Conclusie
“gewoontewitwassen”,(2)
“deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”, (3)
“opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”en (4)
“een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht dat afgegeven is door een dienst of organisatie van vitaal of nationaal belang voorhanden hebben, waarvan hij weet, dat het vals of vervalst is”.
“medeplegen van gewoontewitwassen”en aan de verdachte een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 42 maanden met aftrek conform artikel 27 lid 1 Sr Pro.
“medeplegen van gewoontewitwassen”. Het vierde middel komt op tegen de strafoplegging en het vijfde middel ziet op de overschrijding van de inzendtermijn.
“gewoontewitwassen”. Door het hof is deze kwalificatie verbeterd in het
“medeplegen van gewoontewitwassen”.
“7. [getuige 4] , woonplaats [plaats] Suriname
Toelichting:
van de aangekochte machines zijn genoemd. Ook is geen enkel stuk overgelegd waaruit kan blijken van inkoop of verkoop van de genoemde goederen; geen boekhouding, geen factuur, geen bankafschrift, geen overeenkomst. Gelet op de aard en de omvang van de gestelde (buitenlandse) handel had dit wel voor de hand gelegen. Daar komt bij dat als de getuigen al zouden kunnen verklaren over voornoemde handel van verdachte, niet gesteld is dat zij ook kunnen verklaren over de eventuele opbrengsten van verdachte daaruit. Gelet op het voorgaande is verdachte niet in zijn belangen geschaad bij het niet horen van de genoemde getuigen.”
“grotendeels pas tijdens het laatste woord is ingenomen”. Hoewel het hof geen duidelijke consequentie verbindt aan het (late) moment waarop de verdachte deze stelling in het proces heeft ingenomen, lijkt het hof kennelijk van oordeel te zijn dat dit afdoet aan de geloofwaardigheid van de stelling. Verder lijkt in ’s hofs overweging impliciet besloten te liggen dat de verdachte
telaat was. Dit impliciete oordeel is volgens de steller van het middel onbegrijpelijk nu een verdachte ook tijdens het laatste woord een verklaring kan geven omtrent de herkomst van een voorwerp (welke verklaring nader onderzoek kan rechtvaardigen).
“in hoger beroep voor het eerst en tijdens de zitting grotendeels pas tijdens het laatste woord is ingenomen”doet aan de begrijpelijkheid van het oordeel niet af, te meer nu het hof blijkens zijn overwegingen geen gevolgen heeft verbonden aan het (late) procesmoment waarop de onderwerpelijke verklaring is afgelegd. Daaraan doet overigens niet af dat het hof dit (late) moment (en de eventueel daarvoor opgegeven redenen) had mogen betrekken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de verklaring.
contanteinkomsten zijn genoten (of girale inkomsten contant zijn gemaakt), zodat deze verklaring redelijkerwijs niet van belang kan zijn voor de toepassing van de eenvoudige kasopstelling.
“op geen enkele wijze is onderbouwd dat en wanneer de auto is verkocht”. Hij voegt daaraan toe dat het slechts aan de verdachte was om te
stellendat en wanneer de auto was verkocht. Ook dat standpunt deel ik niet, waarbij ik verwijs naar hetgeen ik bij deelklacht (c) van dit middel reeds heb opgemerkt.
“onvoldoende concreet en verifieerbaar is”, als gevolg waarvan de rechtbank c.q. het hof geen rekening houdt met de gestelde contante inkomsten. Waar de steller van het middel een punt heeft voor zover het de concreetheid van deze stelling betreft, gaat hij voor wat betreft de verifieerbaarheid van de stelling – en het in dat kader wijzen naar de mogelijkheid tot het horen van de moeder van de verdachte als getuige – voorbij aan het feit dat de rechtbank c.q. het hof heeft kunnen oordelen dat ondanks dit horen van de moeder van de verdachte, de verklaring alsnog onvoldoende verifieerbaar is. Uit de overwegingen maak ik verder op dat de rechtbank c.q. het hof kennelijk van oordeel is geweest dat de verklaring van de verdachte omtrent de contante schenking (ook) hoogst onwaarschijnlijk is. Mede gelet op de overige omstandigheden oordeelde de rechtbank het niet aannemelijk dat zulke forse bedragen contant zijn geschonken zonder dat daarover iets op papier is gezet. Aldus bezien is de beslissing om de gestelde schenking buiten beschouwing te laten niet onbegrijpelijk.
motivering, in de uiteindelijke strafoplegging geen rekening heeft gehouden met de ouderdom van de feiten door ‘slechts’ zes maanden van de in beginsel passend en geboden gevangenisstraf van 48 maanden af te trekken wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Mocht het hof zo worden begrepen dat de korting van zes maanden betrekking heeft op zowel de ouderdom van feiten als de redelijke termijnoverschrijding in hoger beroep, dan is de strafoplegging onbegrijpelijk omdat het hof dan niet heeft vermeld hoeveel strafvermindering het heeft toegepast wegens louter de redelijke termijnoverschrijding, aldus de steller van het middel.
in deze zaak het volgende. Voorop staat dat in artikel 6, eerste lid van het EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht.
“evenwel rekening met de ouderdom van de feiten”,waarna het gelet op de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep zes maanden gevangenisstraf in mindering brengt (zodat het nadeel van de overschrijding is gecompenseerd). Daarmee heeft het hof, in weerwil van hetgeen de steller van het middel betoogt, m.i. tot uitdrukking willen brengen dat het rekening houden met ‘de ouderdom van de feiten’ betrekking heeft op de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Tot nadere overwegingen omtrent de hoogte van de toe te passen strafkorting wegens overschrijding van de redelijke termijn was het hof dan ook niet gehouden.