Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:PHR:2026:413

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
25/02266
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.2 Belastingwet BESArt. 4.4 Belastingwet BESArt. 220b GemeentewetArt. 8.112(2)(e) Belastingwet BESArt. 8:77(1)(e) Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vastgoedbelasting trust op BES-eilanden: geen aanslag aan trust, vrijstelling eigen woning

Deze zaak betreft de vraag of een trust kan worden aangeslagen voor vastgoedbelasting op de BES-eilanden. Het Gemeenschappelijk Hof had geoordeeld dat de trust als eigenaar in het kadaster stond geregistreerd en daarom belastingplichtig was, ondanks dat de woning als hoofdverblijf van de settlor diende. De trust, een revocable discretionary trust opgericht naar North Carolina recht, was geregistreerd als eigenaar van een woning op Bonaire.

Belanghebbende stelde dat de aanslag onterecht was omdat een trust geen rechtspersoon is en geen genothebbende kan zijn. De Hoge Raad bevestigt dat alleen natuurlijke personen en rechtspersonen als genothebbende kunnen worden aangemerkt. De trust, als lichaam zonder rechtspersoonlijkheid, kan niet als genothebbende worden beschouwd, ook al staat zij in het kadaster geregistreerd.

Verder oordeelt de Hoge Raad dat de vrijstelling voor eigen woningen die als hoofdverblijf ter beschikking staan, ook geldt als de woning aan een mede-genothebbende ter beschikking staat. Omdat de woning het hoofdverblijf is van de settlor die tevens trustee en beneficiary is, is de aanslag onterecht opgelegd aan de trust. De aanslag en de bestreden uitspraken worden vernietigd en de kosten worden aan belanghebbende toegekend.

Uitkomst: De aanslag vastgoedbelasting aan de trust wordt vernietigd omdat een trust geen genothebbende kan zijn en de woning als eigen hoofdverblijf vrijgesteld is.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/02266
Datum17 april 2026
BelastingkamerB
Onderwerp/tijdvakVastgoedbelasting 2021
Nr. Gemeenschappelijk Hof van Justitie BON2024H00019
Nr. Gerecht in eerste aanleg van Bonaire BON20230098
CONCLUSIE
R.J. Koopman
In de zaak van
[X]
tegen
staatssecretaris van Financiën

1.Inleiding

1.1
Deze zaak gaat over de vraag of een trust kan worden aangeslagen in de vastgoedbelasting van de BES-eilanden. Het Gemeenschappelijk Hof heeft die vraag bevestigend beantwoord en de aanslag in stand gelaten.
1.2
De vastgoedbelasting wordt geheven van degene die het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht. Dat komt overeen met de omschrijving van degenen die kunnen worden betrokken in de zogenoemde eigenarenheffing, bedoeld in art. 220(b) Gemeentewet. Daarom kan de beslissing in deze zaak doorwerken naar de gemeentelijke onroerendezaaksbelastingen.
1.3
Belanghebbende in deze zaak is een ‘revocable discretionary trust’ opgericht naar het recht van North Carolina. Oprichter (settlor) van de trust is [A] . Hij is bij leven ook trustee en eerste beneficiary. Na zijn overlijden zullen zijn drie kinderen beneficiary worden.
1.4
De aanslag heeft betrekking op het huis waarin [A] woont. Deze onroerende zaak staat in het kadaster geregistreerd op naam van belanghebbende.
1.5
Volgens art. 4.4 Belastingwet BES wordt de vastgoedbelasting niet geheven ter zake van eigen woningen die de belastingplichtige als hoofdverblijf ter beschikking staan. Als [A] als belastingplichtige was aangemerkt, was de vrijstelling van toepassing geweest.
1.6
Het begrip ‘genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht’ duidt op een zakelijke gerechtigdheid. De huurder en de economisch eigenaar zijn dus niet genothebbende (‎5.3-‎5.6).
1.7
Wanneer er meerdere genothebbenden zijn, kan de aanslag worden opgelegd aan één van hen. Ik meen dat als de onroerende zaak de eigen woning en het hoofdverblijf is van één van de genothebbenden, de andere genothebbende recht heeft op de vrijstelling van art. 4.4 Belastingwet BES als de aanslag aan hem wordt opgelegd (‎5.7-‎5.19).
1.8
Naar mijn mening kunnen alleen natuurlijke personen en rechtspersonen worden aangemerkt als genothebbende in de zin van art. 4.2 Belastingwet BES en art. 220(b) Gemeentewet (‎5.20-‎5.35).
1.9
In hoofdstuk ‎6 van deze conclusie bespreek kort ik het rechtskarakter van de Anglo-Amerikaanse trust en de bijzondere kenmerken van belanghebbende (een ‘revocable discretionary trust’ waarvan één persoon settlor, trustee en beneficiary is).
1.1
Ik kom tot de slotsom dat een trust in Nederland niet wordt gezien als een rechtspersoon en dat onder trustverband gebrachte vermogensbestanddelen gelden als eigendom van de trustee. Voor belanghebbende geldt dit des te meer, omdat gedurende het leven van de settlor de ‘afscheiding’ van de onder trustverband gebrachte vermogensbestanddelen een zeer vrijblijvend karakter heeft. Het is daarom te betwijfelen of die vermogensbestanddelen bij leven diens al behoren tot een ‘afgescheiden vermogen’ of een ‘doelvermogen’ (‎6.7).
1.11
In hoofdstuk ‎7 bespreek ik de klachten. Ik concludeer dat die klachten gegrond zijn en dat de aan belanghebbende opgelegde aanslag moet worden vernietigd.
1.12
Verder grijp ik deze zaak aan om een beschouwing te wijden aan de manier waarop belastingrechters in Europees en Caribisch Nederland de datum vermelden waarop hun uitspraak ter beschikking van partijen wordt gesteld. Die datum bepaalt de aanvang van de termijn voor het instellen van een rechtsmiddel tegen die uitspraak, en is voor die partijen daarom van groot belang. Helaas laat de duidelijkheid van die vermelding te wensen over. Dit onderwerp behandel ik in hoofdstuk ‎4 van deze conclusie.

2.De feiten en het geding in feitelijke instanties

De feiten

2.1
Belanghebbende is een
revocable discretionary trustdie is opgericht op 13 februari 2012 naar het recht van de staat North Carolina in de Verenigde Staten. [A] is
settloren
trusteevan belanghebbende.
2.2
Blijkens een akte van koop en verkoop heeft belanghebbende op 30 juni 2017 de eigendom verkregen van de onroerende zaak [a-straat 1] te [Q] , Bonaire (de onroerende zaak). Het betreft een eigendomsperceel grond, kadastraal bekend als afdeling 4, sectie [...] , nummer [...] , groot 800 vierkante meter met daarop een woning. Tot de gedingstukken behoort een uittreksel uit de kadastrale registratie van de onroerende zaak.
2.3
De woning staat [A] als hoofdverblijf ter beschikking.
2.4
Belanghebbende heeft in hoger beroep onder meer de volgende stukken overgelegd: een verzekeringsfactuur, facturen van het water- en energiebedrijf [B] N.V en een factuur van [C] . Alle facturen zijn gericht aan [A] .
2.5
Aan belanghebbende is ter zake van de onroerende zaak een aanslag vastgoedbelasting voor het jaar 2021 opgelegd, gebaseerd op de vastgestelde waarde van USD 375.042. Het voordeel is daarbij gesteld op 4% van USD 305.042. De aanslag bedraagt (inclusief 30% eilandelijke opcenten) USD 2.775.
2.6
Belanghebbende heeft tegen deze aanslag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.
Gerecht in eerste aanleg van Bonaire [1]
2.7
Bij het Gerecht was in geschil of de aanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd en of de vrijstelling van toepassing is die geldt voor de eigen woning die de belastingplichtige als hoofdverblijf ter beschikking staat (art. 4.4(a) Belastingwet BES).
2.8
Het Gerecht heeft geoordeeld dat belanghebbende er niet in is geslaagd om bewijs te leveren dat [A] genothebbende van de onroerende zaak krachtens bezit is en als zodanig als belastingplichtige moet worden aangemerkt voor de vastgoedbelasting. Volgens het Gerecht is de aanslag terecht aan belanghebbende als eigenaar van de onroerende zaak is opgelegd.
2.9
Het Gerecht heeft de Inspecteur gevolgd in zijn stelling dat sprake is van een afgescheiden vermogen van dat van de
trustee, zodat de vrijstelling van art. 4.4(a) Belastingwet BES voor de eigen woning niet van toepassing is. Het Gerecht heeft overwogen dat de vrijstelling niet van toepassing is als gevolg van de keuze van [A] om de onroerende zaak – om hem moverende redenen – in te brengen in een trust.
2.1
Op die gronden heeft het Gerecht het beroep ongegrond verklaard.
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba [2]
2.11
Ook in hoger beroep was in geschil of de aanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd en of de vrijstelling van art. 4.4(a) Belastingwet BES van toepassing is.
2.12
Het Gemeenschappelijk Hof heeft overwogen dat blijkens de tot de gedingstukken behorende akte van levering van de onroerende zaak en de daaropvolgende inschrijving bij het Kadaster, belanghebbende op 30 juni 2017 juridisch eigenaar is geworden van de onroerende zaak.
2.13
Met het Gerecht is het Gemeenschappelijk Hof voorts van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat [A] (
settloren
trusteevan belanghebbende) , in weerwil van de kadastrale registratie, als genothebbende in de zin van art. 4.2(2) Belastingwet BES moet worden aangewezen.
2.14
Het Gemeenschappelijk Hof heeft hetgeen het Gerecht ten aanzien van de vrijstelling voor de eigen woning heeft overwogen juist geacht en heeft dit overgenomen. Het afgescheiden vermogen van dat van de
trusteebrengt mee dat de vrijstelling van art. 4.4(aanhef en a) Belastingwet BES voor de eigen woning niet van toepassing is. Dat [A] de onroerende zaak heeft gebruikt als permanent hoofdverblijf en hij, naar belanghebbende stelt, heeft kunnen beschikken over het trustvermogen als ware het zijn eigen vermogen maakt dit naar oordeel van het Gemeenschappelijk Hof niet anders.
2.15
Het Gemeenschappelijk Hof heeft het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van het Gerecht bevestigd.

3.Het geding in cassatie

3.1
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
3.2
Belanghebbende komt in cassatie met vijf klachten (A t/m E) op tegen de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof:
A. Het Hof heeft ten onrechte geoordeeld dat belanghebbende eigendom in de zin van art. 4.2(1) Belastingwet BES van de onroerende zaak heeft verworven en niet de [A] als
trustee. Volgens belanghebbende dient geen acht te worden geslagen op de leveringsakte en de inschrijving in de kadasterregistratie. De vermelding in die akte en die kadasterregistratie dat belanghebbende eigendom heeft verworven berust volgens belanghebbende op een kennelijke juridische misslag van de daarvoor verantwoordelijke notaris;
B. Het Hof heeft ten onrechte geoordeeld dat [A] in zijn hoedanigheid van
trusteegeen bezit in de zin van art. 4.2(1) Belastingwet BES van de onroerende zaak heeft verworven;
C. Het Hof is op onbegrijpelijke wijze, dan wel onvoldoende gemotiveerd tot het oordeel gekomen dat de stelling van belanghebbende, inhoudende dat zij geen subject is voor vastgoedbelastingdoeleinden, niet tot een ander oordeel leidt;
D. Het Hof is op onbegrijpelijke wijze, dan wel onvoldoende gemotiveerd tot het oordeel gekomen dat het feit dat [A] naar buiten treedt als bezitter van de onroerende zaak, niet afdoet aan de beweerde juridische eigendom van belanghebbende;
E. Het Hof is op onbegrijpelijke wijze, dan wel onvoldoende gemotiveerd tot het oordeel gekomen dat het afgescheiden vermogen van de
trusteemeebrengt dat het leerstuk van fiscale transparantie geen toepassing vindt.
3.3
De Staatssecretaris stelt in zijn verweerschrift dat feitelijk vaststaat dat de onroerende zaak op naam van belanghebbende is verworven en ook op haar naam in de registers is vermeld. Het Hof heeft daaruit volgens de Staatssecretaris mogen concluderen dat belanghebbende de eigenaar is van de onroerende zaak. Voor zover belanghebbende stelt dat geen belasting kan worden geheven van een trust, omdat deze geen natuurlijk persoon of rechtspersoon is, merkt de Staatssecretaris op dat in art. 4.2(1) Belastingwet BES wordt vastgesteld dat de vastgoedbelasting wordt geheven van ‘degene die het genot heeft krachtens eigendom, bezit of een beperkt recht van een onroerende zaak’. Verder volgt uit art. 1.3(c) dat de Belastingwet BES onder de term lichamen ook begrijpt ‘doelvermogens’. In zoverre is volgens de wet sprake van een lichaam dat krachtens eigendom het genot heeft van een onroerende zaak, zodat belanghebbende terecht als belastingplichtige is aangemerkt. Volgens de Staatssecretaris kan het beroep niet leiden tot cassatie.
3.4
Bij conclusie van repliek heeft belanghebbende gereageerd op het verweerschrift. Hij komt daarbij tot de slotsom dat het dit verweer in al zijn onderdelen faalt.
3.5
De Staatssecretaris heeft afgezien van indiening van een conclusie van dupliek.

4.De ontvankelijkheid van het cassatieberoep

4.1
In elke belastingzaak beoordeelt de Hoge Raad eerst – zo nodig ambtshalve [3] – of het cassatieberoep ontvankelijk is. Dat doet een Advocaat-Generaal ook voordat hij of zij zich werpt op de inhoudelijke beoordeling van de bestreden uitspraak. Als zo’n ambtshalve beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep leidt tot de conclusie dat er niets aan de hand is, dat het cassatieberoep ‘gewoon’ ontvankelijk is, dan ziet men in het arrest van de Hoge Raad en de conclusie van de A-G niets terug van die beoordeling.
4.2
Hoewel ik ervan overtuigd ben dat in deze zaak de cassatietermijn ‘gewoon’ in acht genomen is, ga ik er in deze conclusie toch op in. Dat doe ik omdat de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof een kwestie opwerpt met een zaaksoverschrijdend belang. Belanghebbende hoeft zich dus, ondanks de omineuze titel van dit hoofdstuk, geen zorgen te maken over mijn oordeel over de ontvankelijkheid van het cassatieberoep.
4.3
Die zaaksoverschrijdende kwestie is wat er moet gebeuren als de op bestreden uitspraak niet is vermeld op welke datum die uitspraak aan partijen is toegezonden (of: op welke datum de uitspraak in het digitale portaal ‘Mijn Rechtspraak’ is geplaatst).
4.4
In deze procedure staat op de bestreden uitspraak vermeld dat het Gemeenschappelijk Hof zijn beslissing op 26 maart 2025 in het openbaar heeft uitgesproken. Verder staat op de door belanghebbende bij het cassatieberoep overgelegde [4] uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof onder de handtekeningen van de griffier en de voorzitter vermeld:
“Afschriften zijn post/per e-mail op …… aan partijen verzonden.”
4.5
De ruimte die is opengelaten voor de vermelding van de datum van verzending van de uitspraak is niet ingevuld.
4.6
Onderaan de uitspraak is een rechtsmiddelverwijzing opgenomen. Daarin staat onder meer dat binnen twee maanden na dagtekening van het afschrift van de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof beroep in cassatie kan worden ingesteld bij de Hoge Raad. Maar afgezien van de uitspraakdatum 26 maart 2025 is er op de uitspraak geen ‘afschriftsdagtekening’ te vinden.
4.7
Partijen en anderen kunnen aan de uitspraak zelf dus niet zien wanneer de termijn voor het instellen van cassatieberoep is gaan lopen, en dus ook niet wanneer die termijn eindigt.
4.8
Dat komt de laatste tijd vaker voor, en daarin ligt het zaaksoverstijgend belang van deze kwestie. In de hierna komende onderdelen van deze conclusie inventariseer ik de verschillende verschijningsvormen van dit fenomeen en de gevolgen ervan.
Uitspraken waarin geen verzendingsdatum staat
4.9
In recente uitspraken van de gerechtshoven Den Haag en Arnhem-Leeuwarden wordt wel vermeld
datde uitspraak in het webportaal Mijn Rechtspraak is geplaatst en
datde uitspraak per aangetekende post wordt verstuurd naar de partij die niet digitaal procedeert, maar niet wordt vermeld
wanneerdit gebeurt. Onderaan de in de zaak 25/04130 bestreden uitspraak van het gerechtshof Den Haag, waarin ik vandaag ook conclusie neem, staat [5] :
“De beslissing is op 30 september 2025 in het openbaar uitgesproken.
[handtekening van de voorzitter [6] ]
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
[vermelding van de voorwaarden waaraan een beroepschrift in cassatie moet voldoen]”
4.1
Ik merk, vooruitlopend op de bespreking van deze praktijk, al op dat voorgaande tekst de indruk kan wekken dat de uitspraak reeds op 30 september 2025 voor partijen in Mijn Rechtspraak te zien was. De op 30 september 2025 gedateerde uitspraak vermeldt immers (onderstreping door mij – RJK): ‘Deze uitspraak
isin Mijn Rechtspraak geplaatst’. In werkelijkheid is in die zaak een portaalbericht gedateerd 7 oktober 2025 voor partijen in Mijn Rechtspraak gezet waarin staat dat de uitspraak in het digitale dossier is geplaatst. Dat portaalbericht van 7 oktober 2025 luidt:
“In het digitale dossier zijn de uitspraak en het proces-verbaal van de zitting van het gerechtshof geplaatst.
De uitspraak vermeldt aan het einde wat u kunt doen als u het niet eens bent met de uitspraak”
4.11
De gerechtshoven Amsterdam en ’s-Hertogenbosch hanteren als ik het goed zie een andere werkwijze.
4.12
Zo staat helemaal onderaan de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 10 februari 2026 [7] :
“Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: ….”
4.13
Ook hier wordt de indruk gewekt dat op de datum van de uitspraak al een afschrift van de uitspraak voor partijen beschikbaar is gesteld in het portaal Mijn Rechtspraak. Verder is het kennelijk de bedoeling dat na deze passage een datumstempel wordt geplaatst als één van beide partijen niet digitaal procedeert. Dat stempel is niet te zien op de uitspraak die geraadpleegd kan worden op de website rechtspraak.nl. Maar in lopende cassatiezaken is op uitspraken van dit gerechtshof die door partijen zijn overgelegd inderdaad dat stempel te zien. [8] Het gerechtshof Amsterdam vermeldt dus wel de datum van verzending per post (als er niet-digitaal wordt geprocedeerd), maar neemt – net als het gerechtshof Den Haag - niet een expliciete vermelding in de uitspraak op van de datum waarop de uitspraak daadwerkelijk aan partijen is bekendgemaakt door plaatsing in het webportaal.
4.14
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch houdt als ik het goed zie vast aan de oude – voor invoering van digitaal procederen in hoger beroep – bij dit gerechtshof gebruikelijke werkwijze die inhoudt dat door middel van een stempel wordt aangeduid op welke datum het gerechtshof de uitspraak in het openbaar heeft uitgesproken en aan partijen heeft doen toekomen. [9] Als voorbeeld noem ik de uitspraak van 28 januari 2026 [10] waarin na het dictum, maar voor de handtekeningen van de griffier en de voorzitter is vermeld:
“De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026 [11] en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.”
4.15
Hier staat dus in de uitspraak zowel de datum van plaatsing in het webportaal vermeld als de datum van aangetekende verzending aan de partij die niet digitaal procedeert.
4.16
De rechtbank Zeeland-West-Brabant doet het weer anders. In haar uitspraken staat onder de handtekeningen van de griffier en de rechter: [12]
“De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.”
4.17
De andere Nederlandse ‘rijksbelasting-rechtbanken’ plegen – als ik het goed zie – wel in hun uitspraken door middel van een datumstempel de datum van verzending aan partijen van de afschriften van de uitspraak te vermelden. [13]
4.18
Dat doet het Gerecht in Eerste Aanleg blijkens de uitspraak in deze procedure ook zo, alleen zet men geen datumstempel, maar is de datum met balpen ingevuld. De formulering van de datumvermelding is gelijk aan die welke het Gemeenschappelijk hof hanteert:
“Afschriften zijn per post/per e-mail op [22 maart ‘24] aan partijen verzonden.”
4.19
Wat moet men hier nu van vinden? Het is niet wenselijk dat het partijen moeilijk wordt gemaakt om te achterhalen tot wanneer zij een rechtsmiddel kunnen instellen. Dan wordt een onnodige drempel opgeworpen voor de toegang tot de rechter. Maar wat eist het recht in dit verband van de rechter? En wat zijn de gevolgen als de uitspraak van de rechter niet aan die eisen voldoet? Om die vragen te beantwoorden schets ik hierna de wettelijke vormvoorschriften die zijn gesteld aan uitspraken in bestuursrechtelijke zaken en de regels over (verschoonbare) termijnoverschrijding.
Het juridisch kader
4.2
In art. 8.112(2)(e) Belastingwet BES en art. 8:77(1)(e) Awb is voorgeschreven dat in een schriftelijke uitspraak wordt vermeld: ‘de dag waarop de beslissing is uitgesproken’. Deze bepaling is ook van toepassing in hoger beroep. [14]
4.21
In Europees Nederland schrijft art. 8:77(1)(f) Awb voor dat de schriftelijke uitspraak vermeldt: ‘door wie, binnen welke termijn en bij welke bestuursrechter welk rechtsmiddel kan worden aangewend’. Dit is de evenknie van art. 3:45 Awb Pro dat geldt bij de bekendmaking van besluiten waartegen bezwaar kan worden gemaakt (besluiten in primo) en van art. 6:23 Awb Pro dat geldt bij de bekendmaking van beslissingen op bezwaar. Een verschil tussen art. 8:77(1)(f) Awb enerzijds en art. 3:45(2) en art. 6:23(2) Awb anderzijds is wel dat art. 8:77 Awb Pro eist dat de rechtsmiddelverwijzing in de uitspraak zelf staat, terwijl art. 3:45 en Pro art 6:23 Awb Pro ‘slechts’ eisen dat bij de bekendmaking wordt vermeld welke rechtsmiddelen open staan. Die vermelding hoeft dus niet te staan in het besluit of de beslissing op bezwaar zelf. In de Belastingwet BES heb ik niet vergelijkbare voorschriften kunnen vinden met de verplichting tot het opnemen van een rechtsmiddelverwijzing in een besluit of uitspraak.
4.22
Art. 8.116 Belastingwet BES [15] en art. 8:79(1) Awb bepalen dat binnen twee weken na de dagtekening van de uitspraak de griffier kosteloos een afschrift van de uitspraak of van het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak aan partijen zendt c.q. ter beschikking stelt.
4.23
In art. 8.116a(2) Belastingwet BES wordt de aanvang van de termijn voor het instellen van hoger beroep uitdrukkelijk gekoppeld aan de datum waarop het afschrift van de uitspraak overeenkomstig art. 8.116 Belastingwet BES is verzonden. Een dergelijke bepaling ontbreekt in de Awb.
4.24
In art. 15a van de Rijkswet rechtsmacht Hoge Raad voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Rijkswet rechtsmacht HR), is geregeld dat cassatieberoep kan worden ingesteld tegen uitspraken van het Gemeenschappelijk Hof in belastingzaken. De termijn voor het instellen van dit cassatieberoep volgens art. 15a(2) van deze Rijkswet:
“twee maanden na dagtekening van het afschrift van de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof”.
4.25
Dit is de enige voor het fiscale procesrecht relevante wettelijke bepaling waarin uitdrukkelijk melding wordt gemaakt van een (veronderstelde) datering van het afschrift van de uitspraak die naar partijen wordt gestuurd.
4.26
In de Awb wordt voor bezwaar en beroep niet een termijn van twee maanden, maar een termijn van zes weken gesteld. [16] Vroeger – tot 1 januari 1994 – was in Europees Nederland de termijn wel twee maanden. [17] Meyjes schreef over de toepassing van die termijn: [18]
“Onder maand is niet te verstaan een tijdvak van 30 dagen, doch het tijdvak eindigende met de dag, die in de volgende maand hetzelfde nummer draagt als de dag onmiddellijk aan de aanvang van de termijn voorafgaande, met dien verstande dat wanneer in de volgende maand een zo hoog nummer niet voorkomt de laatste dag van die maand ook de laatste van de termijn is en dat de termijn met een maand samenvalt, wanneer zijn eerste dag ook de eerste van de maand is.”
4.27
Voor de toepassing van art. 15a Rijkswet rechtsmacht HR betekent dit bijvoorbeeld dat als het afschrift van de uitspraak is gedagtekend 30 december 2024, de termijn gaat lopen op 31 december 2024 en dat de laatste dag van de termijn (vrijdag) 28 februari 2025 is. Als het afschrift van de uitspraak een dag later is gedagtekend, op 31 december 2024, gaat de termijn lopen op 1 januari 2025 en is de laatste dag van de termijn in principe 1 maart 2025. Dat is echter een zaterdag. Daardoor wordt de termijn verlengd tot de eerst volgende werkdag [19] , zijnde maandag 3 maart 2025.
4.28
Voor Europees Nederland geldt dat in de Awb in hoofdstuk 6 – getiteld Algemene bepalingen over bezwaar en beroep – is bepaald dat de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken is (art. 6:7 Awb Pro) en dat die termijn aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt (art. 6:8(1) Awb). Deze bepalingen zijn in Europees Nederland ook van toepassing op het hoger beroep en beroep in cassatie. [20]
4.29
Voor besluiten van bestuursorganen geldt (ook voor beslissingen op bezwaar) dat zij, wanneer zij zijn gericht tot een of meer belanghebbenden, moeten worden bekendgemaakt door toezending of uitreiking aan hen (art. 3:41(1) Awb).
4.3
Art. 3:41(1) Awb is niet van overeenkomstige toepassing verklaard op de bekendmaking van uitspraken van rechters. Voor die bekendmaking gelden in Europees Nederland art. 8:78 Awb Pro (de uitspraak in het openbaar) en art. 8:79(1) Awb (het binnen twee weken na de dagtekening van de uitspraak aan partijen ter beschikking stellen van afschriften van de uitspraak).
4.31
Aldus worden in het (Europees) Nederlandse bestuursprocesrecht rechterlijke uitspraken in twee fases bekendgemaakt. De eerste fase is de openbare uitspraak van art. 8:78 Awb Pro en de tweede fase (uiterlijk twee weken later) is de terbeschikkingstelling van afschriften van de uitspraak aan partijen, bedoeld in art. 8:79(1) Awb.
4.32
Al in 1999 schreef A-G Ilsink onder verwijzing naar rechtspraak en literatuur: [21]
“2.8.1. In de Awb is niet een bepaling opgenomen waarin expliciet wordt geregeld wanneer en hoe een uitspraak waartegen hoger beroep of beroep in cassatie kan worden ingesteld,
'op de voorgeschreven wijze (is) bekendgemaakt'.
2.8.2.
Niettemin wordt in het bestuursrecht algemeen aangenomen dat daaronder de verzending moet worden verstaan en niet een eventuele uitreiking van de uitspraak aan partijen ter zitting of het in het openbaar uitspreken van de beslissing.”
4.33
In navolging van wat in het bestuursrecht algemeen wordt aangenomen schreef A-G Ilsink in onderdeel 2.11 van zijn conclusie vervolgens dat over het antwoord op de vraag welk (proces)feit de cassatietermijn doet aanvangen eigenlijk geen twijfel kan bestaan: de verzending aan partijen van een afschrift van de uitspraak doet de cassatietermijn aanvangen.
4.34
De Hoge Raad sloot zich daarbij aan en oordeelde: [22]
“De termijn voor het instellen van beroep in cassatie vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt (artikel 6:8, lid 1, juncto artikel 6:24 van Pro de Algemene wet bestuursrecht). Als zodanige wijze van bekendmaking heeft, zoals in de conclusie van de Advocaat-Generaal uiteengezet, te gelden de toezending door de griffier van een afschrift van de uitspraak aan partijen ingevolge artikel 17, lid 4, van de Wet administratieve rechtspraak in belastingzaken.”
4.35
Dit oordeel werd later, toen de Wet administratieve rechtspraak in belastingzaken was vervangen door hoofdstuk 8 Awb, door de Hoge Raad herhaald: [23]
“De termijn voor het instellen van beroep in cassatie vangt op grond van artikel 6:8, lid 1, in verbinding met artikel 6:24 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Als zodanige wijze van bekendmaking heeft te gelden de toezending door de griffier van het gerechtshof van een afschrift van de uitspraak aan partijen ingevolge artikel 8:79, lid 1, van de Awb (vgl. HR 16 juni 1999, nr. 33848, BNB 1999/287).”
4.36
Samengevat geldt dus dat zowel in het Europese als het Caribische deel van ons land de termijn voor het instellen van hoger beroep en beroep in cassatie (pas) aanvangt op de dag nadat een afschrift van de uitspraak aan partijen is toegezonden of ter beschikking gesteld.
Beschouwing
4.37
Het is dus (‎4.36) voor de partij die overweegt om een rechtsmiddel in te stellen tegen een uitspraak van een belastingrechter noodzakelijk om te weten wanneer de griffier een afschrift van die uitspraak aan hem ter beschikking heeft gesteld op de voet van art. 8:79(1) Awb. De datum van de openbare uitspraak als bedoeld in art. 8:78 Awb Pro is voor die partij eigenlijk van minder belang.
4.38
Toch eisen art. 8:112(2)(e) Belastingwet BES en art. 8:77(1)(e) Awb
wèldat de uitspraakdatum in de uitspraak wordt vermeld, maar
nietdat de datum van toezending of terbeschikkingstelling wordt vermeld. Het niet vermelden van de uitspraakdatum geldt zelfs als een fataal vormgebrek, dat leidt tot vernietiging van de uitspraak ook als vaststaat wanneer die uitspraak aan partijen is verzonden. [24]
4.39
Dit doet de vraag rijzen of niet ook het achterwege laten van een vermelding in de uitspraak van de datum van toezending of terbeschikkingstelling, zou moeten worden aangemerkt als een fataal vormverzuim. Betoogd zou kunnen worden dat uit letter f van art. 8:77(1) Awb de verplichting voortvloeit tot het vermelden in de uitspraak van die datum van terbeschikkingstelling. Daar staat namelijk dat de uitspraak onder meer vermeldt binnen welke termijn het rechtsmiddel kan worden aangewend. Een ruime en burgervriendelijke uitleg van dit voorschrift zou kunnen inhouden dat de uitspraak moet vermelden op welke dag de termijn aanvangt of (liever nog) eindigt.
4.4
In het commentaar bij artikel 8:77 Awb Pro schrijft de redactie van de Vakstudie Algemeen Deel (onderstreping door mij – RJK): [25]
“De uitspraak moet zijn voorzien van de datum waarop zij is gedaan
en de datum waarop zij is verzonden. Indien de uitspraakdatum niet of onjuist is vermeld, heeft dit tot gevolg dat de betreffende uitspraak vernietigd wordt.”
4.41
Hier worden op één lijn gesteld de verplichting om de uitspraakdatum te vermelden en de (door de redactie van de Vakstudie aangenomen) verplichting om de datum van verzending te vermelden. Maar vervolgens wordt alleen aan het niet vermelden van de uitspraakdatum het gevolg verbonden dat de uitspraak moet worden vernietigd. Dit suggereert dat volgens die redactie de verplichting tot het vermelden van de verzenddatum wel bestaat, maar dat naleving ervan niet wordt afgedwongen.
4.42
Voor de BES-eilanden kan aan art. 15a(2) Rijkswet rechtsmacht HR (‎4.24) een argument worden ontleend voor de opvatting dat er een wettelijke verplichting bestaat tot dagtekening van de afschriften van uitspraken van het Gemeenschappelijk Hof en dat het niet naleven van die verplichting een fataal vormverzuim is.
4.43
Ik zou echter in beide delen van ons land niet zo ver willen gaan. De belangen van degenen die geen hinder hebben ondervonden van het achterwege blijven van die vermelding, worden eerder geschaad dan gediend door het aannemen van een dergelijke vernietigingsgrond. Partijen willen in de regel hun inhoudelijke geschil voorleggen aan de hogere rechter; zij hebben geen belang bij een louter formele vernietiging gevolgd door een procedurele herhaling van zetten bij de lagere rechter. Ik meen daarom dat voor de BES-eilanden en voor Europees Nederland geldt dat het ontbreken van een verzend- of terbeschikkingsstellingsdatum op het afschrift van de uitspraak dat aan partijen wordt verstrekt, alleen gevolgen kan hebben voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het hoger beroep of het beroep in cassatie.
4.44
Eigenlijk is het strikt genomen ook niet mogelijk om zo’n vermelding
inde uitspraak zelf op te nemen. Afschriften van die uitspraak kunnen immers pas aan partijen ter beschikking worden gesteld nadat de uitspraak is gedaan. Maar
ophet
afschriftvan die uitspraak kan de griffier wel de datum van terbeschikkingstelling aantekenen. Tegen die achtergrond is goed te begrijpen dat de bestuursrechters die de vermeldingen van die terbeschikkingstellings- of toezendingsdatum in de uitspraak opnemen (zie ‎4.9-‎4.18) dit doen na (onder) de handtekeningen van de rechter en de griffier.
4.45
Verder begrijp ik goed dat het technisch en juridisch ingewikkeld is om aan een document dat al is voorzien van een digitale handtekening nog extra informatie toe te voegen; in dit geval: de datum van verzending. De gedachte achter de digitale handtekening is dat de gebruiker van het door een digitale handtekening gewaarmerkte document zeker weet dat er niet aan het document is ‘geknoeid’ nadat die handtekening is gezet.
4.46
Maar dat neemt niet weg dat de huidige niet-uniforme (‎4.9-‎4.18) en onduidelijke rechtsmiddelverwijzingen (‎4.10 en ‎4.13) vraagt om verbetering. Zo zou ervoor gekozen kunnen worden om de uitspraakdatum (de datum van de openbare uitspraak) steeds te laten samenvallen met de datum waarop afschriften van de uitspraak aan partijen ter beschikking worden gesteld. Zo doen wij dat ook bij de Hoge Raad; de arresten en conclusies in belastingzaken worden meestal op een vrijdag gedateerd en ook op diezelfde vrijdag aan partijen ter beschikking gesteld. Meestal zijn die arresten en conclusie al een aantal dagen eerder digitaal ondertekend, zodat de griffie de gelegenheid heeft om de documenten gereed te maken voor ter beschikkingstelling op vrijdag. Als dit voor de rest van de rechtspraak niet haalbaar is zou in elk geval de tekst van de rechtsmiddelverwijzing in de uitspraak aangepast kunnen worden zodat meteen duidelijk is dat de termijn begint te lopen op de datum van terbeschikkingstelling, en dat die datum gelijk is aan dagtekening van de ‘voorloopbrief’ in het portaal. In die voorloopbrief zou dan kunnen worden vermeld wat de laatste dag is waarop het rechtsmiddel kan worden ingediend.
4.47
Hoe dan ook moet het voor de partijen duidelijk zijn wanneer de termijn voor het instellen van een rechtsmiddel eindigt, en dus moet hen ook duidelijk worden gemaakt wanneer die termijn aanvangt. Als dat voor een partij niet duidelijk is, kan dat grond opleveren voor het oordeel dat een termijnoverschrijding verschoonbaar is en daarom niet tot niet-ontvankelijkverklaring mag leiden (art. 6:11 Awb Pro). In het algemeen kan naar mijn mening niet worden gezegd dat een termijnoverschrijding is ‘veroorzaakt door het handelen of nalaten’ [26] van de rechter of de griffier, wanneer op het aan een partij ter beschikking gestelde exemplaar van de uitspraak niet is aangetekend op welke dag die terbeschikkingstelling heeft plaatsgevonden. Wel kan niet bij voorbaat worden uitgesloten dat zich zo’n geval bijkomende omstandigheden die de indiener betreffen kunnen voordoen waardoor de termijnoverschrijding verschoonbaar is. [27] Ik denk hierbij aan het geval waarin een justitiabele die zes weken na de uitspraakdatum de tekst weergegeven in ‎4.9 leest en daaruit opmaakt dat de cassatietermijn al verstreken is. Wanneer die persoon pas drie weken later van een deskundige te horen krijgt dat de cassatietermijn toen nog niet verliep, omdat de uitspraak pas een week later aan hem ter beschikking was gesteld, kan ik mij voorstellen dat hij een beroep kan doen op art. 6:11 Awb Pro.
4.48
Verder bezorgen de huidige niet-uniforme en onduidelijke rechtsmiddelverwijzingen de gerechtshoven en de Hoge Raad extra (en onnodig) werk. Als bij deze instanties een rechtsmiddel wordt ingesteld moeten zij namelijk ambtshalve nagaan of de daarvoor geldende termijn in acht genomen is. Bij dat onderzoek wordt voor de aanvang van die termijn gekeken naar de bestreden uitspraak, die door de partij die hoger beroep of beroep in cassatie instelt in beginsel moet worden meegestuurd. [28] Als daarop niet staat vermeld op welke datum die uitspraak ter beschikking is gesteld aan de indiener van het rechtsmiddel, moet het gerechtshof of de Hoge Raad nader dossieronderzoek verrichten om te achterhalen of de appèl- of cassatietermijn is overschreden. Zo’n onderzoek is met name nodig als het hoger beroep of cassatieberoep gerekend vanaf de datum van de openbare uitspraak, te laat zou zijn ingediend. Dat is uiteraard niet onoverkomelijk, maar wel inefficiënt.
Slotsom
4.49
In deze zaak is op 26 maart 2025 in het openbaar uitspraak gedaan. De cassatietermijn bedraagt twee maanden. Deze termijn vangt aan na de dagtekening van het afschrift van de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof. [29] Dat afschrift is in deze zaak niet gedagtekend, maar die dagtekening kan niet zijn gelegen voor de uitspraakdatum. Dit betekent dat de laatste dag van de cassatietermijn niet voor 26 mei 2026 kan zijn gelegen. Het pro-forma beroepschrift in cassatie is ingediend op 26 mei 2026. Dat is dus in elk geval op tijd. Daardoor is het niet nodig een onderzoek in te stellen naar de datum waarop de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof aan partijen is gestuurd.
4.5
In algemene zin is het onwenselijk te noemen dat belastingrechters in Europees Nederland zo verschillend omgaan met het kenbaar maken van de datum waarop de termijn voor hoger beroep of beroep in cassatie aanvangt en dat een aantal van die belastingrechters onduidelijke rechtsmiddelverwijzingen gebruiken. Daardoor wordt het justitiabelen moeilijker gemaakt vast te stellen wanneer die termijn eindigt.
4.51
Het belang van de kenbaarheid van het einde van die termijn wordt onderkend in het in consultatie gegeven wetsvoorstel Wet versterking waarborgfunctie Awb. Voorgesteld wordt om art. 3:45 Awb Pro aan te vullen met het voorschrift dat bij de bekendmaking van een besluit moet worden vermeld op welke datum de termijn eindigt waarbinnen bezwaar kan worden gemaakt of beroep kan worden ingesteld. [30] Een zelfde bepaling wordt volgens dit voorstel voor beslissingen op bezwaar en uitspraken van de bestuursrechter toegevoegd aan art. 6:23 Awb Pro.
4.52
Ik begrijp dat de Belastingdienst al de werkwijze heeft omarmd die wordt voorgeschreven met het voorstel voor het nieuwe art. 3:45 Awb Pro. Op een aanslagbiljet las ik:
“Bezwaar maken
Bent u het niet eens met deze aanslag en wilt u bezwaar maken? Ga naar
www.belastingdienst.nl/bezwaarchecken kijk hoe u dit kunt doen. Maakt u bezwaar, doe dit dan op tijd. Verstuur het online bezwaarformulier uiterlijk op [datum]. Kunt u alleen schriftelijk bezwaar maken? Dan moet uw bezwaarschrift op [datum] binnen zijn bij de Belastingdienst. Vermeld altijd de reden van uw bezwaar en het aanslagnummer. Vergeet uw handtekening niet”.
4.53
Het zou mooi zijn als de belastingrechters zo snel mogelijk het goede voorbeeld van de Belastingdienst gingen volgen en – liefst op het afschrift van de uitspraak dat naar partijen gaat – zowel de verzenddatum als de einddatum van de rechtsmiddeltermijn te vermelden. Het kan voor de rechtspraak toch niet moeilijk zijn om met een eenvoudige ‘rekentool’ ook het einde van de termijn te berekenen en die te vermelden bij de bekendmaking van de uitspraak. Die ‘tool’ zal met het oog op de toekomstige wijziging van art. 3:45 Awb Pro toch een keer moeten worden gebouwd. Waarom dan niet nu al?

5.Vastgoedbelasting

Algemeen wettelijk kader

5.1
Deze zaak gaat over een aanslag vastgoedbelasting. Dat is de belasting die op grond van de artt. 1.2(a) en 4.1 Belastingwet BES wordt geheven ter zake van voordelen uit op de BES-eilanden gelegen onroerende zaken. Over die vastgoedbelasting meldt de memorie van toelichting bij het voorstel dat leidde tot de Belastingwet BES onder meer: [31]
“De vastgoedbelasting is een nieuwe heffing en belast het rendement op grond en de daarop aanwezige onroerende za(a)k(en). Het hiervoor genoemde rendement wordt forfaitair vastgesteld. De heffingsgrondslag is een vast percentage – 4% – van de waarde in het economische verkeer van de in eigendom zijnde onroerende zaak. De waarde in het economische verkeer wordt vastgesteld aan de hand van dezelfde waarderingsgrondslagen die gaan gelden voor de grondbelasting. De grondbelasting is een lokale belasting die de openbare lichamen op grond van het wetsvoorstel Wet FinBES mogen heffen. Vervolgens wordt over dit forfaitaire rendement een vast tarief van 20% toegepast.”
De genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht
5.2
Art. 4.2 Belastingwet BES regelt wie belastingplichtig is voor de vastgoedbelasting. Dat is degene die bij het begin van het kalenderjaar het genot van de onroerende zaak heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht. Als genothebbende wordt aangemerkt degene die als zodanig in de kadastrale registratie is vermeld, tenzij blijkt dat een ander genothebbende is:
“Artikel 4.2
1 De belasting wordt geheven van degene die bij het begin van het kalenderjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een onroerende zaak.
2 Als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht wordt aangemerkt, degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de kadastrale registratie is vermeld, tenzij blijkt dat op dat tijdstip een ander genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.
(…)”
5.3
De genothebbende is niet per se de gebruiker van de onroerende zaak. Een huurder bijvoorbeeld, is wèl gebruiker, maar niet genothebbende. De eigenaar die de onroerende zaak verhuurt geldt als genothebbende en dus als belastingplichtige voor de vastgoedbelasting: [32]
“In dit artikel is geregeld van wie de vastgoedbelasting wordt geheven. Belastingplichtig is de degene die bij het begin van het kalenderjaar het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht heeft van de onroerende zaak. Deze genothebbende moet onderscheiden worden van de gebruiker al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht. Deze gebruiker is voor de vastgoedbelasting niet relevant. Vanzelfsprekend kunnen de genothebbende en de gebruiker van een onroerende zaak één en dezelfde zijn, maar ook als een ander de onroerende zaak gebruikt, bijvoorbeeld door een huurder, is en blijft de genothebbende de belastingplichtige.
Het eerste lid ziet op situaties waarin sprake is van één genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht die dan belastingplichtig is. In het tweede lid wordt aangegeven wie als genothebbende wordt aangemerkt. De genothebbende is degene die aan het begin van het kalenderjaar in de kadastrale registratie als zodanig is vermeld. Echter, de mogelijkheid is opgenomen om bewijs te leveren dat een ander dan in de kadastrale registratie is vermeld de genothebbende is.”
5.4
De term ‘genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht’ is in Europees Nederland bekend uit de Gemeentewet. Die term wordt in art. 220 Gemeentewet Pro gebruikt om in de onroerendezaakbelastingen de ‘eigenaarsheffing’ (letter b) te onderscheiden van de gebruikersheffing (letter a). Vóór 1994 werden als belastingplichtig voor de eigenarenheffing aangewezen ‘degenen die van het onroerend goed het genot hebben krachtens een zakelijk recht’. De aanpassing van de terminologie vloeide voort uit de Invoeringswet Boeken 3, 5 en 6 nieuw BW (tiende gedeelte). [33]
5.5
Er zijn geen aanwijzingen dat de wetgever een inhoudelijke wijziging heeft willen doorvoeren door vervanging van de woorden ‘zakelijk recht’ door de woorden ‘eigendom (…) of beperkt recht’. Het moet dus gaan om een zakelijk recht, en niet om een persoonlijk recht, zoals huur.
5.6
Een zekere inhoudelijke wijziging vloeit wellicht wel voort uit invoeging van het woord ‘bezit’ op de plaats waar in ‎5.5 drie puntjes staan. Bezitter van een goed is degene die het goed voor zichzelf houdt, het duidt primair op een feitelijke situatie. [34] Het impliceert dat hij een eigendomsrecht pretendeert (en meestal ook heeft; bezit en eigendom vallen immers vaak samen). Een huurder is dus geen bezitter, hij houdt niet voor zichzelf. [35] Dat geldt ook voor de economisch eigenaar. In zijn arrest van 21 juni 2000 overwoog de Hoge Raad over die economisch eigenaar: [36]
“3.5 Voorzover het vierde middel zich keert tegen ‘s Hofs oordeel dat in artikel 1 van Pro de Verordening onroerende-zaakbelastingen 1994 en artikel 2 van Pro de Verordening rioolrechten 1993 met “eigendom” is bedoeld de juridische eigendom en niet tevens eigendom in economische zin, faalt het, omdat dat oordeel juist is. Het middel berust voor het overige op de opvattingen dat met de verkrijging van de economische eigendom van het betrokken pand de economische eigenaar daarvan genothebbende krachtens bezit is geworden in de zin van die bepalingen en dat belanghebbende niet langer kan worden aangemerkt als genothebbende. Die opvattingen zijn onjuist, zodat het middel ook voor het overige faalt. Met “bezit” is in evenvermelde bepalingen bedoeld het bezit in de zin van het burgerlijk recht. Bij een overdracht van de eigendom in economische zin, maar niet in juridische zin, van een goed ontstaat een rechtsverhouding krachtens welke de verkrijger dat goed houdt voor de juridische eigenaar, maar niet voor zichzelf, zodat hij niet kan worden aangemerkt als bezitter in de zin van artikel 3:107, lid 1, BW. Een zodanige overdracht, waarbij de juridische eigenaar door het afstaan van de economische eigendom een vrijwillige beperking van het genot aanvaardt, leidt er ook niet toe dat de juridische eigenaar niet langer kan worden aangemerkt als genothebbende krachtens eigendom (vgl. HR 29 november 1989, nr. 26308, BNB 1990/43).”
Meerdere genothebbenden van één onroerende zaak
5.7
Er kunnen meerdere genothebbenden zijn met betrekking tot één onroerende zaak. Dan wordt volgens art. 4.2(3) Belastingwet BES de belasting geheven van alle belastingplichtigen gezamenlijk en kan volgens art. 4.7(4) Belastingwet BES de aanslag worden opgelegd aan één van hen. Volgens art. 4.7(5) Belastingwet BES wordt die aanslag dan ingevorderd bij degene op wiens naam de aanslag is gesteld ‘zonder rekening te houden met de rechten van de overige belastingplichtigen’. Tevens is ieder van de belastingplichtigen hoofdelijk aansprakelijk voor de gehele aanslag (art. 8.70 Belastingwet BES).
5.8
Voor eigen woningen die de belastingplichtige als hoofdverblijf ter beschikking staan geldt op grond van art. 4.4(aanhef en a) Belastingwet BES een vrijstelling:
“De belasting wordt niet geheven ter zake van voordelen uit:
a. onroerende zaken die als eigen woning worden aangemerkt als bedoeld in artikel 4 van Pro de Wet inkomstenbelasting BES en die de belastingplichtige als hoofdverblijf ter beschikking staan;
(…)”
5.9
Art. 4 Wet Pro inkomstenbelasting BES luidt:
“Voor de toepassing van deze wet wordt onder eigen woning verstaan een woning die de belastingplichtige anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat en:
a. waarvan de belastingplichtige eigenaar is;
b. waarvan de belastingplichtige de grond in erfpacht of huur heeft;
c. die de belastingplichtige in vruchtgebruik heeft, dat verkregen is krachtens het erfrecht.”
5.1
Over de achtergrond van de vrijstelling ter zake van eigen woningen wordt in de memorie van toelichting het volgende opgemerkt: [37]
“Het grote voordeel van deze heffing [de vastgoedbelasting – RJK] ten opzichte van de thans bestaande traditionele winstbelasting is dat de opbrengst van de traditionele winstbelasting sterk afhankelijk is van de economische conjunctuur. Vandaar dat is gezocht naar een heffing met een stabiele opbrengst die daarnaast veel minder gemakkelijk is te ontgaan en waarvoor het opzetten van ontgaansconstructies erg moeilijk is. Hoewel de waarde van een onroerende zaak in economisch moeilijke tijden een neerwaartse beweging kan maken, is deze beweging onvergelijkbaar met de neerwaartse (en uiteraard omgekeerd ook de opwaartse) volatiliteit van bedrijfsresultaten. Daar komt bij dat onroerende zaken – in tegenstelling tot winst – niet kunnen worden verplaatst buiten de BES eilanden.
Echter, zonder aanvullende maatregelen zou de nieuwe heffing ook neerslaan bij een groep belastingplichtigen die geen profijt heeft van het achterwege laten van de traditionele winstbelasting. Het voorgaande heeft er toe geleid dat in dit voorstel is opgenomen dat de onroerende zaken die in het kader van de Wet inkomstenbelasting BES kwalificeren als eigen woning of behoren tot het ondernemingsvermogen van een IB onderneming worden vrijgesteld van deze heffing.”
5.11
Door de vrijstellingen die zijn opgenomen in art. 4.4 Belastingwet BES wordt de vastgoedbelasting in feite vooral geheven ter zake van tweede woningen en vastgoed van lichamen. Dit komt ook tot uitdrukking in de memorie van toelichting: [38]
“Het bereik van de vastgoedbelasting is in beginsel ruim, maar wordt beperkt tot – kort gezegd – de voordelen uit tweede woningen en uit onroerende zaken van lichamen.”
5.12
Hiervoor bleek al dat volgens art. 4.2(2) Belastingwet BES als genothebbende voor de vastgoedbelasting wordt aangemerkt degene die als zodanig in de kadastrale registratie is vermeld, tenzij blijkt dat een ander genothebbende is. Verder volgt uit art. 4.2(3) Belastingwet BES dat er meerdere genothebbenden van een onroerende zaak kunnen zijn.
5.13
Tegen die achtergrond kan art. 4.2(2) taalkundig gezien op twee manieren worden gelezen. Men zou kunnen lezen ‘tenzij blijkt dat
ookeen ander genothebbende is’, maar zinvoller is het deze bepaling te lezen als: ‘tenzij blijkt dat
niet hij maareen ander genothebbende is’. Het is immers niet goed voorstelbaar dat de wetgever zou hebben gewild dat bij twee genothebbenden van wie er één in de kadastrale registratie wordt vermeld, degene die als zodanig in de kadastrale registratie is vermeld nooit als genothebbende kan worden aangemerkt. Ik ga er daarom vanuit dat art. 4.2(2) Belastingwet BES op laatstgenoemde wijze moet worden gelezen.
5.14
Het is dus niet voldoende dat degene die in kadastraal staat geregistreerd als genothebbende doet blijken dat een ander
ookgenothebbende is. In plaats daarvan moet hij doen blijken dat hijzelf
nietgenothebbende is en dus dat de kadastrale registratie onjuist is.
5.15
Maar er is een complicatie. Art. 4.4(a) Belastingwet BES bevat een vrijstelling ter zake van onroerende zaken die als eigen woning aan de belastingplichtige ter beschikking staan. Dan wordt de vastgoedbelasting geheven van alle belastingplichtigen gezamenlijk en kan de aanslag worden opgelegd aan één van hen (‎5.7). Als de onroerende zaak als eigen woning ter beschikking staat van de genothebbende aan wie de aanslag
nietis opgelegd, kan dan degene aan wie de aanslag
welis opgelegd een beroep doen op de vrijstelling, ook als de onroerende zaak aan hem niet als eigen woning ter beschikking staat (bijvoorbeeld doordat hij elders woont of omdat hij een rechtspersoon is)?
5.16
De vrijstellingen van art. 4.4 Belastingwet BES strekken ertoe te voorkomen dat de vastgoedbelasting wordt geheven van personen die geen profijt hebben van het achterwege laten van de winstbelasting. [39] Op de BES-eilanden wordt namelijk in beginsel geen winstbelasting geheven; in plaats daarvan worden de vastgoedbelasting en de opbrengstbelasting geheven. [40] Idealiter zou een splitsing moeten plaatsvinden van de vastgoedbelasting die wordt geheven ter zake van een onroerende zaak met twee genothebbenden, waarvan er één wel profiteert van de afwezigheid van een winstbelasting en de ander niet. Maar de Belastingwet BES voorziet daarin niet, en zo’n splitsing is ook complex omdat (1) we de tekst niet kunnen kennen van niet bestaande wetten, zodat het lastig kan worden om te bepalen of die ene belastingplichtige onder die niet bestaande winstbelasting zou vallen en (2) de splitsing zal moeten plaatsvinden naar gelang de mate van gerechtigdheid, waarvoor maatstaven moeten worden bedacht en vervolgens in elke zaak worden toegepast.
5.17
In zekere zin lijkt het effect van deze complicatie op de eigenaardigheid in de verhuurderheffing die leidde tot het arrest van de Hoge Raad van 8 juni 2018 [41] . De verhuurderheffing werd destijds geheven van de genothebbende van meer dan 10 (verhuurde) onroerende zaken. Bij mede-eigendom werd de aanslag opgelegd aan degene aan wie de WOZ-beschikking was bekendgemaakt. Dat leidde tot willekeur en in zoverre tot buiten toepassing lating van de regeling in situaties waarin WOZ-beschikkingen waren bekendgemaakt aan de mede-eigenaar die daardoor boven de grens van 10 (verhuurde) onroerende zaken kwam.
5.18
Gelet op deze complicatie meen ik dat alleen een alles of niets-benadering werkbaar is. Ofwel de vrijstelling wordt dan helemaal toegepast, waardoor de mede-genothebbende die profijt trekt van de afwezigheid van een winstbelasting wordt bevoordeeld. Ofwel de vrijstelling wordt helemaal niet toegepast, waardoor de mede-genothebbende die niet profiteert van de afwezigheid van een winstbelasting wordt benadeeld.
5.19
Het gaat hier om een gebrek in de wetgeving. Bij het tot stand brengen van art. 4.4 Belastingwet BES is kennelijk over het hoofd gezien dat er meerdere belastingplichtigen kunnen zijn. De nadelige gevolgen daarvan behoren te worden gedragen door de gemeenschap en niet door de individuen die met dit gebrek in de wetgeving wordt geconfronteerd. Daarom meen ik dat in een geval als dat van belanghebbende de vastgoedbelasting niet van het lichaam kan worden geheven als komt vast te staan dat de bewoner
ookgenothebbende is. Dan moet ervan worden uitgegaan dat is voldaan aan de voorwaarden gesteld in art. 4.4(a) Belastingwet BES en dat de onroerende zaak dus is vrijgesteld.
De belastingplicht van lichamen die geen rechtspersoon zijn
5.2
Belastingplichtig is dus ‘degene’ die genothebbende is. De Belastingwet BES bepaalt niet uitdrukkelijk dat ook lichamen die geen rechtspersoonlijkheid bezitten aangemerkt kunnen worden als belastingplichtige.
5.21
In art. 1.3(1)(c) Belastingwet BES wordt wel bepaald dat onder lichamen wordt verstaan: ‘verenigingen en andere rechtspersonen, maat- en vennootschappen en doelvermogens’, maar er wordt in de Belastingwet BES niet uitdrukkelijk een link gelegd tussen deze definitiebepaling en de omschrijving van de kring van belastingplichtigen voor de vastgoedbelasting.
5.22
Art. 1.3(1)(n) Belastingwet BES wekt eerder de indruk dat lichamen die niet rechtspersoonlijkheid bezitten niet kunnen worden aangemerkt als belastingplichtige. Daar staat namelijk:
“1. Deze belastingwet verstaat onder:
(…)
n.
belastingplichtige:de natuurlijke persoon of rechtspersoon van wie op grond van deze wet een belasting wordt geheven;”
5.23
In de memorie van toelichting bij het voorstel dat heeft geleid tot de Belastingwet BES wordt echter ervan uitgegaan dat de vastgoedbelasting kan worden geheven van lichamen, zonder dat daarbij zichtbaar onderscheid wordt gemaakt tussen lichamen die wel rechtspersoonlijkheid bezitten en lichamen die deze rechtspersoonlijkheid ontberen (onderstrepingen door mij – RJK): [42]
“Ter waarborging van de internationale aanvaardbaarheid worden ter vervanging van de winstbelasting twee andere heffingen voorgesteld, te weten:
1) een forfaitaire heffing over de op de BES eilanden gelegen onroerende zaken die dat
een lichaamin eigendom heeft (vastgoedbelasting) en
2) een heffing over winstuitdelingen van op de BES eilanden gevestigde lichamen, stichtingen, verenigingen en coöperaties (opbrengstbelasting).
(…)
(…)
Artikel 4.1 vestigt het recht om vastgoedbelasting te heffen. De belasting wordt geheven ter zake van voordelen uit binnen de openbare lichamen gelegen onroerende zaken. De vastgoedbelasting is een tijdstipbelasting die jaarlijks wordt geheven. Het bereik van de vastgoedbelasting is in beginsel ruim, maar wordt beperkt tot – kort gezegd – de voordelen uit tweede woningen en uit onroerende zaken van
lichamen.
(…)
De vrijstelling in onderdeel j [van art. 4.4 Belastingwet BES – RJK] geldt specifiek voor
lichamendie onroerende zaken op de BES eilanden in bezit hebben maar voor de toepassing van de opbrengstbelasting niet op de BES eilanden zijn gevestigd. Deze
lichamenworden voor de toepassing van de vennootschapsbelasting en de dividendbelasting geacht in Nederland te zijn gevestigd (hiertoe worden de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de Wet op de dividendbelasting 1965 aangepast). Omdat deze
lichamenal aan een heffing naar de winst worden belast (de Nederlandse winstbelasting), zou eveneens heffing in de vastgoedbelasting (voor
lichamenbedoeld als een soort forfaitaire winstheffing) leiden tot tweemaal een gelijksoortige heffing. In onderdeel f wordt deze cumulatie voorkomen. Het is voor een
lichaamof wel opbrengstbelasting en vastgoedbelasting volgens het BES stelsel of wel vennootschapsbelasting en dividendbelasting volgens het Nederlandse stelsel.”
5.24
In art. 220b(2) Gemeentewet is bepaald dat als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht wordt aangemerkt degene die als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is. Dat lijkt sterk op de in art. 4.2 Belastingwet BES gebruikte formulering. Deze in de Gemeentewet neergelegde heffing wordt wel de zakelijkgerechtigdenbelasting of eigenarenbelasting genoemd. [43] Over de kring van belastingplichtigen voor deze eigenarenbelasting schrijft de redactie van de Vakstudie Lokale belastingen, WOZ en milieuheffingen: [44]
“Evenals voor de gebruikersbelasting komen voor de belasting van zakelijk gerechtigden zowel in aanmerking natuurlijke personen als rechtspersonen. Niettemin zal de belasting van zakelijk gerechtigden zich niet uitstrekken tot verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid. Deze verenigingen kunnen geen eigendom of beperkt recht met betrekking tot registergoederen hebben en het komt ons op zijn minst twijfelachtig voor dat zodanige personen het recht van bezit met betrekking tot registergoederen zou kunnen hebben. (…)
Ook VOF's hebben geen rechtspersoonlijkheid. Deze worden wel als zodanig in de registers van het kadaster vermeld als zakelijk gerechtigden, maar het zijn dan steeds de vennoten die feitelijk het zakelijke recht bezitten. (…)”
5.25
De rechtbank Groningen overwoog over de mogelijkheid om de eigenarenbelasting op te leggen aan een vennootschap onder firma: [45]
“Blijkens artikel 16 Wetboek Pro van Koophandel is de vennootschap onder firma een bijzondere vorm van een maatschap. Artikel 1655 van Pro boek 7A van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat een maatschap een overeenkomst is. De maatschap is niet opgenomen in de opsomming in artikel 2:3 BW Pro van privaatrechtelijke rechtspersonen. De rechtbank overweegt voorts dat de Hoge Raad in het arrest van 9 april 1958, NJ 1958, 331, heeft uitgesproken dat een vennootschap onder firma rechtspersoonlijkheid mist. Tevens is van belang dat bij belastingheffing in het algemeen niet de maatschap daarin wordt betrokken maar de individuele maten worden belast voor ieders aandeel in de maatschap.
Uit bovenstaande volgt dat verweerder op goede gronden de vennootschap onder firma niet als genothebbende krachtens eigendom in de zin van artikel 1 Verordening Pro onroerende-zaakbelasting en van artikel 2 Verordening Pro rioolrechten heeft aangemerkt. Het is dan ook terecht dat de onderhavige aanslag niet op naam van de vennootschap onder firma is gesteld. Eiser heeft erop gewezen dat dit in voorgaande jaren wel is gebeurd. Naar het oordeel van de rechtbank behoort dit voor verweerder echter geen grond te vormen om deze praktijk voort te zetten nu deze zich niet verdraagt met de toepasselijke bepalingen van de wet en van de Verordeningen.”
5.26
In vergelijkbare zin oordeelde kort en bondig het gerechtshof Den Haag in een zaak waarin een firmant betoogde dat de eigenarenbelasting niet aan hem, maar aan de vennootschap onder firma had moeten worden opgelegd: [46]
“5 (…) Een firma is geen rechtspersoon, doch een contract, en kan derhalve geen zaken in eigendom hebben. De omstandigheid dat waardebeschikkingen betreffende de onderhavige onroerende zaak en de onroerende zaak a-straat 00 in de tenaamstelling (mede) de naam van de firma vermelden, maakt het vorenstaande niet anders.”
5.27
Iemand die niet genothebbende is (of kan zijn) kan niet in de eigenarenbelasting worden betrokken enkel omdat hij als genothebbende in het kadaster staat ingeschreven. Dat volgt al uit het onder het oude art. 273 Gemeentewet Pro gewezen arrest van 4 juni 1986: [47]
“5.1. (…)
Voor zover het bepaalde in artikel 2, lid 4, van het Besluit gemeentelijke onroerend-goedbelastingen ertoe kan leiden dat van iemand die niet genothebbende krachtens zakelijk recht in de zin van artikel 273 van Pro de gemeentewet is, onroerend-goedbelasting wordt geheven enkel omdat hij als genothebbende in het kadaster staat ingeschreven, is die bepaling in strijd met de zojuist genoemde bepaling van de gemeentewet en derhalve in zoverre onverbindend.”
5.28
Van twijfel over de vraag of een niet-rechtspersoon genothebbende kan zijn, getuigt de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, over wederom een vennootschap onder firma: [48]
“2.7. De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat belanghebbende een vennootschap onder firma is en derhalve geen rechtspersoonlijkheid heeft, op zichzelf niet in de weg staat aan het opleggen van een aanslag gebruikersbelasting aan haar (vgl. ook Hof Amsterdam 8 juli 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BN4106, Belastingblad 2010/1283 en Hof ’s-Hertogenbosch 2 december 2010, ECLI:GHSHE:2010:BQ0009, Belastingblad 2011/569).
2.8.
De vraag rijst wel of de omstandigheid dat belanghebbende een vennootschap onder firma is, in de weg staat aan het opleggen van een aanslag eigenarenbelasting aan haar. Aangezien een vennootschap onder firma geen rechtspersoonlijkheid heeft, is immers niet belanghebbende maar zijn haar vennoten in juridische zin de eigenaar van het vakantiepark. Betoogd kan dan ook worden dat een aanslag eigenarenbelasting niet aan belanghebbende maar aan de vennoten had moeten worden opgelegd (vgl. rechtbank Groningen 12 maart 2006, ECLI:RBGRO:2006:AY6410, Belastingblad 2006/1189). Anderzijds zou kunnen worden verdedigd dat aangezien de vennoten het vakantiepark via belanghebbende exploiteren en – naar de rechtbank aanneemt – het vakantiepark tot het (afgescheiden) ‘vermogen’ van belanghebbende behoort, belanghebbende is aan te merken als ‘genothebbende’ krachtens de eigendom van haar vennoten. Het in de heffing van eigenarenbelasting kunnen betrekken van een vennootschap onder firma zou bovendien passen in de lijn van de bredere rechtsontwikkeling waarbij de vennootschap onder firma in wezen steeds meer een zelfstandige positie in het maatschappelijk-juridische verkeer en ten opzichte van de vennoten krijgt (vgl. het recente arrest van de civiele kamer HR 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:251). Voornoemde vraag hoeft hier evenwel geen beantwoording. Partijen zijn namelijk ter zitting overeengekomen dat indien de aanslag eigenarenbelasting niet aan belanghebbende kan worden opgelegd, deze geacht kan worden opgelegd te zijn ten aanzien van de vennoten gezamenlijk.”
5.29
Deze aarzelingen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant hebben betrekking op de omstandigheid dat het in een vennootschap onder firma samengebrachte vermogen is afgescheiden van het overige vermogen van de vennoten en op de bijzondere en steeds meer zelfstandige positie van de vennootschap onder firma in het maatschappelijk-juridische verkeer. Beide omstandigheden lijken niet of in mindere mate te gelden voor belanghebbende (zie ‎6.7).
5.3
Hof Amsterdam zag geen bezwaar tegen het opleggen van een aanslag in de eigenarenbelasting aan een vennootschap onder firma: [49]
“Niet alleen de aanslag wegens feitelijk gebruik, ook de aanslag wegens het genot krachtens zakelijk recht is opgelegd ten name van VOF 'Camping Y'. Naar 's hofs oordeel bestaat hiertegen geen bezwaar, omdat er van kan worden uitgegaan dat het de belastingheffer in een geval als het onderhavige vrijstaat de aanslag wegens het genot krachtens zakelijk recht te stellen ten name van een of meer der vennoten, die eigenaar zijn van het onroerend goed, en/of ten name van de vennootschap onder firma met dien verstande dat de ter zake van het onroerend goed verschuldigde belasting slechts eenmaal in de aanslag kan worden begrepen.”
5.31
Snoijink was in zijn aantekening bij deze uitspraak in
FED 1986/874kritisch over deze overweging:
“Het hof is zeer welwillend jegens B & W geweest waar het de tenaamstelling van de aanslag in de zakelijk-genothebbendenbelasting betreft. Een VOF is naar heersende opvatting geen rechtspersoon en kan dus ook geen draagster van enig zakelijk genotsrecht zijn. Nu vaststond dat de vennoten eigenaren waren, zijn niet zo zeer zij betrokken in een onroerend-goedbelasting als wel hun VOF in een bedrijfsbelasting.
5.32
En dan is er nog het fantoomarrest dat is gepubliceerd in Belastingblad 1989, blz. 213 onder de kop: ‘Is een VOF de genothebbende krachtens zakelijk recht?’. Volgens de publicatie in het Belastingblad gaat het om een arrest van de Hoge Raad van 27 januari 1988, met zaaknummer 25 179 [50] , betreffende de rioolretributie van de gemeente Haarlem. Ik heb echter in openbare bronnen en in vaktijdschriften niet een arrest van die datum met dat nummer kunnen terugvinden. Evenmin kon ik een arrest van een andere datum met een ander nummer vinden over de rioolretributie van Haarlem. Ook in de interne archieven van de Hoge Raad heb ik niet een spoor van dit arrest teruggevonden. Enfin, volgens Belastingblad staat in dit arrest het volgende:
“Aan belanghebbende, de vennootschap onder firma X, zijn voor het jaar 1985 wegens het genot krachtens zakelijk recht (…) aanslagen in de rioolretributie van de gemeente Haarlem opgelegd (…).
Het Hof heeft geoordeeld dat uit de feiten blijkt dat belanghebbende aan het begin van het belastingjaar bij het kadaster stond ingeschreven als eigenares van de panden a-straat 4 en 4A, dat deze panden elk een eigen voordeur hebben en dat zij beide voor de afvoer van water en andere stoffen zijn aangesloten op het gemeentelijke rioleringstelsel. Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat deze panden derhalve terecht op grond van het bepaalde in art. 1, aanhef en onder a, 2, aanhef en onder b, en 6, onder a, Verordening rioolretributie van de gemeente Haarlem in de belasting zijn betrokken.
Hierin ligt besloten dat het Hof de panden 4 en 4A heeft beschouwd als twee afzonderlijke gebouwde eigendommen in de zin van de Verordening.
Deze oordelen geven niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kunnen voor het overige, nu zij berusten op de aan het Hof voorbehouden waardering van de feitelijke omstandigheden, in cassatie niet op hun juistheid worden onderzocht.
2. Het Hof was niet verplicht een gerechtelijke plaatsopneming te gelasten, ook al had belanghebbende daarom verzocht.”
5.33
Van Leijenhorst annoteerde bij dit fantoomarrest: [51]
“Kennelijk staat voor het Hof en voor de Hoge Raad – anders dan voor de redactie van EVB Gemeentelijke belastingen e.a., art. 273, aant. 145, herbewerking – zonder meer vast dat een vennootschap onder firma genothebbende krachtens een zakelijk recht kan zijn. Zou dat niet het geval zijn, dan zou de vermelding van de vennootschap onder firma in het kadaster irrelevant zijn geweest, gelet op HR 4 juni 1986, nr. 23 764, BNB 1986/240, Belastingblad 1986, blz. 442.”
5.34
Voorbijgaand aan de vraag of het arrest wel bestaat meen ik dat daaruit niet zonder meer kan worden afgeleid dat de Hoge Raad van oordeel is dat een lichaam zonder rechtspersoonlijkheid genothebbende krachtens eigendom, bezit of zakelijk recht kan zijn. Kennelijk ging het geschil niet over de tenaamstelling van de aanslagen. Aan een verkeerde tenaamstelling van een aanslag kan voorts voorbij gegaan worden als degenen op wier naam de aanslag gesteld had moeten worden, begrijpen dat die aanslag hun aangaat. Ik acht niet uitgesloten dat gerechtshof en Hoge Raad om deze redenen niet ambtshalve ingegaan zijn op de tenaamstellingskwestie.
5.35
Het voorgaande brengt mij tot de slotsom dat alleen natuurlijke personen en rechtspersonen kunnen worden aangemerkt als genothebbende in de zin van art. 4.2 Belastingwet BES en art. 220(b) Gemeentewet. Wanneer een lichaam zonder rechtspersoonlijkheid in het kadaster staat geregistreerd als eigenaar of beperkt zakelijk gerechtigde wordt dit niet anders. In dat geval is per definitie het tegenbewijs geleverd, bedoeld in art. 4.2(2) Belastingwet BES en art. 220b(2) Gemeentewet.

6.De Trust

6.1
Belanghebbende is een trust die is opgericht naar het recht van de staat North Carolina van de Verenigde Staten.
6.2
Belanghebbende heeft in hoger beroep onweersproken gesteld [52] dat hij een ‘revocable discretionary trust’ is. Dit wordt bevestigd door de trustdocumenten die belanghebbende bij dat hoger beroepschrift heeft gevoegd. [A] is aangewezen settlor (trustor), trustee en eerste beneficiary. [53] Na zijn overlijden zullen zijn kinderen trustee en beneficiary worden.
6.3
In de bij het hoger beroepschrift gevoegde Certification of Trust, gedateerd ‘the 23rd day of June, 2017’ staat onder meer: [54]
“1. This certification of trust refers to the [A] living trust, originally created by [A] as Trustor, under Agreement dated February 13, 2012, and including any Amendments thereto.
2. The Trust is. during the Trustor's lifetime, a revocable trust; the Trustor is the only person holding a power to revoke the Trust.
(…)
8. The Trust's governing instrument authorizes the Trustee(s) to acquire, sell, convey, encumber, lease, borrow, manage and otherwise deal with interests in real and personal property in the name of the Trust; and the Trustee(s) are authorized to exercise full banking powers, including the power to open, close, or modify accounts, or other banking arrangements, including, but not limited to, safe deposit boxes, savings, checking, and CD Accounts. In the discretion of the Trustee, title to trust property may be taken in the name of the Trustee, as 'Trustee Under Agreement Dated February 13, 2012,” or as 'Trustee of the [A] living trust,” or any reasonable variation thereupon; marketable securities may be held in street name where held in institutional accounts registered in the name of the Trust.”
Tevens is bij het hoger beroepschrift gevoegd een uitvoerig document, blijkens article one, section 1, kennelijk de ‘trust agreement’, gedateerd 13 februari 2012, waarin onder meer is opgenomen:
“Article One – Creation of My Trust
(…)
Section 3. Trust is Revocable
My Trust is a revocable trust. (…)
(…)
Article Two – Trust Property
Section 1. Initial Trust Property
I hereby assign, convey, transfer and deliver to my Trustee all property set forth on Schedule A, attached hereto, and made part of my Trust Estate. (…)
Section 2. Additional Trust Property
I, or any other person or entity, may transfer or devise to my Trustee additional assets, real or personal, and may name my Trustee as the beneficiary of life insurance policies, annuities, retirement plans or similar contracts. Such assets, policies and proceeds, upon notice and acceptance by my Trustee, shall be a part of my Trust Estate and subject to all the terms of my Trust Agreement.
Section 3. Character of Trust Property
All property transferred by me into my Trust shall retain its character. All such property transferred, and income thereon less withdrawals thereof, shall be my Trust Estate.
Section 4. Acceptance of Trust Property
All property transferred to my Trust, and accepted by my Trustee, shall be held, administered and distributed according to the terms of my Trust Agreement.
Article Three – Trustees
(…)
Section 3. Trustee’s Removal
Any Trustee may be removed under my Trust Agreement as follows:
a. While Alive and Competent
While I am alive and competent, I shall have the right to add a Trustee, or to remove or replace any other Trustee appointed under my Trust Agreement at any time without cause.
(…)
Section 4. Appointment of Trustees
I shall serve as the Initial Trustee of my Trust. (…)
Article Four – Lifetime Rights of Trustor
Section 1. Income and Principal
a. Right to Trust Income and Principal
My Trustee shall pay to me, or apply for my benefit during my lifetime, all or such part of the income and principal of my Trust Estate as I may direct.
(…)
Section 3. Right to Amend or Revoke Trust
a. Power to Revoke and Amend
While I am alive, I may at any time or times amend any provision of my Trust Agreement or revoke my Trust in whole or in part.
(…)
d. Delivery of Property After Revocation
After any revocation with respect to my Trust, my Trustee shall promptly deliver my Trust Estate to me.
(…)
Article Seven – Distributions to Beneficiaries
Section 1. Division of Trust Estate Into Shares
Upon my death, my Trustee shall divide and distribute the Remainder Property into separate and equal shares (and for purposes of determining such division and subsequent distributions shall take into account the exclusion of any descendant as may be directed in Article One) as follows:
[volgen de namen van de drie kinderen van [A] die na diens overlijden in gelijke delen aanspraken hebben op het trustvermogen – RJK]”.
6.4
Belanghebbende is dus een ‘revocable discetionary trust’. De kwalificaties ‘revocable’ en ‘discretionary’ lijken enigszins te schuren. De vrijheid (discretie) van de trustee wordt immers gedurende het leven van de settlor nogal gerelativeerd door de omstandigheid dat die settlor op elk moment de trustvoorwaarden kan aanpassen en de trustee kan vervangen. Gedurende het leven van de settlor heeft dat echter voor belanghebbende geen praktische betekenis, zolang hij ook trustee en beneficiary is. Verder blijkt uit Article Two van de Trust Agreement dat het de bedoeling is dat goederen (property) onder trustverband wordt gebracht door overdracht aan de trustee, die deze goederen dan moet beheren ten behoeve van de beneficiaries.
6.5
Het karakter van de Anglo-Amerikaanse trust is door Boer en IJsselmuiden helder samengevat in het Kwartaalbericht Estate Planning: [55]
“De Anglo-Amerikaanse
trustis als archetype van het fiscale doelvermogen te beschouwen. [56] Deze rechtsvorm is geheel langs eigen weg (in de
common law) tot wasdom gekomen en is dan ook niet zonder meer te plaatsen binnen de Romeinsrechtelijke traditie van het Nederlandse rechtsstelsel. [57] Hoewel verscheidene definities van de Anglo-Amerikaanse
trustkunnen worden gegeven, staat telkens de ‘driehoek’ [58] tussen inbrenger (
settlor), beheerder (
trustee) en begunstigde (
beneficiary) centraal. Kenmerkend bij een
private express trust– de trustverhouding die expliciet in het leven wordt geroepen teneinde particuliere doelstellingen te dienen – is dat de
settlor(of
grantor) vermogen overdraagt aan de
trusteedie dat ten behoeve van de
beneficiarybeheert. Het Anglo-Amerikaans trustrecht heeft dan ook vooral betrekking op de (rechts)verhouding tussen
trusteeen
beneficiary.
Schematisch kan de (rechts)verhouding tussen I(nbrenger),
T(rust(ee))en
B(eneficiary)als volgt worden weergegeven:
Kenmerkend voor de ontstane (rechts)verhoudingen is dat de juridische eigendom – bij de overdracht van vermogen door de
settloraan de
trusteeten behoeve van de
beneficiaries– berust bij de
trustee(
legal title). Deze door de
common lawerkende
legal titlevan de
trusteelaat onverlet dat het afgezonderde vermogen door het systeem van de
equity-rechtspraak ten behoeve van de
beneficiarieswordt beschermd (
equitable title). Aldus komt een splitsing tussen de juridische en economische dimensie van het eigendomsrecht tot stand die in het op het Romeinse recht gebaseerde eigendomsconcept niet bestaat. [59] Daardoor is de Anglo-Amerikaanse
trust, vanwege de goederenrechtelijke trekken van de rechten van de
beneficiaries, moeizaam inpasbaar binnen de continentale rechtsstelsels. [60]
Het wezen van de trustverhouding wordt bepaald door de aard en inhoud van de gerechtigdheid van de
beneficiary. Primair kan onderscheid worden gemaakt tussen een (loutere) verwachting (
discretionary trust) en een (afdwingbaar) recht (
fixed trust). [61] In geval van een
discretionary trustis de
trusteevrij te bepalen aan wie, wanneer en in welke vorm een uitkering wordt gedaan (al dan niet rekening houdend met de wensen van de
settlordie zijn neergelegd in een niet-bindende
letter of wishes). Bij een
fixed trustontbreekt (beleids)vrijheid van de
trusteeen zijn in de trustakte ‘bepaalde of bepaalbare’ aanspraken voor de
beneficiaryneergelegd.”
6.6
Van oudsher wordt in de civielrechtelijke literatuur ervan uitgegaan dat de Anglo-Amerikaanse trust geen rechtspersoonlijkheid bezit. [62] Over de eigendom van onder trustverband gebrachte vermogensbestanddelen schrijft Stokkermans:
“De vermogensscheiding bij de trust blijkt uit deze omschrijving van David Hayton: [63]
A trust is an equitable obligation, binding a person (called a trustee) to deal with property (called trust property) owned by him as a separate fund, distinct from his own private property, for the benefit of persons (called beneficiaries) of whom he may himself be one, and any one of whom may enforce the obligation.
De trustee is juridisch rechthebbende op de trustgoederen. Trusteeship is ownership-management, not agency-management or bailee-management. [64]
De trustgoederen staan op naam van de trustee en die is daarover beschikkingsbevoegd. [65] De trustgoederen vallen niet in het persoonlijk vermogen van de trustee, maar in een afgescheiden vermogen (a separate fund). Privéschuldeisers van de trustee kunnen zich niet op de trustgoederen verhalen, omdat de beneficial interest van de begunstigden (beneficiaries) zich daartegen verzet. Op de trustgoederen rust een lien ten gunste van de trustee, op basis waarvan hij bevoegd is de schulden die hij als trustee maakt op de trustgoederen te verhalen. [66] Dit verhaalsrecht van de trustee is verbonden met de trustgoederen. Schuldeisers van de trustee als zodanig (de trustschuldeisers) kunnen daarvan profiteren. De trustee is primair in zijn persoonlijke vermogen aansprakelijk voor trustschulden, maar de schuldeiser die aantoont dat de schuld die de trustee aan hem heeft onder de reikwijdte van de lien van de trustee valt, kan in de plaats van de trustee treden (subrogation) en zich rechtstreeks op de trustgoederen verhalen. [67] Begaat de trustee een onrechtmatige daad, dan is de schade niet rechtstreeks verhaalbaar op de trustgoederen, maar als de fout van de trustee geen schending oplevert van zijn verplichtingen als trustee, kan hij de schadevergoeding verhalen op de trustgoederen of rechtstreeks daaruit voldoen. Ook schade wegens fouten van hulppersonen waarvoor de trustee risicoaansprakelijkheid draagt, kan door de benadeelde in beginsel slechts op het privévermogen van de trustee worden verhaald. [68]
In de van oudsher gebruikte terminologie heeft de trustee de legal interest in de trustgoederen. De begunstigden hebben de beneficial interest. [69] Zoals aangegeven in het bovenstaande citaat is trust een (equitable) obligation. De verbintenis tussen trustee en begunstigden kan, maar hoeft niet voort te vloeien uit een overeenkomst (contract). [70] De actiefzijde van deze verbintenis kan worden getypeerd als een vorderingsrecht. Anders dan (normaal gesproken) bij economische eigendom naar Nederlands recht, [71] is bij de trust sprake van vermogensscheiding. Deze strekt bij de trust primair ten gunste van de begunstigden. Dit kan aldus worden uitgedrukt, dat de verbintenissen van de trustee jegens de begunstigden, uit hoofde van de beneficial interest, tot het afgescheiden vermogen behoren. Dit laat onverlet dat aanspraken van de (overige) trustschuldeisers voorgaan boven die van de begunstigden. Dit volgt uit de inhoud van de beneficial interest: dit is een oninbaar vorderingsrecht met een residueel karakter. Levering ervan geschiedt niet volgens de leveringsvoorschriften die voor de onderliggende trustgoederen gelden. [72]
6.7
Samengevat kan op grond van het voorgaande worden gezegd dat een trust in Nederland niet wordt gezien als een rechtspersoon en dat onder trustverband gebrachte vermogensbestanddelen gelden als eigendom van de trustee. Voor belanghebbende geldt dit des te meer, nu zij een ‘revocable’ trust is en bij leven van de settlor ( [A] ) de functies van settlor, trustee en beneficiary verenigd zijn in één persoon ( [A] ). Daardoor heeft gedurende diens leven de ‘afscheiding’ van de onder trustverband gebrachte vermogensbestanddelen een zeer vrijblijvend karakter. Het is daarom te betwijfelen of die vermogensbestanddelen bij leven van [A] al behoren tot een ‘afgescheiden vermogen’ of een ‘doelvermogen’.

7.Beoordeling van de klachten

7.1
De eerste klacht van belanghebbende houdt in dat het Gemeenschappelijk Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat belanghebbende eigendom in de zin van art. 4.2(1) Belastingwet BES van de onroerende zaak heeft verworven en niet de [A] als trustee. Volgens belanghebbende dient geen acht te worden geslagen op de leveringsakte en de inschrijving in de kadasterregistratie. De vermelding in die akte en die kadasterregistratie dat belanghebbende eigendom heeft verworven berust volgens belanghebbende op een kennelijke juridische misslag van de daarvoor verantwoordelijke notaris.
7.2
Deze klacht keert zich tegen hetgeen het Gemeenschappelijk Hof heeft overwogen in onderdeel 5.3 van de bestreden uitspraak. Daar staat:
“5.3. Met het Gerecht is het Hof voorts van oordeel dat, in weerwil van de kadastrale registratie (zie 2.3), niet aannemelijk is geworden dat [A] (settler en trustee van belanghebbende) als genothebbende in de zin van het tweede lid van artikel 4.2 Belastingwet BES moet worden aangewezen. Daarbij merkt het Hof op dat een trustee niet het (volle) eigendomsrecht over het trustvermogen heeft. Een (rechts)persoon die eigenaar van een goed is, kan het goed waar zijn recht betrekking op heeft, naar eigen inzicht gebruiken, bezwaren of vernietigen; een trustee mist deze bevoegdheden. Ook de in hoger beroep overgelegde (zie 2.4) facturen welke alle gericht zijn aan [A] maken de conclusie niet anders. Zoals het Gerecht terecht heeft overwogen brengt immers de omstandigheid dat [A] rechtstreeks en indirect als ‘settler’ en ‘trustee’ van belanghebbende de controle en het toezicht over de onroerende zaak heeft, de feitelijke macht bezit om zonder daarvoor de goedkeuring van anderen in te roepen al hetgeen te doen wat betrekking heeft op de onroerende zaak (waaronder het afsluiten van verzekeringen en sluiten van andere overeenkomsten) en ook naar buiten treedt als bezitter van de onroerende zaak, niet mee dat belanghebbende als juridisch eigenaar niet langer kan worden aangemerkt als genothebbende in de zin van het tweede lid van artikel 4.2 Belastingwet BES. Met het Gerecht is het Hof dan ook van oordeel dat de aanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd.”
7.3
De kern van het in hoger beroep voorliggende geschil was of belanghebbende terecht als genothebbende is aangeslagen. In zijn hiervoor weergegeven overwegingen concentreert het Gemeenschappelijk Hof zich op de vraag of aannemelijk is geworden of [A] genothebbende was. Daarmee slaat het Gemeenschappelijk Hof een voorvraag over, namelijk de vraag of belanghebbende als lichaam zonder rechtspersoonlijkheid überhaupt wel genothebbende kan zijn.
7.4
Die voorvraag moet naar mijn mening ontkennend worden beantwoord (‎5.35). Een lichaam zonder rechtspersoonlijkheid kan niet zelf zakelijk gerechtigd zijn tot een goed of dat goed voor zichzelf houden. Dit betekent dat per definitie is voldaan aan de tegenbewijsregeling van art. 4.2(2) Belastingwet BES als – om wat voor reden dan ook – een lichaam zonder rechtspersoonlijkheid kadastraal is geregistreerd als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht. Er is dan geen andere conclusie mogelijk dan dat niet het lichaam maar een ander de werkelijke genothebbende is. Voor de beoordeling van de aan dat lichaam opgelegde aanslag is het dan niet nodig dat die ander aangewezen wordt. Voldoende is dat vaststaat dat het lichaam niet de werkelijke genothebbende kan zijn, en dat het genot dus aan een ander moet toekomen.
7.5
Daarbij komt – eigenlijk ten overvloede – dat belanghebbende terecht klaagt over de begrijpelijkheid van het oordeel van het Gemeenschappelijk Hof dat niet aannemelijk is dat [A] genothebbende is.
7.6
Uit de stukken van het geding blijkt dat belanghebbende een ‘revocable discetionary trust’ is en dat [A] bij zijn leven een drie-eenheid van settlor, trustee en beneficiary belichaamt (‎6.2). Ook brengen de Trust agreement en de ‘Certification of trust’ (‎6.3) van belanghebbende en meer in het algemeen het karakter van de Anglo-Amerikaanse trust (‎6.5-‎6.6) mee dat vermogensbestanddelen die in een trust worden afgezonderd, juridisch eigendom worden of blijven van de trustee en dat de settlor en/of de beneficiaries op grond van de trustakte slechts persoonlijke (niet zakelijke) aanspraken hebben op de trustee.
7.7
Tegen die achtergrond kan het oordeel van het Gemeenschappelijk Hof dat een trustee niet het (volle) eigendomsrecht over het trustvermogen heeft, niet in stand blijven. Dit oordeel behoefde nadere motivering als het is gebaseerd op de rechtsopvatting dat het recht van de staat North Carolina meebrengt dat een trustee van een naar dat recht opgerichte trust geen eigenaar kan zijn van onder het trustvermogen gebrachte goederen. [73] Dit oordeel behoefde ook nadere motivering, gelet op de trust agreement en hetgeen in Nederland bekend is over het karakter van Anglo-Amerikaanse trusts (‎6.5-‎6.6). Het oordeel is onjuist als het is gebaseerd op de rechtsopvatting dat onder het vermogen van een dergelijke trust gebrachte goederen weliswaar eigendom blijven of worden van de trustee, maar dat die trustee niet als genothebbende kan worden aangemerkt vanwege de persoonlijke rechten van de settlor en/of de beneficiaries. Die opvatting is onjuist. Persoonlijke rechten van derden, zoals het gebruiksrecht van de huurder, tasten het in art. 4.2 Belastingwet BES bedoelde genotrecht niet aan.
7.8
In zoverre slaagt de klacht.
7.9
Belanghebbende klaagt ook over het oordeel van het Gemeenschappelijk Hof dat luidt:
“5.4. (…)
Het afgescheiden vermogen van dat van de trustee brengt mee dat de vrijstelling van artikel 4.4, aanhef en letter a, Belastingwet BES voor de eigen woning niet van toepassing is. Dat [A] de onroerende zaak heeft gebruikt als permanent hoofdverblijf en hij, naar belanghebbende stelt, heeft kunnen beschikken over het trustvermogen als ware het zijn eigen vermogen maakt dit niet anders.”
7.1
Ook in zoverre slaagt de klacht. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is niet begrijpelijk hoe het Gemeenschappelijk Hof tot het oordeel is kunnen komen dat het vermogen (de onroerende zaak) is afgescheiden in de trust, in een situatie als deze waarin de enige trustee bij leven ook de enige settlor en de enige beneficiary is van een revocable trust. In een dergelijke situatie zie ik niet welke reële betekenis de ‘papieren afscheiding’ gedurende het leven van de settlor/trustee/beneficiary zou kunnen hebben. In zo’n geval kan immers niet worden gezegd dat de settlor ‘van de goederen die hij onder trustverband heeft gebracht, onherroepelijk afstand heeft gedaan en de beschikkingsmacht erover heeft verloren’ [74] .
7.11
Als het Hof heeft onderkend dat [A] mede-genothebbende was, of als het Hof dat in het midden heeft willen laten, getuigt zijn uitspraak van een onjuiste rechtsopvatting. De vrijstelling van art. 4.4(a) Belastingwet BES is immers ook van toepassing is als de onroerende zaak alleen als eigen woning ter beschikking staat aan de mede-genothebbende aan wie de aanslag niet is opgelegd (‎5.19).
7.12
De eerste klacht gegrond bevindend concludeer ik tot gegrondverklaring van het cassatieberoep. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen. Er is immers geen andere conclusie mogelijk dan dat niet de trust maar een ander de werkelijke genothebbende is (‎7.4) en ook als zowel belanghebbende als [A] genothebbenden zijn, moet de aanslag worden vernietigd omdat dan de vrijstelling van toepassing is (‎5.19 en ‎7.11). De uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof, de uitspraak van het Gerecht, de uitspraak op bezwaar en de aanslag moeten worden vernietigd, zulks met toekenning van vergoedingen aan belanghebbende voor griffierecht en proceskosten in alle instanties. De klachten behoeven voor het overige geen behandeling.

8.Conclusie

Ik concludeer tot gegrondverklaring van het cassatieberoep en tot vernietiging van de bestreden uitspraak en de aan belanghebbende opgelegde aanslag.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal

Voetnoten

1.Gerecht in eerste aanleg van Bonaire 22 maart 2024, ECLI:NL:OGEABES:2024:26.
2.Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 26 maart 2025, ECLI:NL:OGHACMB:2025:72.
3.Vgl. College van Beroep voor het bedrijfsleven, 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31, ovw. 7.1.
4.Opmerkelijk genoeg staat hierop op elke bladzijde de stempel ‘Minuut Exemplaar’. Die aanduiding is gereserveerd voor het exemplaar van de uitspraak dat ‘schoon’ in het dossier van het gerecht moet achterblijven (en waarop door medewerkers van het gerecht dus beslist geen aantekeningen mogen worden geplaatst). Naar mijn ervaring pleegt dat stempel te worden gezet op de originele uitspraak (voorzien van de ‘natte’, niet gekopieerde handtekeningen van de griffier en de voorzitter)
5.Zie voor een voorbeeld van een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin dezelfde tekst staat: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 24 februari 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:1206.
6.In de aan de handtekening voorafgaande volzin staat dat de griffier verhinderd is de uitspraak te ondertekenen.
7.Gerechtshof Amsterdam, 10 februari 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:518.
8.Bijvoorbeeld in de zaak die bij de Hoge Raad het nummer 25/04735 heeft.
9.Als enige van de vier Nederlandse gerechtshoven vermeldt het Bossche hof in de aanhef van de uitspraak niet de uitspraakdatum. De enige vermelding van de uitspraak- en bekendmakingsdatum wordt gevormd door het datumstempel.
10.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 28 januari 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:189.
11.Op rechtspraak.nl is deze datum doorlopend getypt in de zin. Maar op originele uitspraken van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch staat een datumstempel op deze plaats.
12.Zie bijvoorbeeld Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22 januari 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:277.
13.Zij bijvoorbeeld Rechtbank Den Haag 5 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:16573, Rechtbank Gelderland 28 augustus 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:7275, Rechtbank Noord-Holland 27 mei 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:5810 en Rechtbank Noord-Nederland 3 juni 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:2166.
14.Art. 8.116b Belastingwet BES.
15.Ook deze bepaling is van overeenkomstige toepassing in hoger beroep. Zie art. 8.116b Belastingwet BES.
16.Art. 6:7 Awb Pro.
17.Dat stond destijds in art. 23 en Pro 24 AWR (bezwaar) en in art. 26(1) AWR (beroep).
18.P. Meyjes, Fiscaal procesrecht, tweede druk, Kluwer, Deventer 1976, blz. 53. Zie ook A.J.H. van Suilen, Fiscaal procesrecht in het Caribisch deel van het Koninkrijk, Wolters Kluwer, Deventer, 2020, par. 3.9.5.4.
19.Art. 148 Wet Pro openbare lichamen BES, in samenhang met art. 1 van Pro de Algemene Termijnenwet.
20.Zie art. 6:24 Awb Pro.
21.Conclusie van 27 januari 1999, ECLI:NL:PHR:1999:AA2769.
22.HR 19 juni 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2769.
23.HR 1 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3103.
24.Zie HR 21 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:54 (80a RO) en de daaraan voorafgaande uitspraak ECLI:NL:GHARL:2021:2914.
25.Vakstudie Algemeen Deel art. 8:77 Awb Pro, aantekening 2.5.
26.Formulering ontleend aan College van Beroep voor het bedrijfsleven, 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31, ovw. 2.3.
27.Vgl. College van Beroep voor het bedrijfsleven, 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31, ovw. 3.1.
28.Art. 6:6(2) Awb in verbinding met art. 6:24 Awb Pro.
29.Art. 15a(2) Rijkswet rechtsmacht HR.
30.Art. I(D) Consultatiedocument Wet versterking waarborgfunctie Awb.
31.Kamerstukken II, 2009/10, 32189, nr. 3, blz. 12.
32.Kamerstukken II, 2009/10, 32189, nr. 3, blz. 39.
33.Zie Kamerstukken II 1992/93, 22 893, nr. 3, blz. 12 (toelichting op art. NN).
34.Wel geniet de bezitter te goeder trouw wettelijk enige bescherming en kan bezit rechtens worden overgedragen. In zoverre heeft bezit dus wel een juridische component. Zie hierover Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2021/107.
35.Zie Kamerstukken II 1970-1971, 3770, nr. 5, blz. 140.https://www.inview.nl/document/idb42f2cda2a826e63cb6d7f4e81e4a0cc?ctx=WKNL_CSL_1426
36.HR 21 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6254, zie ook HR 18 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4874, en 2.8 van de aan dit arrest voorafgaande conclusie van A-G Langemeijer, ECLI:NL:PHR:2000:AA4874.
37.Kamerstukken II 2009/10, 32189, nr. 3, blz. 12/13.
38.Kamerstukken II 2009/10, 32189, nr. 3, blz. 38.
39.Kamerstukken II, 2009-2010, 32 189, nr. 3, blz. 39.
40.Zie hierover Kamerstukken II, 2009-2010, 32 189, nr. 3, blz. 10/11.
41.HR 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:846.
42.Kamerstukken II 2009/10, 32 189, nr. 3, blz. 11, 37/38, 39.
43.Vakstudie Lokale belastingen, WOZ en milieuheffingen, art. 220 Gemeentewet Pro, aant. 4.
44.Vakstudie Lokale belastingen, WOZ en milieuheffingen, art. 220 Gemeentewet Pro, aant. 4.1.
45.Rechtbank Groningen, 12 juni 2006, ECLI:NL:RBGRO:2006:AY6410. Zie ook rechtbank Groningen, 9 maart 2006, ECLI:NL:RBGRO:2006:AX6535.
46.Gerechtshof Den Haag, 14 februari 2002, ECLI:NL:GHSGR:2002:AS2312, FED 2002/329. Zie ook Gerechtshof Den Haag, 9 augustus 2006, ECLI:NL:GHSGR:2006:AY7966, betreffende een CV.
47.HR 4 juni 1986, ECLI:NL:HR:1986:AW8003.
48.Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 22 mei 2015, ECLI:NLRBZWB:2015:3121.
49.Hof Amsterdam 20 september 1985, ECLI:NL:GHAMS:1985:BH0250.
50.Er is wel een arrest met dit zaaknummer, maar dat is van een andere datum (4 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:BH7342) en gaat over een ander onderwerp (kapitaalsbelasting).
51.Belastingblad 1989, blz. 213.
52.Hoger beroepschrift blz. 2, onderdeel V.
53.Hoger beroepschrift blz. 2, onderdeel VI.
54.Geciteerd met weglating van de veelvuldige markeringen in vet schrift en hoofdletters.
55.J.P. Boer en R.O. IJsselmuiden, Kwartaalbericht Estate Planning 2021/11.
56.Voetnoot in origineel: Ook andere particuliere doelvermogens, zoals de Stichting Particulier Fonds (SPF), de
57.Voetnoot in origineel: G.D.L.M. Gilissen,
58.Voetnoot in origineel: Binnen de Anglo-Amerikaanse rechtsleer is de relatie tussen de
59.Voetnoot in origineel: J.P. Boer,
60.Voetnoot in origineel: Merk bovendien op dat de trust(figuur) zelf doorgaans geen rechtspersoonlijkheid bezit en de trustinstelling een eenzijdige (rechts)handeling betreft (geregeerd door het toepasselijke trustrecht), waarbij geen overeenkomst tot stand komt. Ondanks deze eenzijdige rechtshandeling heeft de Hoge Raad beslist dat – in het kader van het overgangsrecht bij de Wet IB 2001 ten aanzien van periodieke uitkeringen (art. I onderdeel O Invoeringswet IB 2001) – het woord ‘overeenkomst’ naar doel en strekking ook van toepassing is op
61.Voetnoot in origineel: Opgemerkt wordt dat de Hoge Raad een juridische en geen economische maatstaf hanteert voor de beoordeling of een begunstigde een ‘recht’ of een ‘(blote) verwachting’ kan ontlenen aan een rechtsverhouding. Zie HR 15 februari 2013, nr. 12/01040,
62.Zie J.P. Boer, Inpassing van de Anglo-Amerikaanse trust: een onderzoek naar fiscale (non-)transparantie, TFO 2010/1, par. 2.1, alsmede de in die paragraaf beschreven relativering van dat uitgangspunt.
63.Voetnoot in origineel: Underhill & Hayton 2010, nr. 1.1 sub (1); dit is (vrijwel) de klassieke omschrijving van Sir Arthur Underhill (1850-1939), zie Thomas & Hudson 2010, nr. 1.05. Deze laatsten, nr. 1.01 stellen voorts dat trust in essentie is
64.Voetnoot in origineel: Underhill & Hayton 2010, nr. 1.3; in dezelfde zin: Thomas & Hudson 2010, nr. 1.10, 1.66 en 1.67.
65.Voetnoot in origineel: Vgl. de Wet giraal effectenverkeer, die uitgaat van een wezenlijk andere constructie. Effecten op naam kunnen aan Euroclear Nederland worden geleverd (art. 35 sub b Wge Pro) en in het desbetreffende register op naam van Euroclear Nederland worden gezet (art. 8b Wge), en Euroclear Nederland heeft een zekere beschikkingsbevoegdheid over deze tot het girodepot behorende effecten (levering bij uitlevering, art. 45 Wge Pro), maar de deelgenoten zijn juridisch (goederenrechtelijk) rechthebbende van die effecten.
66.Voetnoot in origineel: Underhill & Hayton 2010, nr. 1.1 sub (2) en nr. 81.1 sub (1).
67.Voetnoot in origineel: Underhill & Hayton 2010, nr. 81.1 sub (5); Aertsen 2004, p. 44 en 207/208. Deze vorm van subrogatie is in het Nederlandse recht (art. 6:150 e.v. BW) onbekend. Voor een vergelijking tussen Engelse en Nederlandse subrogatie, zie Wibier 2009, nr. 36 e.v. Er zijn enkele uitzonderlijke gevallen waarin een schuldeiser anders dan door
68.Voetnoot in origineel: Aertsen 2004, p. 213.
69.Voetnoot in origineel: Underhill & Hayton 2010, nr. 1.1 sub (11). Ook de hierboven bedoelde
70.Voetnoot in origineel: Underhill & Hayton 2010, nr. 1.20.
71.Voetnoot in origineel: Economische eigendom is niet meer dan een samenvattende benaming zonder zelfstandige betekenis van de rechtsverhouding tussen partijen die deze in het leven hebben geroepen, aldus HR 3 november 2006,
72.Voetnoot in origineel: Aertsen 2004, p. 92.
73.Het gaat dan om een uitleg van buitenlands recht die door de Hoge Raad alleen op begrijpelijkheid kan worden getoetst. Zie art. 79(1) Wet RO en M.W.C. Feteris, Beroep in cassatie in belastingzaken, (Fiscale Monografieën nr. 142
74.Vgl. HR 18 november 1998, ECLI:NL:HR:1998:BI5819, ovw. 3.6.