (DOC-013-01, p. 504-506) en
g) een aanvraag TOGS namens [benadeelde 7] d.d. 08 06-2020 (DOC-014-01, p. 510-512)
valselijk heeft opgemaakt door op voornoemde aanvraag ad a) op naam van [benadeelde 1] BV aan te vinken dat in de periode van 16-03-2020 tot en met 16-06-2020
- verwacht wordt dat tenminste € 4.000 aan omzetverlies zal lijden als gevolg van de maatregelen ter bestrijding van de verdere verspreiding van COVID-19 en
- verwacht dat hij minimaal 4000 euro aan vaste lasten heeft en te verklaren dat de gegevens in voornoemde aanvraag correct en naar waarheid ingevuld zijn en
op voornoemde aanvragen ad b tot en met g)
- Als contactpersoon en intermediair verdachte op de aanvragen te vermelden en
- een bankrekeningnummer op de aanvraag te vermelden die niet overeenkomt met het bankrekeningnummer van het bedrijf waarvoor de aanvraag wordt gedaan en
- aan te vinken dat de gegevens in de aanvraag correct zijn en
- te verklaren op de aanvragen dat verdachte bevoegd was om de aanvraag te ondertekenen en
- te verklaren op de aanvragen dat de gegevens naar waarheid zijn ingevuld, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken”.
5. Onder 2 is bewezen verklaard dat de verdachte:

inde periode
van 12 september 2020 tot en met 26 januari 2021 in Nederland, meermalen, geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een of meerdere aanvragen Tegemoetkoming Vaste Lasten, te weten
a) een aanvraag TVL op naam van [benadeelde 1] d.d. 12-09 2020 (DOC-023-01, p. 541-545 en
b) een aanvraag TVL op naam van [benadeelde 1] d.d. 16-12 2020 (DOC-023-05, p. 569-573) en
c) een aanvraag TVL op naam van [benadeelde 1] d.d. 26-01 2021 (DOC-023-09, p. 580-584) valselijk heeft opgemaakt door op en bij voornoemde aanvragen
- een onjuiste omzet te vermelden en
- te vermelden dat [benadeelde 1] B.V. btw aangifte doet per jaar of per kwartaal en
- te vermelden dat het formulier volledig en naar waarheid is ingevuld en
- valse bijlagen (huurovereenkomst en valse OB aangifte) mee te sturen, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken”.
6. Het arrest bevat de volgende overwegingen:

Verweren feiten 1 en 2
De verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken ten aanzien van de feiten 1 en 2, omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte degene is geweest die de aanvragen TOGS en TVL heeft ingevuld en ingediend. Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte de enige was die toegang had tot zijn DigiD-account, er is geen verband tussen het IP-adres waarvandaan de aanvragen zijn ingediend en de verdachte, uit het dossier blijkt niet dat de verdachte de in de aanvragen genoemde telefoonnummers en e-mailadres gebruikte, en de aanvragen zijn niet feitelijk ondertekend.
Het hof overweegt als volgt.
De aanvragen TOGS zijn ingediend met gebruikmaking van het DigiD-account van de verdachte. DigiD is een persoonlijke inlogcode voorzien van een wachtwoord waarmee een persoon zich kan identificeren op websites van de overheid. In beginsel heeft alleen de persoon die hoort bij het DigiD-account de inloggegevens daarvan, omdat deze persoon dit account zelf dient aan te maken met gegevens waarover alleen deze persoon beschikt. Dit uitgangspunt maakt dat indien een verdachte ontkent dat hij de elektronische ondertekening heeft gezet, hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring zal moeten geven hoe een onbevoegde van zijn digitale handtekening gebruik heeft kunnen maken en dat hem van dat onbevoegde gebruik geen verwijt kan worden gemaakt. Nu de TOGS-aanvragen zijn ingediend met het DigiD-account van de verdachte en de verdachte geen verklaring als hiervoor bedoeld heeft gegeven moet er in beginsel van worden uitgegaan dat hij de aanvragen heeft ingediend.
Door de verdediging wordt in deze zaak slechts gesteld dat niet met de vereiste mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte degene is geweest die de TOGS-aanvragen heeft ingevuld en ingediend. De verdachte heeft in het geheel geen verklaring afgelegd. Zo heeft hij geweigerd te worden gehoord door de FIOD en is hij ter terechtzitting in eerste aanleg on in hoger beroep niet verschenen. De raadsman heeft volstaan met het opperen van generieke gissingen en heeft bijvoorbeeld geen expliciete, van de verdachte afkomstige, standpunten aan het hof gepresenteerd.
Het hof gaat ervan uit dat het de verdachte is geweest die gebruik heeft gemaakt van het aan hem toekomende DigiD. De juistheid van dit oordeel wordt naar het oordeel van hot hof verder gesterkt door het feit dat de DigiD van de verdachte actief en veelvuldig werd gebruikt (in [plaats]), ook voor communicatie met andere overheidsdiensten zoals met opvallende regelmaat de CJIB. Voorts overweegt het hof dat er vijf aanvragen zijn verstuurd vanaf het IP-adres van het woonadres van zijn moeder.
Ten aanzien van de aanvragen TLV geldt dat deze worden ingediend met gebruikmaking van een DigiD-account of minimaal eHerkenning niveau 1.
Ook hiervoor geldt dat in beginsel alleen de persoon van wie de inloggegevens van de DigiD zijn, daarover beschikt. Vergelijkbaar geldt dat de bestuurder van een rechtspersoon beschikt over de eHerkenning-inloggegevens. De verdachte is de enige wettelijk vertegenwoordiger van [benadeelde 1] BV. De verdediging heeft niets aangevoerd waaruit zou blijken dat anderen over de inloggegevens van het DigiD-account van de verdachte of de inloggegevens van de eHerkenning van [benadeelde 1] BV beschikten. En ook hier geldt dat de verdachte geen enkele verklaring heeft afgelegd. Het hof gaat ervan uit dat het de verdachte is geweest die gebruik heeft gemaakt van de aan hem toekomende DigiD en eHerkenning-inloggegevens. Ook hier neemt het hof in aanmerking dat een van de aanvragen is verstuurd vanaf het IP-adres van het woonadres van zijn moeder.
Gelet op het voorgaande acht het hof bewezen dat de verdachte de valse TOGS- en TVL-aanvragen heeft gedaan. De verweren van de verdediging worden verworpen. Dat geldt ook voor het verweer dat de aanvragen niet “feitelijk” (het hof begrijpt daaronder ook: fysiek) zijn ondertekend. De digitale aard van deze aanvragen maakt namelijk dat deze ook digitaal (door DigiD en/of E-herkenning) moeten worden ondertekend (vergelijk artikel 2:16 Algemene Pro wet bestuursrecht).

Een nadere omschrijving van het middel

7. Het middel bevat als gezegd vier deelklachten. Met de eerst twee deelklachten wordt opgekomen tegen de overweging dat “
indien een verdachte ontkent dat hij de elektronische ondertekening heeft gezet, hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring zal moeten geven hoe een onbevoegde van zijn digitale handtekening gebruik heeft kunnen maken en dat hem van dat onbevoegde gebruik geen verwijt kan worden gemaakt”. De eerste deelklacht houdt in dat deze overweging van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, omdat het hof van een verkeerde rechtsregel is uitgegaan, dan wel doordat het hof de mogelijkheid heeft opengelaten dat sprake was van culpoos handelen. De tweede deelklacht houdt in dat het hof door het ‘witwas-stappenplan’ toe te passen, de onschuldpresumptie heeft geschonden en tevens de bewijslat van artikel 338 Sv Pro heeft verlaagd.
8. De derde en vierde deelklacht zien beide op het passeren van verweren van de verdediging. De derde deelklacht luidt dat het hof niet toereikend heeft gereageerd op het door de verdediging aangedragen alternatieve scenario dat iemand anders (mogelijk de ex-partner van de verdachte) de aanvragen heeft gedaan. Als vierde deelklacht wordt naar voren gebracht dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat het IP-adres dat is gebruikt bij vijf aanvragen niet hoort bij het woonadres van de moeder van de verdachte.

De bespreking van het middel

9. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad kan de rechter bij zijn beoordeling van het bewijs betekenis toekennen aan het uitblijven van een aannemelijke ontlastende verklaring van de verdachte (voor dat bewijs). Dat is niet in strijd met de onschuldpresumptie. [1]
10. Het hof heeft hier in essentie overwogen dat wanneer een (frauduleuze) aanvraag met een bepaalde DigiD-account is gedaan, dat erop wijst dat de aanvraag is gedaan door de persoon aan wie die account is gekoppeld (in dit geval: de verdachte). Die redengevendheid kan worden ontkracht als die persoon een aannemelijke verklaring weet te geven die inhoudt dat een ander van zijn account heeft gebruikgemaakt, zo lees ik de overwegingen. [2] De criteria concreetheid, verifieerbaarheid en (a priori) waarschijnlijkheid heeft het hof volgens mij dus slechts gebruikt als invulling van de maatstaf van (on)aannemelijkheid. [3] Ik ken geen rechtsregel die zich daartegen verzet. [4] Met de zinsnede dat die verklaring ook moet inhouden “
dat hem van dat onbevoegde gebruik geen verwijt kan worden gemaakt”, heeft het hof willen verduidelijken dat alleen een verklaring van de verdachte dat een ander zijn DigiD-account heeft gebruikt niet direct genoeg is om hem vrij te pleiten. De verklaring moet, om tot vrijspraak te kunnen leiden, ook meebrengen dat de verdachte het feit niet in een nauwe en bewuste samenwerking met die ander heeft gepleegd, zo begrijp ik het hof. De tenlastelegging omvat immers ook medeplegen. [5]
11. De aangevochten overweging van het hof getuigt dus niet van een onjuiste rechtsopvatting, laat niet de mogelijkheid open dat sprake was van culpoos handelen, en is evenmin in strijd met de onschuldpresumptie en/of artikel 338 Sv Pro. De eerste en de tweede deelklacht falen.
12. Het hof oordeelt vervolgens dat het de verdachte is geweest die bij de aanvragen zijn eigen DigiD-account heeft gebruikt en gaat daarmee voorbij aan het verweer dat iemand anders die aanvragen zou hebben gedaan. Daarbij betrekt het hof dat dit verweer niet wordt gesteund door een overeenstemmende verklaring van de verdachte, dat de DigiD van de verdachte actief en veelvuldig werd gebruikt, ook voor communicatie met andere overheidsdiensten, en dat er vijf aanvragen zijn verstuurd vanaf het IP-adres van het woonadres van zijn moeder. De verwerping van het in het middel bedoelde verweer is daarmee niet onbegrijpelijk en tevens toereikend gemotiveerd. Om die reden faalt de derde deelklacht. Dat het IP-adres dat is gebruikt bij vijf aanvragen niet hoort bij het woonadres van de moeder van de verdachte, heeft het hof blijkbaar niet aangemerkt als een afzonderlijk uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, maar als een argument bij een overkoepelend bewijsverweer. Dat oordeel is gezien de inhoud van de in hoger beroep voorgedragen pleitnota niet onbegrijpelijk. [6] Daarop stuit de vierde deelklacht af.
13. Het eerste middel faalt in al zijn onderdelen.

Het tweede middel

14. Het tweede middel houdt in dat het onder 3 bewezen verklaarde niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid. De steller van het middel voert aan dat uit de bewijsmiddelen niet kan blijken dat de verdachte tijdens zijn aangifte zou hebben verklaard te zijn ‘gezakkenrold’.

De bewezenverklaring en bewijsmotivering

15. De bewezenverklaring onder 3 houdt in dat de verdachte:

op 9 september 2020 in Nederland aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit is gepleegd, door via internet opzettelijk en in strijd met de waarheid aangifte te doen van diefstal van zijn telefoon (iPhone 11 pro), inhoudende dat hij op 9 september 2020 om 14:00 uur in de trein van [station 1] richting Schiphol is gezakkenrold, wetende dat dat strafbare feit niet is gepleegd.
16. De bewezenverklaring steunt onder meer op dit bewijsmiddel:

1. Een proces-verbaal aangifte d.d. 21 september 2020 van de Koninklijke Marechaussee met nr. PL27MO/20-073034. Dit proces verbaal houdt onder meer in (pagina 13):
als de op 9 september 2020 afgelegde verklaring van [verdachte] :
Pleegplaats: Schiphol, Station NS.
Incident: Diefstal overige goederen
Op 9 september 2020 om 14:00 uur heb ik vanaf [station 1] de trein gepakt richting Schiphol en ik ben met mijn tas in mijn hand in slaap gevallen. Kort na het uitstappen wilde ik mijn vriendin bellen en ik kwam toen tot de ontdekking dat mijn telefoon was verdwenen.
(On) roerende goederen.
Telefoon (gsm)
Merk: Apple
Type: iPhone 11 pro
IMEI nummer [...]
Eigenaar: [verdachte]
Reden doorlezen in plaats van voorlezen: internetaangifte.
Datum/tijd opname aangifte woensdag 9 september 2020 16:58 uur.
17. De bewijsmiddelenbijlage bevat de volgende bewijsoverweging:

Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte een valse aangifte van diefstal (van zijn mobiele telefoon) heeft gedaan. De tekst van de tenlastelegging houdt - onder meer - in dat de verdachte in zijn aangifte (ook) heeft verklaard dat hij is "gezakkenrold". Een dergelijke bewoording komt in de aangifte niet letterlijk voor. Het hof heeft dit deel van de tenlastelegging wél bewezenverklaard. Uit de tekst van de (valse) aangifte moet namelijk worden afgeleid dat de mobiele telefoon van de verdachte in een door hem vastgehouden tas zat, en na zijn ontwaken er opeens niet meer in zat. Naar normaal spraakgebruik kan de daaraan ten grondslag liggende diefstalhandeling worden geduid als zijnde zakkenrollerij.

De bespreking van het middel

18. Gezien de aangifte van de verdachte heeft het hof
kunnenoverwegen en oordelen dat de diefstalhandeling waarop die aangifte ziet, is aan te duiden als ‘zakkenrollen’. Dat oordeel is, met andere woorden, niet onbegrijpelijk.
19. Het middel faalt.

Slotsom

20. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
21. Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
22. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 20 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1864, rov. 3.2.1-3.2.4.
2.In dat verband overweegt het hof: “
3.Voor zover het hof deze criteria op dezelfde wijze zou hebben toegepast als in fase 2 van het ‘witwas-stappenplan’ (vgl. randnummer 27 van mijn conclusie 22 april 2025, ECLI:NL:PHR:2025:462), zou dit overigens slechts in het voordeel van de verdachte kunnen hebben gewerkt, aangezien de lat voor een verklaring die tot vrijspraak zou hebben geleid dan lager zou zijn gelegd dan ‘aannemelijkheid’ zoals bedoeld in de hierboven geciteerde rechtspraak (zie voetnoot 1). Bij die stand van zaken zou de cassatieklacht hierover falen bij gebrek aan belang.
4.Hoewel het inderdaad wat verwarring kan oproepen in relatie tot de genoemde witwasjurisprudentie van de Hoge Raad, lijkt het me op zich geen verkeerde manier om de beoordeling van de aannemelijkheid nader te concretiseren.
5.Vgl. HR 16 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3359,
6.Zie pleitnota p. 1-6.