Conclusie
employment contract for sponsored staffondertekend met als ingangsdatum 1 mei 2012. Zijn functie is omschreven als
director. Hij verzorgde de administratie van OSD.
4.Beslissing
Hoofdzaak
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel Iheeft het hof in het eerste tussenarrest de tweeconclusieregel miskend door te accepteren dat Vickers, nadat [eiser] zijn memorie van antwoord had genomen, in haar antwoordakte de grondslag van haar vordering heeft uitgebreid.
Onderdeel IIbevat klachten tegen het oordeel in het eindarrest dat [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld en aansprakelijk is jegens Vickers. De klachten van
onderdeel IIIzijn gericht tegen het tweede tussenarrest waarin het hof de art. 843a Rv-vordering van Vickers (gedeeltelijk) heeft toegewezen.
Onderdeel IVbevat een veegklacht.
nader uitwerktin een volgende conclusie, akte of pleidooi [12] . Dit gevalstype staat centraal bij de klachten van onderdeel I.
dat in het verlengde ligt van de reeds aangevoerde grieven. De eisen van hoor en wederhoor brengen dan wel mee dat de appelrechter, alvorens op dat geschilpunt te beslissen, zich ervan moet vergewissen dat de wederpartij zich over dat geschilpunt voldoende heeft kunnen uitlaten en daartoe zonodig alsnog gelegenheid moet worden geboden (art. 19 lid 1 Rv Pro) [15] . Ook is relevant dat de uitleg van een grief door de appelrechter feitelijk is en in cassatie alleen op begrijpelijkheid kan worden getoetst [16] .
onderdeel Iheeft het hof in het eerste tussenarrest de tweeconclusieregel miskend door de aanvulling van de rechtsgronden door Vickers in haar antwoordakte van 21 mei 2019 toe te laten. Onder I.01-I.05 zijn geen klachten opgenomen, maar inleidende opmerkingen over art. 347 Rv Pro, art. 6:166 BW Pro en de zorgvuldigheidsnorm en een weergave van stellingen van partijen uit de processtukken. Onder I.1-I.8 zijn de volgende klachten geformuleerd.
subonderdeel I.1is in rov. 3.4, 3.10-3.14 en het dictum van het eerste tussenarrest art. 347 Rv Pro miskend, omdat dit toelating van een wijziging van de grondslag van de vordering van Vickers betreft, zonder dat daarvoor een voldoende duidelijk kenbare grief in het eerste processtuk aanwezig was. Het subonderdeel bevat de volgende drie klachten:
[…] /Alog [19] dan wel de ‘schakeltheorie’ (waarover meer in de bespreking);
[…] /Alogen de daarin genoemde ‘schakeltheorie’ is hier niet van toepassing. Het ging in dat arrest om de zorgvuldigheid die contractspartijen jegens derden moeten betrachten. Contractspartijen moeten, onder omstandigheden, ook zorgvuldigheid betrachten naar derden in de situatie waarin hun overeenkomst een ‘schakel’ is gaan vormen in het rechtsverkeer waarmee de belangen van die derden nauw zijn verbonden. Doen zij dit niet, dan kan dit onrechtmatig handelen opleveren jegens die derden. Dat is in deze zaak niet aan de orde. Vickers heeft niet gesteld dat zij een derde is die schade heeft geleden omdat [eiser] haar belangen heeft geschaad in de uitoefening van een overeenkomst met een ander, waarbij die overeenkomst een ‘schakel’ is gaan vormen in het rechtsverkeer waarmee de belangen van Vickers nauw zijn verbonden. [eiser] wordt verweten dat hij [betrokkene 1] heeft geholpen om het geld dat Vickers aan [betrokkene 1] had uitgeleend, weg te sluizen en daar zelf van heeft geprofiteerd, terwijl hij wist dat het geld aan Vickers toekwam.
subonderdeel I.2heeft het hof in rov. 3.4 nieuwe grondslagen van Vickers in haar stellingen ‘ingelezen’. Dat is een miskenning van de vaste rechtspraak dat het de rechter niet vrijstaat om zijn beslissing te baseren op rechtsgronden of verweren die kunnen worden afgeleid uit in het geding gebleken feiten en omstandigheden, maar die door de desbetreffende partij niet aan haar vordering of verweer ten grondslag zijn gelegd [20] . Dat volgt ook uit het vereiste dat een grief voor de wederpartij voldoende kenbaar in de procedure naar voren moet zijn gebracht [21] . Het oordeel in rov. 3.4 komt erop neer dat het hof het beroep op art. 6:166 BW Pro als grondslag (en dus als grief) ‘inleest’ in nr. 52 van de appeldagvaarding en dat is onjuist, of ontoereikend gemotiveerd. Dat geldt ook voor het ‘inlezen’ van schending van de zorgvuldigheid.
subonderdeel I.4is in rov. 3.4 (en de daarop voortbouwende rov. 3.10-3.14 en het dictum van het eerste tussenarrest) ook miskend dat in het kader van art. 347 Rv Pro voor beide grondslagen (art. 6:166 BW Pro en schending zorgplicht) bij grieven alle rechtsfeiten gesteld moeten worden die voor die grondslagen noodzakelijk zijn. Die ontbreken, zodat sprake is van een nieuwe grondslag na de appeldagvaarding in strijd met de tweeconclusieregel. Als het bestreden oordeel aldus moet worden begrepen dat, gelet op het arrest
De beeldbrigade [22] , mvg 52 (geciteerd in rov. 3.4) een voldoende ‘haakje’ is om daarop te kunnen voortbouwen, miskent het hof dat uitsluitend op een voldoende kenbare grief of grondslag kan en mag worden voortgebouwd.
endie van [eiser] en zijn vrouw. Volgens het hof heeft [eiser] vanaf het moment dat hij wist dat de obligatieportefeuille niet aan [betrokkene 1] , maar aan Vickers toe behoorde,
geen zorg gedragendat de waarde hiervan aan Vickers is gerestitueerd, maar er integendeel juist aan meegewerkt/toegelaten dat deze waarde vanaf de zomer van 2013 is weggesluisd ten nadele van Vickers (rov. 3.26).
onmisbare schakelin het verduisteren van de obligatieportefeuille omdat hij met [betrokkene 1] en/of-rekeningen heeft geopend, waarbij [betrokkene 1] afhankelijk was van [eiser] omdat [betrokkene 1] , in tegenstelling tot [eiser] , geen Arabisch of Engels sprak. Ook verwijt het hof [eiser] dat hij geen deugdelijke verklaringen heeft gegeven waarom hij aan het openen van de en/of-rekeningen heeft meegewerkt en waarom het gerechtvaardigd was dat hij er zonder meer op kon vertrouwen dat het geld bij de opening van de betreffende SCB-rekening waar de obligatieportefeuille op is gestort, (privé-)spaargeld van [betrokkene 1] was. Gegeven het feit dat [eiser] en [betrokkene 1] elkaar niet goed zouden kennen en het om een bedrag van ruim $ 6 miljoen ging, had [eiser] zich meer moeten verdiepen in de oorsprong van het bedrag en niet louter mogen afgaan op de verklaring van [betrokkene 1] (rov. 3.26).
Onder II.2zijn daarnaast de volgende klachten geformuleerd:
subonderdeel II.2.2gaat het hof, in samenhang gelezen met de klacht van subonderdeel II.2.1, maar ook los daarvan, uit van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van art. 149 en Pro 150 Rv en de zorgplicht van art. 6:162 BW Pro, althans is hier sprake van een motiveringsgebrek. Deze klacht wordt nader uitgewerkt onder de tussenkopjes ‘
Ad zorgplicht bij openen rekening/ontvangst’, dat bestaat uit de subkopjes ‘1. Succesvolle zakenman’ en ‘2. Shariawetgeving’, en gaat in
subonderdeel II.2.3verder onder het kopje ‘
Ad zorgplicht jegens Vickers als derde na het volgens het hof bekend worden met de lening overwegingen’ met zeven randnummers met verschillende klachten.
1. Succesvolle zakenman’ de volgende klachten:
2. Shariawetgeving’ met de volgende klachten:
subonderdeel II.2.3zijn gericht tegen rov. 3.23-3.27 waarin het hof [eiser] aansprakelijk heeft gehouden voor het verlies van de obligatieportefeuille van Vickers. Volgens de klachten gaat het hof hier uit van een onjuiste rechtsopvatting voor wat betreft de schending van de zorgplicht vanaf het moment dat [eiser] op de hoogte was van de contractuele verbintenis tussen [betrokkene 1] en Vickers. Althans laat het hof daarbij stellingen en weren onbesproken dat geen sprake is van enige zorgplicht. De klacht bestaat vervolgens uit zeven nadere punten van toelichting (PI pp. 22-28), die ieder op zichzelf weer verschillende klachten aanvoeren.
punt 1wordt geklaagd dat het hof in rov. 3.23-3.27 onbesproken laat de essentiële stelling dat de gezamenlijke rekening ( [rekeningnummer] ) al op 2 oktober 2012 door [betrokkene 1] is gesloten (mne [eiser] 17 en 21, verwijzend naar prods. 22, 23 en 24 en plta hb na enq [eiser] 6). Dit was vóór het hof in rov 3.26 aanneemt dat [eiser] redelijkerwijs bekend kon zijn met de lening. Aldus volgt uit deze stelling dat [eiser] vanaf 2 oktober 2012 überhaupt niet meer in staat was om iets te doen ten aanzien van de obligatieportefeuille, laat staan in het kader van een gestelde zorgplicht (antw mne 21). In dat licht is het oordeel in rov. 3.26 dat [eiser] niet (voldoende gemotiveerd) heeft betwist dat vast zou staan dat (de waarde van) de obligatieportefeuille in de periode tot de strafrechtelijke aangifte van Vickers in de zomer van 2013 telkens binnen het bereik bleef van [betrokkene 1] ook onbegrijpelijk.
doordat het vermogen werd rondgepompt tussen de bankrekening van OSD en die van [betrokkene 1] en [eiser] gezamenlijk bij SCB en Citibank(rov. 3.26). Het is dan irrelevant dat de bankrekening waar de obligatieportefeuille
in eerste instantie op was gestort(met rekeningnummer [rekeningnummer] ) op 2 oktober door [betrokkene 1] zou zijn gesloten. De portefeuille was immers verspreid naar andere rekeningen waar [betrokkene 1]
en[eiser] gezamenlijk toegang toe hadden.
na de zomer van 2013en die (volgens Vickers) het doel hadden om [betrokkenen 2] te verrijken. De vaststelling van het hof dat de waarde van de obligatieportefeuille wordt ‘rondgepompt’ heeft juist betrekking op de periode
voor de zomer 2013. Tegen deze achtergrond is niet onbegrijpelijk dat hof heeft geoordeeld dat [eiser] het ‘rondpompen’ onvoldoende heeft betwist. In dit kader valt ook niet in te zien dat relevant zou zijn dat Vickers al vanaf mei/juni 2013 op de hoogte zou zijn van het feit dat [eiser] werkzaamheden voor OSD verrichtte. Dat Vickers al in september 2012 de beschikking zou hebben gehad over de transactiegeschiedenis van OSD over de periode 30 september 2011-26 september 2012, neemt niet weg dat zij geen zicht had op de transacties vanuit de en/of-rekeningen van [betrokkene 1] en [eiser] . Dat [eiser] door toedoen van Vickers in een slechte bewijspositie is beland, zie ik evenmin. Het is de eigen keuze geweest van [eiser] om de administratie van OSD over te dragen aan [betrokkene 1] . Ook deze klacht zie ik dan ook niet slagen.
spraken om die reden afhankelijk was van [eiser] in zijn contacten met de banken. Dat [betrokkene 1] mogelijk wel Engels kon lezen of dat zijn dochter Engels beheerste, doet hier dus niks aan af. Dat ‘ [betrokkene 6] ’ van SCB wel Russisch zou spreken, is door het hof verworpen omdat dit niet (voldoende) door andere bewijsstukken is gestaafd. Het hof respondeert hiermee op de opmerking van [eiser] tijdens zijn getuigenverhoor (rov. 3.20) dat [betrokkene 1] zelfstandig contact had met medewerkers van SCB die Russisch spraken, waaronder ene ‘ [betrokkene 6] ’. Deze stelling is niet in de door [betrokkenen 2] genomen memorie na enquête en ook niet tijdens de mondelinge behandeling na enquête nader toegelicht of onderbouwd. De PI verwijst nog naar een productie die is ingediend door [betrokkenen 2] bij hun conclusie in het incident. Dit betreft een screenshot van een Gmail-account, waarop een doorgestuurd bericht van deze [betrokkene 6] aan [betrokkene 1] is afgebeeld, dat in cyrillisch schrift is opgesteld en waarbij een (ongeautoriseerde) vertaling staat. Relevant in dit verband is dat de formulieren om een rekening te openen bij SCB [plaats 1] alleen in het Engels en Arabisch beschikbaar waren (prod. 77 Vickers en rov. 3.11 van het eerste tussenarrest). Tegen deze achtergrond kon het hof oordelen dat de verklaring van [eiser]
niet (voldoende)door andere bewijsstukken is gestaafd.
waaromdit een essentiële stelling zou zijn. Daarnaast moet Vickers stellen dat zij door het onrechtmatig handelen van [eiser] schade heeft geleden – en niet meer specifiek dat [betrokkene 1] Vickers niet nog op een andere wijze zou gaan compenseren voor het verlies van de obligaties. Vickers heeft gesteld dat zij door de malversaties van [betrokkene 1] schade heeft geleden (dgv 2-8 en 12). Overigens lijkt het mij ook voor de hand te liggen dat Vickers schade heeft geleden uit hetgeen zij [eiser] heeft verweten, nu het gaat om de verduistering van (de waarde van) een obligatieportefeuille van $ 6.5 miljoen.
punt 5van subonderdeel II.2.3 laat het hof in de bestreden rechtsoverwegingen onbesproken dat Vickers bij haar prod. 125 niet het gehele FAA-rapport heeft overgelegd en dat één van de missende pagina’s door [eiser] is overgelegd (prod. 45), waarin staat vermeld (mne [eiser] 17):
getekende leningsovereenkomst is tussen Vickers en [betrokkene 1]waarin duidelijk staat dat de obligatieportefeuille onderwerp is van de lening. Een belangrijk gezichtspunt lijkt mij ook dat deze ‘investeringsgrondslag’
nergensterugkomt in de getuigenverklaringen van [eiser] en [betrokkene 7] (vgl. rov. 3.23). Daar komt bij dat als een dergelijke investeringsafspraak al zou zijn gemaakt, dit op zichzelf niet uitsluit dat partijen
daarnaasteen leningsovereenkomst zijn aangegaan. Het is dus alleszins begrijpelijk dat het hof dit verweer buiten beschouwing heeft gelaten en daar ketsen de klachten naar ik meen op af. Bovendien heeft het hof in rov. 3.13 van het eerste tussenarrest, waar de klacht achter het tweede gedachtestreepje naar verwijst,
nietgeoordeeld over de leningsovereenkomst van de obligatieportefeuille, maar
twee andereleningsovereenkomsten. De vorderingen van Vickers ten aanzien van die leningen zijn door het hof afgewezen (rov. 3.29 eindarrest).
employment contract for sponsored staffheeft ondertekend met als ingangsdatum 1 mei 2012.
employment contract for sponsored staffheeft ondertekend met als ingangsdatum 1 mei 2012. Deze datum correspondeert ook met de arbeidsovereenkomst die als productie is overgelegd [39] . Zoals [eiser] zelf heeft gesteld, heeft hij eind 2010/begin 2011
voorbereidende werkzaamhedenverricht voor [betrokkene 1] ten behoeve van (de oprichting van) OSD [40] . Hier moet het hof op hebben gedoeld met de vaststelling dat [eiser] ‘eind 2010/begin 2011 bij OSD in dienst is getreden’, waarmee klaarblijkelijk is bedoeld dat [eiser] in die periode al werkzaamheden heeft verricht voor [betrokkene 1] ten behoeve van OSD. Overigens zie ik ook niet welk belang [eiser] heeft bij deze klacht, nu dit niet relevant is voor het verwijt dat het hof [eiser] heeft gemaakt in rov. 3.26 voor wat betreft zijn onrechtmatig handelen en aansprakelijkheid jegens Vickers.
onderdeel IIIzijn gericht tegen het tweede tussenarrest waarin het hof de 843a Rv (oud)-vordering van Vickers (gedeeltelijk) heeft toegewezen.
subonderdeel III.1dat het slagen van één of meer onderdelen van onderdeel I ook rov 2.8-3 van het tweede tussenarrest aantast. Die klacht deelt het lot van onderdeel I en kan niet tot cassatie leiden.
dusvia de banken in [plaats 1] de vereiste afschriften moet opvragen en dat dit onmogelijk voor hem is. Dit gaat echter voorbij aan wat het hof in rov. 2.8 heeft geoordeeld (onderstreping A-G):
Uit de stellingen van Vickers blijkt dat [betrokkene 1] bereid is mee te werken aan de verkrijging van de afschriften van deze rekeningen door de afgifte op 24 oktober 2019 van een “limited power of attorney for obtaining records for [betrokkene 1] ” aan Paul Young, de advocaat van Vickers in Amerika (hierna: Young) (productie 106 bij incidentele conclusie). Gezien de e-mail van Young aan Vickers (productie 107 bij incidentele conclusie) is voldoende aannemelijk dat Young zonder de medewerking van [eiser] als voormalig director niet in staat is om deze stukken te verkrijgen, maar met diens medewerking wel.”
via de Amerikaanse advocaat van [betrokkene 1]kan verkrijgen. Nu de klachten dit miskennen, kunnen deze niet tot cassatie leiden.
hoofdelijkaansprakelijk is voor de schade die Vickers heeft geleden met het verlies van haar effectenrekening ten belope van $ 6.573,14. Het dictum onder 4.10 moet dienovereenkomstig worden verstaan, dus als hoofdelijke veroordeling. Daar lijkt mij deze klacht op te stranden. Mocht ter voorkoming van executieproblemen worden gecasseerd op dit punt, dan kan de Hoge Raad dit zelf afdoen – maar het lijkt mij gelet op de heersende leer op dit punt niet nodig om hierop te casseren.