Conclusie
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
3.Het geding in cassatie
eerste klachtbestrijdt belanghebbende het oordeel van het Hof in rechtsoverwegingen 4.1 tot en met 4.3 aangaande de eigen bevoegdheid van het Hof. Belanghebbende betoogt dat de wetgever een onderscheid heeft willen maken in de te volgen rechtsgang en verzoekt de Hoge Raad om zich hierover expliciet uit te laten.
vijfde en laatste klachtvoert belanghebbende aan dat Ontvanger de waarde van de machines te hoog heeft vastgesteld.
4.Bevoegdheid belastingrechter
Het bodemrecht van de fiscus
de minimis-bepaling opgenomen: de meldplicht geldt niet als de waarde [22] van de bodemzaken onder de € 10.000 blijft. [23] Ook beleidsmatig zijn er enkele beperkingen aangebracht op de meldplicht, met name voor zogenoemde objectfinanciers. [24]
Eventuele geschillen over de omvang van de verplichting lopen via de burgerlijke rechter.Voorts volgt uit het zevende lid dat de vordering van de ontvanger de titel vormt om indien nodig tot dwanginvordering over te gaan als ware het een rijksbelasting. Het dwangbevel vormt de executoriale titel en de regels van hoofdstuk III van de Invorderingswet 1990 zijn hierbij van overeenkomstige toepassing”
hoogte van de vorderingvan de ontvanger (…).”
geschillen omtrent de executiewaarde van de bodemzakendoor de fiscale rechter worden afgedaan. Dit gebeurt door in het nieuw in te voegen negende lid te bepalen dat de executiewaarde bij voor bezwaar vatbare beschikking wordt vastgesteld. De ontvanger stelt deze beschikking overigens in alle gevallen vast en niet alleen als er sprake is van een (potentieel) geschil, bijvoorbeeld over de hoogte van de executiewaarde of als niet of niet tijdig wordt verklaard. Ingevolge het nieuwe vijftiende lid wordt tegen deze beschikking de fiscale rechtsgang van hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van toepassing verklaard. In de memorie van toelichting op dit wetsvoorstel is opgenomen dat eventuele geschillen omtrent de omvang van de executiewaarde via de burgerlijke rechter zouden lopen.
Vanwege het bestuursrechtelijke karakter van de vordering van de ontvanger is er alsnog voor gekozen om eventuele geschillen over de omvang van de vordering via de fiscale rechter te laten lopen, voorafgegaan door bezwaar bij de ontvanger.”
5.Behandeling van het middel
nietde reële eigendom heeft, worden in de Leidraad huurkoop en eigendomsvoorbehoud genoemd. En verder wordt uiteengezet dat wanneer bij lease, huur of bruikleen het economische risico van waardevermindering van de zaken in overwegende mate bij de belastingschuldige ligt, de derde geen reële eigendom heeft.