Conclusie
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
primairbetoogd dat (i) de woningen aan de economische eigenaren (moeder en dochter) dienen te worden toegerekend, waardoor hun omstandigheden, zoals met betrekking tot de vrijstelling van vijftig (in 2016 en 2017: tien) woningen, beslissend zijn en (ii) dat door deze toerekening moeder en dochter mede-eigenaren zijn, wat betekent dat in de jaren 2016 tot en met 2019 niet geheven kan worden op grond van het arrest van de Hoge Raad van 8 juni 2018 [5] , en er vanaf 2018 bovendien niet geheven kan worden omdat pro rata moeder en dochter elk minder dan 50 sociale huurwoningen bezaten.
Subsidiairheeft belanghebbende betoogd dat zij in 2020 tot en met 2022 ten gevolge van de wetswijziging ter zake van mede-eigendom niet voor de woningen kan worden belast. Belanghebbende heeft
meer subsidiairvoor de jaren 2020 tot en met 2022 een beroep gedaan op het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel.
Rechtbankheeft de beroepen verworpen. Volgens de Rechtbank heeft de wetgever voor de belastingplicht aangesloten bij de voor de onroerendezaakbelasting en de Wet WOZ geldende bepalingen, zodat de in die context gegeven uitleg van de zinsnede “genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht” bepalend is. Krachtens het arrest van de Hoge Raad van 21 juni 2020 [6] betekent dit volgens de Rechtbank dat de juridische eigenaar belastingplichtig is en niet de economische eigenaren.
3.Het geding in cassatie
4.De belastingplicht voor de verhuurderheffing
De genothebbende in de verhuurderheffing
kanvolgens art. 24(4) Wet WOZ de bekendmaking plaatsvinden aan één van hen. Dat hoeft dus niet. Art. 24(4) Wet WOZ laat toe dat de WOZ-beschikking aan alle mede-eigenaren van een onroerende zaak bekendgemaakt wordt. Toch ging art. 1.3 WMW ervan uit dat die bekendmaking feitelijk maar aan één van die mede-eigenaren zou plaatsvinden. Wat hiervan zij, art. 1.3 WMW legde een nauw verband met art. 24 Wet Pro WOZ en het in die bepaling gehanteerde begrip genothebbende krachtens eigendom bezit of beperkt recht. Alleen degene die het genot heeft ‘krachtens eigendom, bezit of beperkt recht’ is genothebbende in de zin van art. 24(3)(a) en (4) Wet WOZ en alleen die genothebbende is de genothebbende bedoeld in art. 1.3 WMW en art. 1.4 WMW.
gebruiken‘al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht
of persoonlijk recht’, en (b) de zogenoemde eigenarenheffing die wordt geheven van degenen die ‘krachtens eigendom, bezit of beperkt recht’
het genot hebbenvan een onroerende zaak.
KG1984/367. Met andere woorden inbreng verplicht tot inbreng in gemeenschap, tenzij partijen anders zijn overeengekomen: bijvoorbeeld alleen inbreng in economische eigendom, waarover hierna.”
zakelijkrecht, en dus niet op het genot krachtens een huurovereenkomst of krachtens een overeenkomst waarbij de economische eigendom van de huurwoning is verworven.