ECLI:NL:PHR:2026:560

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
25/02722
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7A:1622 BW-BESArt. 6:248 lid 2 BW-BESArt. 7:405 lid 2 BW-BESArt. 3:35 BWArt. 3:11 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling meerwerk bij aanneming elektrotechnische installatie op Bonaire

Deze zaak betreft een geschil tussen [Holding] B.V., een projectontwikkelaar, en Elektro Pro B.V., een aannemer elektrotechnische installaties, over de betaling van meerwerk bij een bouwproject op Bonaire. Elektro Pro voerde meerwerk uit zonder vooraf schriftelijke prijsafspraken, terwijl de overeenkomst schriftelijke vastlegging van meerwerk en prijs voorschreef. [Holding] betwistte de hoogte van de facturen en stelde dat meerwerk alleen betaald kon worden indien schriftelijk overeengekomen.

Het Gerecht in eerste aanleg wees de vorderingen van Elektro Pro af en kende [Holding] een beperkte vergoeding toe. Het Hof vernietigde dit vonnis en veroordeelde [Holding] tot betaling van een bedrag van circa USD 23.761 plus rente, omdat [Holding] niet had bewezen dat partijen overeenstemming hadden bereikt over de meerwerkprijs. Het Hof oordeelde dat het beroep op het schriftelijkheidsvereiste van art. 7A:1622 BW-BES en de contractuele bepaling onaanvaardbaar was, nu [Holding] als professionele partij op aandringen van Elektro Pro het meerwerk had laten voortzetten.

De Hoge Raad bevestigt dat het beroep op het schriftelijkheidsvereiste beperkt moet worden uitgelegd wanneer de opdrachtgever zich bewust was van de gevolgen van het meerwerk en dit heeft toegestaan. Ook het verweer van [Holding] dat zij gerechtvaardigd mocht vertrouwen dat na een bepaalde factuur geen verdere bedragen zouden volgen, faalt. De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en bevestigt dat [Holding] een redelijk bedrag voor het meerwerk verschuldigd is, zoals door het Hof vastgesteld.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat [Holding] een redelijk bedrag voor het meerwerk aan Elektro Pro moet betalen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/02722
Zitting5 juni 2026
CONCLUSIE
W.L. Valk
In de zaak
[Holding] B.V.
tegen
Elektro Pro B.V.
Partijen worden hierna verkort aangeduid als [Holding] respectievelijk Elektro Pro. Met ‘ [bestuurder 1] ’ doel ik op de bestuurder van [Holding] .

1.Inleiding en samenvatting

Deze zaak gaat over meerwerk bij de uitvoering van een bouwproject op Bonaire. Mijns inziens slaagt geen van de klachten van het cassatiemiddel en kan de zaak met toepassing van art. 81 RO Pro worden afgedaan.

2.Feiten en procesverloop

2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan: [1]
(i) [Holding] is een projectontwikkelaar. Haar bestuurder is [bestuurder 1] (hierna: [bestuurder 1] ). [Holding] heeft ing. [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) aangesteld als haar bouwbegeleider bij het werk waar deze zaak over gaat. Elektro Pro is een aannemer op het gebied van elektrotechnische installaties. Haar bestuurder is [bestuurder 2] (hierna: [bestuurder 2] ).
(ii) Op 9 juni 2017 heeft Elektro Pro een offerte uitgebracht voor het leveren en aanleggen van elektrotechnische installaties in het nieuwe gebouw van [Holding] tegenover de ingang van het vliegveld op Bonaire. In die offerte wordt het werk aangeboden voor een aanneemsom van USD 141.588. In de offerte staat dat meerwerk op regiebasis in rekening wordt gebracht volgens een tarief van USD 35 per uur voor een elektricien en USD 50 per uur voor de uitvoerder.
(iii) Op 24 augustus 2017 heeft Elektro Pro na onderhandeling een nieuwe offerte uitgebracht met een lagere aanneemsom, namelijk USD 109.701.
(iv) Op 30 augustus 2017 hebben Elektro Pro en [Holding] een
electrical installation agreementmet laatstgenoemde aanneemsom ondertekend (hierna: ‘de overeenkomst’). Over meerwerk bevat de overeenkomst de volgende bepaling:
‘4. The contractor has the right to charge more, “extra work”, or decrease on the contract amount, “less work”. This is only possible by an in advance written “extra-” or “less work” list given to the surveyor. The “extra-” or “less work” will only be executed after the approval of the Principal.’
Over de oplevering van het werk bevat de overeenkomst de volgende bepaling:
‘6. The work is considered finalized the day of the delivery along with all of the final drawing and after the inspection and approval of both the WEB nv, [2] the Surveyor and the Principal. If there is still unfinished or unsatisfactory work in the project, the Surveyor will hand to the Contractor a list which must be executed before the project can be considered finalized. (…).’
(v) Op 13 januari 2020 hebben [bestuurder 1] en [bestuurder 2] door middel van Whatsapp overleg met elkaar gevoerd, onder meer over meerwerk, zowel met voicenotes als met een geschreven appbericht. Een usb-stick met de voicenotes en een afdruk van het geschreven appbericht zijn in het geding gebracht.
(vi) Op 12 februari 2020 heeft Elektro Pro een
extra work overview(meerwerkoverzicht) aan [Holding] doen toekomen dat sluit op een totaal van afgerond USD 47.936.
(vii) Op 19 februari 2020 heeft Elektro Pro een gecorrigeerde versie van het meerwerkoverzicht aan [Holding] doen toekomen die sluit op een totaal van afgerond USD 43.994.
(viii) Bij factuur [001] van 5 maart 2020 heeft Elektro Pro USD 5.400 bij [Holding] in rekening gebracht voor meerwerk. In die factuur is het bedrag als volgt gespecificeerd:
‘Akinan mi ta manda un rekening pa un parti di un pago 5,000.00T
di trabounan extra ku nos a entrega dia 19-02-2020.
ABB 8% [3] 400.00.’
Vrij vertaald:
‘Hierbij stuur ik een rekening voor een deelbetaling voor meerwerk dat we op 19 februari 2020 zijn overeengekomen.’
(ix) Op 27 maart 2020 hebben [bestuurder 2] , [bestuurder 1] en [betrokkene 1] overleg gevoerd over het meerwerk.
(x) Bij e-mail van 2 april 2020, 16.17 uur heeft [bestuurder 2] aan [bestuurder 1] en [betrokkene 1] onder meer bericht:
‘Mirando ku biaha pasa ku nos a kombersa mi no a keda masha kontentu mi a bini kas bek i pasa den mi kosnan. Komo ku e kalkulashonnan a wordu hasi riba mi estimate ku mi a entrega i ku no wordu firma per tog a wordu husa pa baha mi preisnan di extra werk, mi a bini hanja den e mesun contract ei ku boso no por bai riba mi calculation. Mi kier a sinta un biaha mas ku boso ja nos por keda kla ku e asuntu aki.
Vrij vertaald door het Hof:
‘Aangezien ik de vorige keer dat we overlegd hebben niet erg tevreden was, ben ik terug naar huis gegaan en door mijn spullen gegaan. Nu de berekeningen gedaan zijn op basis van mijn estimate die ik verstrekt heb en die niet ondertekend is, maar die toch gebruikt is om mijn prijzen voor meerwerk te verlagen, heb ik in datzelfde contract gevonden dat jullie mijn calculatie daar niet voor mogen gebruiken. Ik wil nog een keer met jullie bij elkaar komen zodat we deze kwestie kunnen afronden.
(xi) Bij e-mail van 2 april 2020, 16.59 uur heeft [betrokkene 1] een nieuwe berekening van het meerwerk aan [bestuurder 1] en [bestuurder 2] doen toekomen, die sluit op een totaal van USD 32.403. In de e-mail staat onder meer:
‘Aki mi ta manda e lista di meerwerk, konforme nos ultimo reunión.’
Vrij vertaald:
‘Hierbij verzend ik de meerwerklijst, overeenkomstig onze laatste vergadering.’
(xii) In de e-mail staat, vrij vertaald en samengevat:
 het in totaal te betalen bedrag voor meerwerk is USD 32.403;
 Elektro Pro heeft al voor USD 13.887 aan meerwerk verricht;
 [Holding] heeft al USD 5.400 voor meerwerk betaald; en
 van het totaalbedrag moet USD 9.815 worden afgetrokken. Deze aftrek is in de e-mail aangeduid als:
discount 10% previous contract.
(xiii) Bij e-mail van 2 april 2020, 19.19 uur heeft [bestuurder 1] aan [bestuurder 2] onder meer bericht dat hij niet bereid was opnieuw te overleggen over de prijs van het meerwerk. In de e-mail staat onder meer:
‘Ami si ta un hende di palabra.’
Vrij vertaald:
‘Ik ben wel een man van het woord.’
(xiv) Bij e-mail van 2 april 2020, 19.38 uur heeft [bestuurder 2] aan [bestuurder 1] onder meer bericht:
‘Ami no a traha palabrashon, mi a pidi pa mandami e overzicht.’
Vrij vertaald:
‘Ik heb geen afspraken gemaakt, ik heb gevraagd mij het overzicht toe te sturen.’
(xv) Op 3 april 2020 heeft [bestuurder 2] in een naar [bestuurder 1] verzonden Whatsapp-voicenote gesproken over meerwerk. De voicenote is op een usb-stick in het geding gebracht. Op 6 april 2020 heeft [bestuurder 2] een geschreven appbericht aan [bestuurder 1] gezonden. Een afdruk daarvan is in het geding gebracht.
(xvi) Bij e-mail van 7 april 2020 heeft [bestuurder 2] bericht:
‘Bontardi tur hende,
Aki mi ta responde riba e liste di meerwerk ku [betrokkene 1] a manda un biaha mas.
(…)
Nos lo bai kaba e trabounan extra manera menshona riba e lista i tambe loke ku nos tin firma riba contract. (…)
Tambe nos tin ku bisa ku nos no ta kontentu kon e nigashamentu a bai pa loke ta trata nos trabounan extra.
Nos lo kaba e trabou manera nos a menshona riba e lista ariba i tambe nos contract.
(…)’
Vrij vertaald:
‘Goedemiddag iedereen,
Hierbij reageer ik op de meerwerklijst die [betrokkene 1] nog een keer heeft toegezonden.
(…)
Wij zullen het meerwerk afmaken zoals vermeld op de lijst en ook hetgeen wij hebben ondertekend op het contract.
(…)
Ook moeten wij zeggen dat wij niet tevreden zijn over de manier waarop de onderhandelingen met betrekking tot ons meerwerk zijn verlopen.
Wij zullen het werk afmaken zoals wij op bovengenoemde lijst hebben vermeld en ook volgens ons contract.’
(xvii) Bij e-mail van 14 april 2020 heeft [bestuurder 2] aan [bestuurder 1] en [betrokkene 1] onder meer bericht:
‘Si boso por mira klaro riba loke kumi a skirbi ta ku nos lo kaba e trabounan riba e lista pero esei no ta nifika ku nos ta eens ku loke boso a kalgula.’
Vrij vertaald:
‘Zoals jullie duidelijk kunnen zien over wat ik heb geschreven, is dat wij het werk op de lijst zullen afmaken, maar dat betekent niet dat wij het eens zijn met wat jullie gecalculeerd hebben.’
(xviii) Bij factuur van 24 april 2020 (factuur [002] ) heeft Elektro Pro USD 13.832 bij [Holding] in rekening gebracht voor meerwerk. In de factuur is het bedrag als volgt gespecificeerd:
‘Extra werk term 1 $27,740.17 minus $5400 already paid 20,685,34T
See inv 2020.024
Discount 10% vorige contract $9.815 per keer 30.67% -7,877.69
ABB 8% 1,024.61
(xix) Op 29 april 2020 heeft [Holding] het genoemde bedrag van USD 13.832 betaald.
(xx) Bij brief van 12 mei 2020 heeft de gemachtigde van Elektro Pro [Holding] gesommeerd om de overeenkomst na te komen door te betalen overeenkomstig het meerwerkoverzicht van 19 februari 2020. Bij brief van 18 mei 2020 heeft de gemachtigde van [Holding] hierop gereageerd met het betoog dat [Holding] nog slechts USD 3.356 verschuldigd is en dat [Holding] de nakoming van die betalingsverplichting opschort totdat Elektro Pro bepaalde werkzaamheden zal hebben uitgevoerd.
(xxi) Bij e-mail van 18 mei 2020 heeft [betrokkene 1] aan [bestuurder 1] en [bestuurder 2] onder meer bericht:
‘Demas argumentonan den e email aki lo mi no tin comentario, despues di a purba diferente biaha pa [bestuurder 1] [4] y [bestuurder 2] jega na un final normal den e projekto aki. Maske ainda lo mi kier papia tantu ku [bestuurder 2] y [bestuurder 1] pa wak kon por hasi pa kaba e kos aki drechi lo mi aserka boso pa wak si tin disponibilidad pa jega na un acuerdo. Considerando ku no falta hopi pa por rondaf a trabounan.’
Vrij vertaald:
‘Bij de verdere argumenten in deze e-mail heb ik geen commentaar, nadat ik verschillende keren geprobeerd heb te bereiken dat [bestuurder 1] en [bestuurder 2] tot een normaal einde van dit project komen. Desondanks wil ik nog met zowel [bestuurder 2] als [bestuurder 1] praten om te zien hoe we deze zaak op een goede manier kunnen beëindigen, ik zou willen bezien of er gelegenheid is om een akkoord te bereiken. Aangezien er weinig ontbreekt om het werk te kunnen afronden.’
(xxii) Bij factuur [003] van 4 juni 2020 heeft Elektro Pro USD 24.761 [5] bij [Holding] in rekening gebracht. Op 1 oktober 2020 heeft Elektro Pro deze factuur opnieuw verstuurd, voorzien van een nieuwe datum. In de factuur is het bedrag als volgt gespecificeerd:
‘Calculatie extra werk 19 februari 2020 43993.8 40,735.00T
Minus invoice 2020.024 -5,400.00
Minus invoice 2020.035 -13,832.26
ABB 8% 3,258.80’
[Holding] heeft geweigerd deze factuur te betalen.
(xxiii) Op 30 oktober 2020 hebben [bestuurder 2] , [bestuurder 1] en [betrokkene 1] het werk opgenomen.
(xxiv) In een brief van 6 november 2020 heeft de gemachtigde van [Holding] een lijst van werkzaamheden vermeld die volgens de brief nog dienen te worden uitgevoerd voordat het werk kan worden opgeleverd, met sommatie om die werkzaamheden uit te voeren.
(xxv) Op 26 november 2020 heeft WEB de elektrische installatie goedgekeurd en een keuringskaart afgegeven aan Elektro Pro.
(xxvi) [Holding] heeft buitengerechtelijke verklaringen tot gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst uitgebracht in e-mails van 16 december 2020 en 3 februari 2021. Ook in de conclusie van antwoord in conventie, eis in reconventie van 26 mei 2021 heeft [Holding] verklaard de overeenkomst gedeeltelijk te ontbinden.
(xxvii) Bij factuur [004] van 25 januari 2021 heeft Elektro Pro USD 8.775 bij [Holding] in rekening gebracht voor leveringen en werkzaamheden als gespecificeerd in die factuur. [Holding] heeft geweigerd deze factuur te betalen.
2.2
Bij inleidend verzoekschrift van 25 februari 2021 heeft Elektro Pro in conventie veroordeling van [Holding] gevorderd tot betaling van USD 33.563,54 in hoofdsom. [6] In reconventie heeft [Holding] onder meer een verklaring voor recht gevorderd dat zij de met Elektro Pro gesloten overeenkomst gedeeltelijk heeft ontbonden en dat zij bevrijd is van haar verbintenis om het restant van de aanneemsom van USD 13.206,13 aan Elektro Pro te betalen, veroordeling van Elektro Pro tot schadevergoeding op te maken bij staat en veroordeling van Elektro Pro tot betaling van USD 6.450.
2.3
Bij tussenvonnis van 24 mei 2022 [7] heeft het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zittingsplaats Bonaire (hierna: het Gerecht), Elektro Pro in de gelegenheid gesteld om tegenbewijs te leveren tegen het vermoeden dat tussen partijen op 27 maart 2020 de door [Holding] gestelde overeenstemming over de betaling van het meerwerk is bereikt, zoals is neergelegd in de door [betrokkene 1] opgestelde berekening van 2 april 2020 op basis van het door Elektro Pro aangeleverde overzicht van meerwerk.
2.4
Bij eindvonnis van 28 september 2022 [8] heeft het Gerecht geoordeeld dat Elektro Pro er niet in is geslaagd om het vermoeden te ontzenuwen. In conventie heeft het Gerecht de vorderingen van Elektro Pro afgewezen en Elektro Pro veroordeeld in de proceskosten van [Holding] en tevens in de nakosten. In reconventie heeft het Gerecht de vorderingen van [Holding] (zeer) gedeeltelijk toegewezen en Elektro Pro veroordeeld tot betaling aan [Holding] van USD 1.000 in hoofdsom.
2.5
Elektro Pro is van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Hof). Bij tussenvonnis van 15 oktober 2024 [9] heeft het Hof [Holding] opgedragen te bewijzen dat partijen op 27 maart 2020 overeenstemming hebben bereikt over de betaling voor het meerwerk, zodanig dat de berekening van [betrokkene 1] van 2 april 2020 moet worden gevolgd. Voor zover in cassatie van belang houden de dragende overwegingen van het tussenvonnis samengevat het volgende in:
a. De grief van Elektro Pro is erop gericht om het Hof tot het oordeel te brengen dat niet kan worden aangenomen dat partijen op 27 maart 2020 overeenstemming hebben bereikt over de betaling voor het meerwerk. (onder 3.6).
b. De bewijslast van de stelling dat partijen op 27 maart 2020 overeenstemming hebben bereikt over de betaling voor het meerwerk, zodanig dat de calculatie van [betrokkene 1] van 2 april 2020 moet worden gevolgd, rust op [Holding] . Het Hof laat in het midden of die stelling als voorshands bewezen kan worden beschouwd en zal [Holding] opdragen die stelling te bewijzen. (onder 3.7).
c. De devolutieve werking van het hoger beroep brengt mee dat, indien voornoemde stelling niet kan worden aangenomen, de andere verweren van [Holding] aan de orde moeten komen. (onder 3.8-3.11).
d. Indien blijkt dat de hoogte van de betaling voor het meerwerk niet door partijen is bepaald, is [Holding] het daarvoor op de gebruikelijke wijze berekende bedrag of, bij gebreke daarvan, een redelijk bedrag verschuldigd (art. 7:405 lid 2 BW Pro BES). (onder 3.12).
e. Het Hof staat toe dat aan de getuigen ook vragen kunnen worden gesteld over hetgeen onder 3.9 tot en met 3.12 is overwogen. (onder 3.13).
2.6
Bij eindvonnis van 6 mei 2025 [10] heeft het Hof geoordeeld dat [Holding] niet in het opgedragen bewijs is geslaagd. Het Hof heeft het bestreden vonnis vernietigd en [Holding] veroordeeld tot betaling van USD 23.761, te vermeerderen met wettelijke rente. De dragende overwegingen van het eindvonnis luiden als volgt:
Factuur [003] – bewijswaardering
a. [Holding] is niet geslaagd in de opdracht om te bewijzen dat partijen op 27 maart 2020 overeenstemming hebben bereikt over de betaling voor het meerwerk, zodanig dat de calculatie van [betrokkene 1] van 2 april 2020 moet worden gevolgd. (onder 3.1-3.12).
Factuur [003] – overige verweren
b. [Holding] heeft het verweer gevoerd dat art. 7A:1622 BW BES en art. 4 van Pro de overeenkomst in de weg staan aan toewijzing van de vordering. Zowel deze wetsbepaling als deze contractsbepaling strekken ertoe dat betaling voor meerwerk alleen kan worden gevorderd, indien het meerwerk en de prijs daarvoor vooraf is overeengekomen en dit schriftelijk is vastgelegd. (onder 3.13).
c. Hiertegenover heeft Elektro Pro aangevoerd dat het beroep hierop naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, onder meer omdat [bestuurder 1] telkens op indringende wijze erop heeft aangedrongen dat de extra werkzaamheden zouden worden uitgevoerd voordat zou worden gesproken over de prijs hiervoor. (onder 3.14).
d. [Holding] heeft zelf aangevoerd dat zij Elektro Pro herhaaldelijk heeft moeten aansporen om op te schieten. Zij meent echter dat Elektro Pro voldoende gelegenheid heeft gehad om meerwerkopdrachten en meerwerkprijzen schriftelijk vast te leggen. (onder 3.15).
e. Gelet op alle omstandigheden van het geval, in samenhang beschouwd, is het naar maatstaven van redelijkheid onaanvaardbaar dat [Holding] achteraf, nadat het meerwerk is uitgevoerd, zich erop beroept dat art. 7A:1622 BW BES en art. 4 van Pro de overeenkomst aan toewijzing van de vordering in de weg staan. Het verweer van [Holding] faalt dus. (onder 3.16).
f. [Holding] heeft het verweer gevoerd dat zij er gerechtvaardigd op heeft vertrouwd dat na de factuur van 24 april 2020 geen verdere bedragen voor meerwerk in rekening zouden worden gebracht. Dat verweer faalt. (onder 3.17).
g. Dat geldt ook voor het verweer van [Holding] dat zij er gerechtvaardigd op heeft vertrouwd dat Elektro Pro voor het meerwerk dezelfde eenheidsprijzen zou hanteren als in de overeenkomst. (onder 3.19-3.20).
h. [Holding] is voor het meerwerk een redelijk bedrag verschuldigd (art. 7:405 lid 2 BW Pro BES). Er is geen reden om aan te nemen dat dit minder is dan USD 24.761, zoals Elektro Pro in rekening heeft gebracht bij factuur [003] van 4 juni 2020/1 oktober 2020.
i. De aan Elektro Pro toewijsbare vordering van USD 24.671 in hoofdsom is vatbaar voor verrekening met de aan [bestuurder 1] toewijsbare vordering van USD 1.000 in hoofdsom. Het zal [Holding] daarom veroordelen tot betaling van USD 23.761. (onder 3.21 en 3.24).
2.7
[Holding] heeft bij procesinleiding van 6 augustus 2025 tijdig cassatieberoep ingesteld. Elektro Pro heeft verweer gevoerd en haar standpunt schriftelijk toegelicht, waarna [Holding] heeft gerepliceerd.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel bestaat uit drie onderdelen. Het tweede en derde onderdeel zijn verdeeld in meerdere subonderdelen.
3.2
Onderdeel 1richt zich tegen het oordeel van het Hof in rechtsoverweging 3.16 van het eindvonnis dat het beroep van [Holding] op art. 7A:1622 BW-BES en artikel 4 van Pro de overeenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Ik citeer die overweging in zijn verband:
‘3.13 [Holding] heeft het verweer gevoerd dat art. 7A:1622 BW BES en art. 4 van Pro de overeenkomst in de weg staan aan toewijzing van de vordering. Zowel deze wetsbepaling als deze contractsbepaling strekken ertoe dat betaling voor meerwerk alleen kan worden gevorderd, indien het meerwerk en de prijs daarvoor vooraf is overeengekomen en dit schriftelijk is vastgelegd.
3.14
Hiertegenover heeft Elektro Pro aangevoerd dat het beroep hierop naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, onder meer omdat [bestuurder 1] telkens op indringende wijze erop heeft aangedrongen dat de extra werkzaamheden zouden worden uitgevoerd voordat zou worden gesproken over de prijs hiervoor (zie met name conclusie van repliek onder 32-35 en akte van 29 juni 2022 onder 5).
3.15
[Holding] heeft zelf aangevoerd dat zij Elektro Pro herhaaldelijk heeft moeten aansporen om op te schieten (conclusie van dupliek 2.21). Zij meent echter dat Elektro Pro voldoende gelegenheid heeft gehad om meerwerkopdrachten en meerwerkprijzen schriftelijk vast te leggen.
3.16
Het geschilpunt over de betaling van het meerwerk is mogelijk reeds op 27 maart 2020 ontstaan of nog eerder, maar bestond in elk geval op 2 april 2020. In beginsel had Elektro Pro toen kunnen weigeren enig meerwerk uit te voeren voordat overeenstemming over de prijs daarvoor was bereikt (het standpunt van [Holding] dat die overeenstemming was bereikt houdt gelet op de bewijswaardering geen stand). Beide partijen zijn het er echter over eens dat [Holding] aandrong op voortzetting van de werkzaamheden. [Holding] is een professionele, commerciële partij, die vanaf het begin over het werk heeft onderhandeld en die werd bijgestaan door een bouwbegeleider. Gelet op alle omstandigheden van het geval, in samenhang beschouwd, is het naar maatstaven van redelijkheid onaanvaardbaar dat [Holding] achteraf, nadat het meerwerk is uitgevoerd, zich erop beroept dat art. 7A:1622 BW BES en art. 4 van Pro de overeenkomst aan toewijzing van de vordering in de weg staan. Het verweer van [Holding] faalt dus.’
3.3
Het onderdeel klaagt dat het oordeel van het Hof onjuist en/of onbegrijpelijk is. Het Hof zou de terughoudendheid hebben miskend die de maatstaf van art. 6:248 lid 2 BW Pro-BES meebrengt, ofwel de maatstaf verkeerd en/of onbegrijpelijk toegepast, omdat de door het Hof gegeven motivering dat oordeel niet kan dragen.
3.4
Deze klachten missen doel. Het Hof heeft uitdrukkelijk de juiste, tot terughoudendheid nopende maatstaf van art. 6:248 lid 2 BW Pro-BES vermeld (‘naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar’). Volgens het Hof is aan die maatstaf hier voldaan. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk gelet op het navolgende.
3.5
Art. 7A:1622 BW-BES luidt als volgt:
‘Indien een bouwmeester of aannemer op zich genomen heeft om een gebouw bij aanneming te maken, volgens een bestek, met de eigenaar van de grond beraamd en vastgesteld, kan hij geen vermeerdering van de prijs vorderen, noch onder voorwendsel van vermeerdering der arbeidslonen of bouwstoffen, noch onder dat van gemaakte veranderingen of bijvoegselen, die niet in het bestek begrepen zijn, indien die veranderingen of vergrotingen niet schriftelijk zijn ingewilligd, en over derzelver prijs met de eigenaar geen overeenkomst is getroffen.’
3.6
Deze bepaling is gelijk aan art. 7A:1646 BW-NL (oud). De ratio van die bepaling – en dus ook die van art. 7A:1622 BW-BES – is door Van Wijngaarden en Chao-Duivis als volgt verwoord: [11]
‘Het kan gebeuren dat de opdrachtgever bepaalde wijzigingen in het bouwplan wenst, zonder dat hij zich van de financiële gevolgen daarvan bewust is. Vooral wanneer hij niet over deskundige bijstand beschikt, kan het gevaar ontstaan dat hij zonder meer zou instemmen met door de aannemer voorgestelde veranderingen die voor de opdrachtgever onverwachte gevolgen hebben voor de oorspronkelijke prijs. Tegen dit gevaar waakt art. 1646 Oud Pro BW: betaling kan door de aannemer niet worden gevorderd voor veranderingen of toevoegingen, tenzij daartoe een schriftelijke opdracht is gegeven. Dat de opdrachtgever zich niet realiseert dat de gevolgen van wijzigingen in het oorspronkelijk plan voor hem nadelig kunnen zijn, kan niet zijn oorzaak vinden in onzorgvuldigheid omdat dit niet tot bescherming aanleiding zou geven. Wel kan de oorzaak liggen in een gebrek aan kennis van zaken, welke hem niet is toe te rekenen, omdat hij ondeskundig is.’
3.7
Als deze ratio in concreto niet in het geding is, omdat ervan kan worden uitgegaan dat de opdrachtgever zich wel degelijk de gevolgen van de opdracht tot het verrichten van het meerwerk realiseerde, is het wettelijk vormvoorschrift onbevredigend. Dat de opdrachtgever zich de consequenties van het meerwerk voldoende realiseerde, zal onder meer kunnen worden aangenomen als hij door een architect of bouwbegeleider werd bijgestaan. In het bijzonder zou het onbillijk zijn als een opdrachtgever zich zelfs ook aan betaling voor meerwerk zou kunnen onttrekken, als hij zelf op het verrichten van het meerwerk heeft aangedrongen. Dat is een wezenlijk ander geval dan dat waarin de aannemer zelf tot het meerwerk het initiatief heeft genomen, in de zin dat hij bij gelegenheid van de uitvoering van de oorspronkelijke opdracht nadere werkzaamheden is gaan verrichten zonder de opdrachtgever duidelijk erop te wijzen dat die werkzaamheden ten opzichte van die oorspronkelijke opdracht meerwerk opleveren (met de daaraan verbonden financiële consequenties).
3.8
Deze en dergelijke overwegingen hebben de rechtspraak ertoe gebracht om in voorkomende gevallen het wettelijk vormvoorschrift van art. 7A:1646 BW-NL (oud) beperkt uit te leggen en/of de opdrachtnemer een beroep op het ontbreken van een
schriftelijkewilsverklaring te ontzeggen in gevallen waarin de opdrachtgever zich de gevolgen van de opdracht tot het verrichten van meerwerk voldoende moet hebben gerealiseerd. [12] In de literatuur werd art. 7A:1646 BW-NL (oud) zelfs veelal opgevat in een zin volgens welke het niet meer dan een bewijsvoorschrift bevat, dat geen betekenis heeft in het geval de opdrachtgever erkent dat sprake is van meerwerk en dat hij tot dat meerwerk opdracht heeft gegeven. [13] Ook werd in de gangbare bouwvoorwaarden van de UAV het wettelijk vormvoorschrift ter zijde gesteld. Daarbij ging men dus ervan uit dat de bepaling niet meer dan aanvullend recht bevatte, zonder dat die opvatting bestrijding ontmoette. [14]
3.9
Ook eerdere rechtspraak in het Caraïbische deel van het Koninkrijk beperkte reeds de werking van hetzelfde wettelijk vormvoorschrift. [15] In de landen Curaçao, Aruba en Sint-Maarten geldt thans dezelfde regeling als in Nederland. Art. 7:755 BW Pro van al die landen binnen het Koninkrijk stellen de aanspraak van de aannemer op vergoeding voor meerwerk afhankelijk van een tijdige waarschuwing door de aannemer voor de noodzaak van het meerwerk en de daaruit voortvloeiende prijsverhoging, tenzij de opdrachtgever de noodzaak van de uit het meerwerk voortvloeiende prijsstijging reeds uit zichzelf had moeten begrijpen. [16]
3.1
Terug naar het vonnis van het Hof en de klachten van het onderdeel. Wat het Hof omtrent de omstandigheden van het geval heeft vastgesteld, komt erop neer dat [Holding] een professionele, commerciële partij is, die door een bouwbegeleider werd bijgestaan en dat [Holding] op het voortzetten van het meerwerk aandrong, hoewel over de prijs van het meerwerk tussen partijen nog werd onderhandeld. Het oordeel van het Hof dat onder die omstandigheden het beroep op art. 7A:1622 BW-BES, evenals het beroep op de gelijkgestemde bepaling van artikel 4 van Pro de overeenkomst, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, is niet onbegrijpelijk. Dat oordeel sluit in tegendeel aan bij de opvattingen in rechtspraak en literatuur zoals die met betrekking tot hetzelfde vormvoorschrift reeds sinds lang bestaan.
3.11
De steller van het middel houdt ons voor (procesinleiding in cassatie, blad 3, onder a) dat in art. 7A:1622 BW-BES een afweging van belangen door de wetgever besloten ligt, in verband waarmee het toepassingsgebied voor de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid beperkt zou moeten blijven tot ‘uitzonderlijke gevallen’. Daarbij verwijst hij naar een arrest van uw Raad met betrekking tot de transitievergoeding van art. 7:673 BW Pro-NL. [17] De vergelijking met dat geval werkt hij echter niet uit.
3.12
Als ik die vergelijking zelf probeer te maken, springen mij vooral
verschillenin het oog:
1. Art. 7:673 BW Pro-NL bevat dwingend recht. De regel van art. 7A:1622 BW-BES bevat aanvullend recht.
2. Art. 7:673 BW Pro-NL beschermt de werknemer. Art. 7A:1622 BW-BES dient ter bescherming van de ondeskundige opdrachtgever – wat [Holding]
nietis.
3. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 7:673 BW Pro-NL volgt dat de wetgever juist ook de consequentie van de wettelijke regel onder ogen had gezien die zich in concreto voordeed, maar ervan had afgezien om de regel te nuanceren. Met art. 7A:1622 BW-BES heeft de wetgever het geval van een aandringende, deskundige opdrachtgever juist
nietvoor ogen gehad.
3.13
Dat ook Elektro Pro een professionele en commerciële partij is, zoals het onderdeel ons verder nog voorhoudt (procesinleiding in cassatie, blad 3, onder b), is niet bepalend. De ratio van het vormvoorschrift van art. 7A:1622 BW-BES is de veronderstelde ondeskundigheid van de
opdrachtgever(hiervoor ‎3.6). Daaruit volgt meteen ook waarom de omstandigheid dat [Holding] werd bijgestaan door een bouwbegeleider, wel degelijk van gewicht is (naar aanleiding van procesinleiding in cassatie, blad 3 onder c).
3.14
Ten overvloede nog het volgende.
3.15
Het vormvoorschrift van art. 7A:1622 BW-BES heeft zijn oorsprong in de negentiende eeuw. Elders in het Koninkrijk, ook in het Caribische deel van het Koninkrijk, geldt niet langer een dergelijk vormvoorschrift, maar in plaats daarvan een waarschuwingsplicht voor de aannemer jegens onwetende opdrachtgevers (hiervoor ‎3.9). Ik zie geen reden om te veronderstellen dat aan dit verschil een bijzondere keuze van de BES-wetgever ten grondslag ligt. De verklaring voor het verschil zal zijn dat sinds de staatkundige transitie op 10 oktober 2010, waarbij de Nederlandse Antillen uiteenvielen in twee landen, Curaçao en Sint Maarten, en de drie openbare lichamen van Nederland, Bonaire Sint Eustatius en Saba (de BES-eilanden), een periode van legislatieve terughoudendheid is afgesproken. [18] Die terughoudendheid is feitelijk nog niet ten einde, in ieder geval niet wat betreft het BW-BES.
3.16
Met de constatering dat de wet verschilt, is mijns inziens de rol van het concordantiebeginsel van art. 39 Statuut Pro van het Koninkrijk niet per se uitgespeeld. Eventueel kan men het oordeel van het Hof verklaren en rechtvaardigen als een vorm van harmoniserende en concorderende wetsuitleg: [19] de toepassing die het Hof aan de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid geeft, verkleint immers de afstand tussen (de letter van) art. 7A:1622 BW-BES en hetgeen elders binnen het Koninkrijk geldt.
3.17
Onderdeel 2richt zich tegen rechtsoverwegingen 3.8 en 3.17 tot en met 3.20 van het eindvonnis:
‘3.8 De factuur van 20 april 2020 [20] (3.1.17 tussenvonnis) zegt niets over hetgeen te bewijzen is opgedragen. Elektro Pro heeft alvast een bedrag aan meerwerk gefactureerd waarover partijen het eens waren. De aanduiding “term 1” maakte duidelijk dat Elektro Pro (wellicht) nog meer voor meerwerk zou factureren.
(…)
3.17
[Holding] heeft het verweer gevoerd dat zij er gerechtvaardigd op heeft vertrouwd dat na de factuur van 24 april 2020 geen verdere bedragen voor meerwerk in rekening zouden worden gebracht. Bij de beoordeling van dit verweer kan onder meer van belang zijn dat de omschrijving in de factuur van 24 april 2020 de aanduiding ‘term 1’ bevat.
3.18
Bij de bewijswaardering (zie hiervoor 3.8) is de betekenis van deze factuur reeds aan de orde gekomen. Hieruit volgt dat dit verweer van [Holding] faalt.
3.19
[Holding] heeft het verweer gevoerd dat zij er gerechtvaardigd op heeft vertrouwd dat Elektro Pro voor het meerwerk dezelfde eenheidsprijzen zou hanteren als in de overeenkomst.
3.2
[Holding] heeft onvoldoende gesteld om tot het oordeel te kunnen leiden dat haar eventuele vertrouwen dat Elektro Pro voor het meerwerk dezelfde eenheidsprijzen zou hanteren als in de overeenkomst, gerechtvaardigd was. Hierbij neemt het Hof in aanmerking dat de overeenkomst gebaseerd is op een offerte met een na onderhandelingen verlaagde prijs (zoals [bestuurder 2] in zijn e-mail van 2 april 2020, 16.17 uur vermeldt) en dat aannemelijk is dat de kostprijzen tussen 2017 en 2020 zijn gestegen.’
3.18
Subonderdeel 2.1klaagt over de verwerping door het Hof van het verweer van [Holding] dat zij er gerechtvaardigd op heeft vertrouwd dat na de factuur van 24 april 2020 geen verdere bedragen voor meerwerk in rekening zouden worden gebracht. Volgens de steller van het middel is het oordeel van het Hof onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd, wat zou volgen uit de volgende essentiële stellingen: [21]
a. De aanduiding ‘term 1’ is ook opgenomen op de meerwerklijst van [betrokkene 1] .
b. Per de datum van de meerwerklijst heeft Elektro Pro voor een bedrag van USD 27.740,17 aan meerwerk uitgevoerd en dit betreft ‘term 1’.
c. Na aftrek van een betaald voorschot en een korting resteert een nog te betalen saldo van USD 13.832,26, en dat is nu juist het bedrag door Elektro Pro aan [Holding] gefactureerd met de (door haar betaalde) factuur van 24 april 2020.
d. Het restant van het meerwerk (wat dan term 2 zou worden) is niet uitgevoerd.
e. Partijen zijn (stilzwijgend) overeengekomen dat Elektro Pro het laatste deel van dit meerwerk niet zou uitvoeren.
f. [Holding] was het onder (e) genoemde deel van het meerwerk dus ook niet verschuldigd.
g. Aan het feit dat Elektro Pro geen enkel voorbehoud gemaakt heeft bij de factuur van 24 april 2020 kon [Holding] het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat met de betaling van deze factuur ‘de kous af zou zijn’.
3.19
In het vonnis van het Hof blijft de juridische kwalificatie van het verweer van [Holding] in het midden. Ook het cassatiemiddel zegt daarover niets; hetzelfde geldt voor de schriftelijke toelichting van de zijde van Elektro Pro. Toch is die juridische kwalificatie mijns inziens van belang om de motivering van het Hof op waarde te kunnen schatten, als volgt.
3.2
Zou [Holding] er redelijkerwijs op hebben vertrouwd dat de factuur van 24 april 2020 de laatste was, dan kan aan dat vertrouwen recht worden gedaan, óf over de boeg van (schijn van) afstand van recht, óf over die van rechtsverwerking. Hoezeer ook de juridisch-dogmatische vormgeving van die beide rechtsgronden verschilt, zij hebben gemeen dat niet al te gemakkelijk behoort te worden aangenomen dat het desbetreffende recht teniet is gegaan. [22] Wat betreft afstand van recht volgt het uit de overweging dat de wil van een partij om in rechtspositie achteruit te gaan zonder dat daar iets tegenover staat, in het algemeen niet voor de hand ligt, zodat een vertrouwen op het bestaan van een zodanige wil niet spoedig ‘gerechtvaardigd’ zal kunnen zijn (art. 3:35 BW Pro; vergelijk ook art. 3:11 BW Pro). [23] Wat betreft rechtsverwerking volgt terughoudendheid eenvoudig uit de maatstaf van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 en Pro 6:248 lid 2 BW), waarvan rechtsverwerking immers een toepassing is.
3.21
In verband met het voorgaande behoren hogere eisen te worden gesteld aan de motivering van een oordeel dat afstand van recht is gedaan, dan aan een oordeel in tegengestelde zin. Mutatis mutandis geldt hetzelfde ten aanzien van oordelen met betrekking tot een beroep op rechtsverwerking.
3.22
Het Hof heeft het verweer van [Holding] dat zij redelijkerwijs erop heeft kunnen vertrouwen dat de factuur van 24 april 2020 de laatste was, verworpen. Die verwerping is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. De redengeving door het Hof in rechtsoverweging 3.8 volstond. Volgens het Hof is begrijpelijk dat Elektro Pro eerst een factuur verstuurd heeft met het bedrag waarover partijen het eens waren. De omschrijving ‘term 1’ maakte volgens het Hof duidelijk dat nog een nadere factuur zou kunnen volgen.
3.23
Teneinde de steller van het middel en diens cliënte het volle pond te geven, loop ik de vermeende essentiële stellingen zoals hiervoor ‎3.18 vermeld, nog even langs:
 Dat de vermelding van ‘term 1’ op de factuur óók kan worden gerelateerd aan de meerwerklijst van aan [betrokkene 1] , maakt nog niet onbegrijpelijk de overweging van het Hof dat die vermelding (ook) impliceert dat een nadere factuur zou kunnen volgen. (naar aanleiding van stellingen a en b)
 De stelling dat een korting is overeengekomen en dat na aftrek van een betaald voorschot een nog te betalen saldo van USD 13.832,26 resteerde, is ingenomen in het kader van het verweer van [Holding] dat door partijen op 27 maart 2020 overeenstemming over het meerwerk is bereikt. Van die stelling heeft het Hof aan [Holding] bij tussenvonnis bewijs opgedragen en bij eindvonnis heeft het Hof geoordeeld dat zij in die bewijsopdracht niet was geslaagd. Het Hof behoefde dat niet in het verband van het beroep van [Holding] op afstand van recht of rechtsverwerking te herhalen. (naar aanleiding van stelling c)
 Het betoog dat het restant van het meerwerk niet is uitgevoerd en dat partijen dat zouden zijn overeengekomen (geen prestatie, dus geen aanspraak op betaling) is van andere aard dan het verweer dat [Holding] er redelijkerwijs op zou hebben vertrouwd dat de factuur van 24 april 2020 de laatste was (aanspraak op betaling is tenietgegaan door afstand of rechtsverwerking). Aan de overtuigingskracht van de verwerping door het Hof van verweer A kan niet afdoen dat (beweerd) een verweer B is gevoerd. (naar aanleiding van stellingen d, e en f)
 De suggestie dat het ontbreken van een voorbehoud voor afstand van recht of rechtsverwerking voldoende is, is niet juist. Het tegendeel is waar. (naar aanleiding van stelling g)
3.24
Subonderdeel 2.2klaagt dat het door subonderdeel 2.1 bestreden oordeel te meer ontoereikend is gemotiveerd, omdat het Hof daarbij niet het verweer van [Holding] heeft betrokken dat zij er gerechtvaardigd op heeft vertrouwd dat Elektro Pro voor het meerwerk dezelfde eenheidsprijzen zou hanteren als in de overeenkomst. [Holding] heeft gesteld dat de factuur van 24 april 2020 is berekend conform dezelfde eenheidsprijzen als in de overeenkomst. Het Hof had het verweer van [Holding] dan ook moeten behandelen in het kader van de beoordeling of [Holding] er gerechtvaardigd op heeft vertrouwd dat na de factuur van 24 april 2020 geen verdere bedragen voor meerwerk zouden worden gefactureerd. Dit verweer heeft het Hof ten onrechte afzonderlijk behandeld in rechtsoverweging 3.19 en 3.20 van het eindvonnis.
3.25
In het verlengde van het vorige subonderdeel, falen ook deze klachten. Opnieuw brengt de steller van het middel twee verweren van [Holding] met elkaar in verband op een wijze die onnavolgbaar is – althans
voor mijis het onnavolgbaar. Het hanteren van de historische eenheidsprijzen van de oorspronkelijke opdracht op de eerste factuur met betrekking tot het meerwerk zou kúnnen bijdragen aan een vertrouwen bij [Holding] dat ook op volgende meerwerkfacturen die historische eenheidsprijzen zouden worden gehanteerd. Dat kan ik begrijpen. Maar wat heeft dat te maken met gerechtvaardigd vertrouwen in de zin van afstand van recht of rechtsverwerking? Dát verweer, als het zou slagen, zou immers aan
iederevervolgfactuur in de weg staan, óók een vervolgfactuur met diezelfde historische eenheidsprijzen. Mijns inziens heeft het Hof van elkaar te onderscheiden verweren, terecht met onderscheiding behandeld.
3.26
Ten overvloede nog het volgende. Het Hof overweegt dat begrijpelijk is dat Elektro Pro eerst een factuur heeft willen sturen voor het bedrag waarover partijen het eens waren, dus voor het bedrag dat [Holding] bereid was te betalen. Daarmee is, schijnt mij toe, meteen ook verklaard waarom op die factuur de eenheidsprijzen voorkomen waaraan [Holding] wenste vast te houden.
3.27
De voortbouwklachten van
subonderdelen 2.3 en 2.4behoeven geen bespreking.
3.28
Onderdeel 3richt zich tegen rechtsoverweging 3.21 van het eindvonnis:
‘3.21 Gebleken is dat de hoogte van de betaling voor het meerwerk niet door partijen is bepaald. Daarom is [Holding] het daarvoor op de gebruikelijke wijze berekende bedrag of, bij gebreke daarvan, een redelijk bedrag verschuldigd (art. 7:405 lid 2 BW Pro BES). Er is echter geen reden om aan te nemen dat dit minder is dan USD 24.761, zoals Elektro Pro in rekening heeft gebracht bij factuur [003] van 4 juni 2020/1 oktober 2020 (3.1.20 tussenvonnis).
3.29
Subonderdeel 3.1klaagt dat het oordeel van het Hof uit rechtsoverweging 3.21 onbegrijpelijk is, aangezien het Hof niet heeft gemotiveerd waarom er reden zou zijn om te beslissen dat het bedrag op de factuur van [003] het op de gebruikelijke wijze berekende bedrag of een redelijk bedrag in de zin van art. 7:405 lid 2 BW Pro-BES zou zijn. Bovendien was er reden om aan te nemen dat dit bedrag lager was dan USD 24.671 nu [Holding] uitgebreid heeft gesteld en onderbouwd dat zij slechts USD 13.832 verschuldigd was voor het meerwerk. Het subonderdeel verwijst hierbij naar subonderdeel 2.1 en 2.2.
3.3
Voor zover het subonderdeel voortbouwt op de subonderdelen 2.1 en 2.2 deelt het in het lot daarvan. Ook overigens treft het subonderdeel geen doel. Aan de motivering van het oordeel van de rechter omtrent wat een gebruikelijk of redelijk loon is, kunnen naar zijn aard geen hoge eisen worden gesteld. [24] Rechtsoverweging 3.21 moet worden gelezen in verband met rechtsoverweging 3.20 (hiervoor ‎3.27 aangehaald). Uit laatstbedoelde overweging blijkt dat het Hof erop heeft gelet dat de overeenkomst is gebaseerd op een offerte met een na onderhandelingen verlaagde prijs alsook op de ontwikkeling van het prijspeil (kostprijzen) sindsdien. Het gelukt mij niet in te zien waarom die motivering niet volstaat.
3.31
Subonderdeel 3.2klaagt dat het Hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden en/of een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft genomen. Elektro Pro heeft namelijk niet gesteld, laat staan voldoende onderbouwd, dat een bedrag van USD 24.671 zou gelden als het gebruikelijke loon of redelijke loon in de zin van art. 7:405 lid 2 BW Pro-BES.
3.32
De klachten van het subonderdeel missen feitelijke grondslag. Het Gerecht had in rechtsoverweging 4.2 van zijn tussenvonnis van 24 mei 2022 [25] er reeds op gewezen dat zo nodig een redelijke prijs voor het meerwerk moet worden bepaald. Ook het Hof heeft in zijn tussenvonnis daarop weer gewezen, namelijk in rechtsoverweging 3.12. Van een verrassingsbeslissing is evident geen sprake. Zowel in eerste aanleg [26] als in hoger beroep [27] heeft Elektro Pro het standpunt ingenomen dat, omdat niet opgaat de stelling van [Holding] dat op 27 maart 2020 overeenstemming over het meerwerk is bereikt, een redelijke prijs moet worden bepaald. Daarin ligt besloten dat Elektro Pro aan haar vordering tot betaling van factuur [003] (mede) ten grondslag legde dat de daarop vermelde bedragen redelijke prijzen zijn en dus kunnen gelden als een gebruikelijk of redelijk loon.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 15 oktober 2024, ECLI:NL:OGHACMB:2024:189, onder 3.1.1-3.1.25.
2.Water- en Energiebedrijf Bonaire N.V.,
3.Algemene bestedingsbelasting ofwel de omzetbelasting op Bonaire, vergelijkbaar met btw
4.De voornaam van [bestuurder 1] .
5.Aldus de vaststelling door het Hof. Ik lees op de factuur USD 24.761,54. Vergelijk de vordering van Elektro Pro en wat daarover in de volgende voetnoot wordt gezegd.
6.Dit bedrag lijkt mij te berusten op een rekenfout. De optelsom van USD 24.761,54 (factuur [003] ) en USD 8.775 (factuur [004] ) is USD 33.5
7.Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (zittingsplaats Bonaire) 24 mei 2022, registratienummer: BON202100087 (niet gepubliceerd).
8.Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (zittingsplaats Bonaire) 28 september 2022, registratienummer: BON202100087 (niet gepubliceerd).
9.Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 15 oktober 2024, ECLI:NL:OGHACMB:2024:189.
10.Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 6 mei 2025, ECLI:NL:OGHACMB:2025:102.
11.M.A. van Wijngaarden & M.A.B. Chao-Duivis,
12.Rb. Amsterdam 18 juni 1940,
13.W. Wedekind, ‘Aanneming van werk’, in: C.J. van Zeben (red.),
14.Zie paragraaf 36 lid 5 UAV 1989: ‘Bestekswijzigingen zullen de aannemer schriftelijk worden opgedragen. De aannemer kan genoegen nemen met een overeenkomstige aantekening in het dagboek of weekrapport, welke dan als schriftelijke opdracht zal worden aangemerkt. Het gemis van een schriftelijke opdracht of van een aantekening in het dagboek of weekrapport laat de aanspraken van de aannemer en van de opdrachtgever op verrekening van meer en minder werk onverlet.’
15.Gerecht in eerste aanleg van Aruba 13 mei 2020, ECLI:NL:OGEAA:2020:199, onder 4.5: oordeel van bindend adviescommissie dat mondelinge overeenstemming over het meerwerk in het gegeven geval volstond, is toereikend en begrijpelijk gemotiveerd en niet onaanvaardbaar. Gemeenschappelijk Hof 13 december 2016, ECLI:NL:OGHACMB:2016:155, onder 3.5: art. 7A:1622 BW (oud) heeft bescherming van de ondeskundige aanbesteder als ratio en de erin vervatte bewijsregel is bovendien niet van toepassing op werkzaamheden waarvan het duidelijk is dat deze niet in de prijs zijn begrepen; bij dat laatste is van belang of de opdrachtgever deskundige bijstand genoot.
16.Doet dit laatste zich voor, dan is het volgens HR 1 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:989, onder 3.1.3, aan de opdrachtgever om desgewenst zich met de aannemer te verstaan omtrent de omvang van de prijsverhoging en vervolgens te beslissen of hij de gewenste toevoegingen of veranderingen in het overeengekomen werk wil opdragen.
17.HR 5 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1845,
18.Zie Kamerstukken II, 2009-2010, 31954, nr. 7, p. 11-13.
19.J. de Boer,
20.Het Hof bedoelt klaarblijkelijk: 24 april 2020. Er is geen factuur van 20 april 2020.
21.Vindplaatsen in de procesinleiding in cassatie.
22.Eventueel kan men dat in verband brengen met art. 1 Eerste Pro protocol bij het EVRM.
23.MvA II,
24.Vergelijk HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG1680,
25.Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (zittingsplaats Bonaire) 24 mei 2022, registratienummer: BON202100087 (niet gepubliceerd), onder 4.2.
26.Akte uitlating voortprocederen contra enquête van Elektro Pro, 29 juni 2022, onder 11.
27.Pleitaantekeningen van de zijde van Elektro Pro, 19 september 2023, onder 11.