ECLI:NL:PHR:2026:572

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
24/04567
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10.2 lid 1 Wet milieubeheerArt. 359 lid 2 SvArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling voor opzettelijke overtreding milieuregels inzake afvalstorting

De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens het opzettelijk storten van bedrijfsafval op een locatie buiten een inrichting, in strijd met artikel 10.2 lid 1 van de Wet milieubeheer. De verdachte voerde in hoger beroep aan dat hij slechts matrassen had meegenomen die bij het grof vuil lagen en ontkende afval te hebben gestort. Tevens betwistte hij de betrouwbaarheid van de verklaring van de verbalisant en stelde dat de zoon die volgens de verbalisant aanwezig was, op school zat.

Het hof achtte het bewijs, waaronder het proces-verbaal van de verbalisant en de verklaring van de verdachte zelf, voldoende om de overtreding bewezen te verklaren. Het hof verwierp het verweer van de verdachte dat de verklaring van de verbalisant onbetrouwbaar was, ondanks dat het hof een formuleachtige motivering gaf.

In cassatie klaagde de verdachte dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het was afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde verweer over de betrouwbaarheid van de verbalisant. De Hoge Raad oordeelde dat het hof voldoende had gereageerd op het verweer en dat het middel faalde. De Hoge Raad bevestigde daarmee het arrest van het hof en verwierp het cassatieberoep.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor opzettelijke overtreding van de Wet milieubeheer blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/04567 E
Zitting30 juni 2026
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1951,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 13 december 2024 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden [1] wegens “overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan” veroordeeld tot een geldboete van € 300,00, subsidiair 6 dagen hechtenis.
1.2
Namens de verdachte heeft P. Bonthuis, advocaat in Haskerdijken, één middel van cassatie voorgesteld.

2.Het middel

2.1
Het middel bevat de klacht dat het hof heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging inzake de betrouwbaarheid van de verklaring van verbalisant [verbalisant 1] . Dit is in strijd met art. 359 lid 2 Sv Pro en brengt nietigheid met zich mee, aldus de steller van het middel.
2.2
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 29 november 2024 houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

Deverdachteverklaart -zakelijk weergegeven- als volgt:
Ik heb loodsen aan de [a-straat] , maar ik heb op 22 januari 2021 niets gestort op [b-straat] . Een collega had daarvoor daar met een bij [A] gehuurde bakwagen langsgereden. Hij had een stapeltje matrassen zien liggen bij de afvalhoop, een stuk of vier- vijf. Hij heeft twee of drie matrassen meegenomen. Ik stond er met mijn auto achter. Ik heb hem geholpen om de rommel van de matrassen af te halen. Er waren wat vieze maar ook een paar nette matrassen. Die nette matrassen hebben we gepakt. Er stond rommel, zoals verfpotten. Ik heb er geen afval neergelegd.
[b-straat] is direct om de hoek bij de [a-straat] . Mijn schoonzus woont boven mijn loods aan de [a-straat] , maar ik had daar niets verbouwd. [betrokkene 1] reed in de bakwagen. Hij vervoerde keukens en ik reed met mijn personenauto achter hem aan.
De melding dat ik afval stortte met mijn zwarte bus klopt niet, want ik reed niet met de zwarte bus. U houdt mij voor dat de verbalisant een donkere bus heeft gezien. Ik heb twee donkere bussen. De mensen in de buurt kennen mij en zien mij altijd in de donkere bus rijden. Overdag rijd ik altijd in een donkere bus, maar toen toevallig niet.
Wij hadden de bakwagen gehuurd voor de keuken bij [A] . Ik heb twee meubelzaken en wij doen alles met auto’s van [A] . We hebben die matrassen gebruikt voor de steun van de keukenonderdelen in de bakwagen.
Die verbalisanten komen altijd koffie drinken bij familie [...] . Er waren op dat moment geen verbalisanten in de buurt, alleen [betrokkene 2] stond buiten met een buurvrouw te praten. [betrokkene 2] is mij niet zo goed gezind.
Ik ken verbalisant [verbalisant 1] wel. Wij zijn niet tegen elkaar. Die dag heb ik hem niet fysiek gesproken. Wel had ik rond 15.00 uur telefonisch contact met hem. In het pand bij de loods is de laatste twintig jaar niets verbouwd. In de loods lagen veel materialen, maar die horen bij de keukens. Voor zover ik weet heeft ook niemand namens mij afval op [b-straat] gestort. Ik heb daar wel huurders zitten, maar overdag ben ik niet thuis. Ik weet niet of de huurders iets hebben gestort.
Devoorzitterdeelt mondeling mee de korte inhoud van de bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaringen van de getuigen [verbalisant 1] en [betrokkene 1] .
Verdachtereageert:
Wij hebben zelf geen bussen. Minimaal vijftig keer per jaar huren we een bus bij [A] .
We huren al jaren bij [A] . Ze hebben ons zien rommelen daar. Er zou ook een jongetje van vijf of zes jaar bij gezien zijn. Dat was niet mijn zoon, want die zat op school. Ik had niets in de bus. De bakwagen stond ervoor. We hebben wat spullen eraf gehaald, Want we hadden de matrassen nodig. We hebben er twee meegenomen. Er lagen verfpotten, een paar bussen met lijm en wat grondmateriaal op de matrassen. Het was een afvalberg. [betrokkene 1] wilde het laminaat meenemen. Dat hadden we ook ingeladen. Maar halverwege zei hij: ‘Laten we het toch maar weer terugleggen.’
U vraagt mij of iemand kan hebben gezien dat ik bij de afvalberg aan het rommelen was. De buurvrouw is mij niet goed gezind. Ik denk dat ze mij erbij wilde lappen.
Ja, als iemand mensen ziet rommelen en uitladen, kan diegene dan de indruk krijgen dat er iets wordt gestort. Maar wij waren aan het rommelen. We hadden die matrassen nodig om de keukens te beschermen. Het kan zijn dat [betrokkene 1] bij de raadsheer-commissaris niets heeft verklaard over het in- en uitladen van spullen. Maar dat laminaat hadden we op de zijkant gelegd omdat hij daar wel enthousiast over was. Het laminaat is uiteindelijk weer teruggelegd.
Verdachteverklaart naar aanleiding van vragen van de oudste raadsheer:
We zijn niet lang bezig geweest; tien minuten. We houden van hard werken en zijn heel handig. We weten precies hoe we het moeten aanpakken. We hebben de matrassen snel gekanteld, twee meegenomen en de rommel weer teruggelegd. U houdt mij voor dat in het proces-verbaal van overtreding staat dat de activiteiten al ruim vijftien minuten gaande waren, dat de bijzonder opsporingsambtenaren er naartoe gaan en dan twee personen bezig zien.
De verbalisant zat hoogstwaarschijnlijk koffie te drinken bij familie [...] . Er waren geen verbalisanten toen ik daar was. Er zijn die dag wel vier verbalisanten bij mij aan de deur geweest. Volgens mijn zwager waren ze daar rond elf uur.
Mijn schoonzus deed de deur open en zei dat er geklust werd. Er wordt geklust met keukens en karren. De loods is diep, vijfenveertig meter. Als je een keuken hebt, dan ben je aan het klussen. De onderdelen worden met karwagens naar buiten geduwd, want je kan niet met een bus de loods in. Ja, je kan er verschillende dingen onder ‘klussen’ verstaan. Het verhaal van verbalisant [verbalisant 1] klopt niet. Hij is een slimme man en zit er altijd bovenop als er iets aan de hand is. Ik ken [verbalisant 1] al heel lang. Hij is bij gewoon bij de familie [...] in huis geweest. Als hij mij had zien rommelen en daar spullen had zien neergooien, dan was hij er meteen op af gegaan. Maar ze kwamen pas rond elf uur bij mij aan de deur.
Verdachteverklaart naar aanleiding van vragen van de jongste raadseer:
[betrokkene 1] heeft een wit busje, maar hij reed op dat moment in een witte bakwagen van [A] , met reclame van [A] erop. Dat is geen bus. Ik reed erachter met een personenauto. Ik reed toen niet met een zwarte bus. Iedereen kent mij niet anders dan met een zwarte bus. Maar toen reed ik toevallig in een personenauto.
Deadvocaat-generaaldeelt mee dat het lijkt alsof er twee momenten zijn geweest en vraagt verdachte of hij eerder die ochtend wel in een zwarte bus heeft gereden.
Verdachtereageert:.
Nee, ik heb eerder die ochtend niet in een zwarte bus gereden. [betrokkene 1] kwam bij mij aan de deur. Ik ben meegereden naar de loods. [betrokkene 1] is doorgereden, Ik heb mijn auto uit de garage gehaald en ben erachteraan gereden. Er staan meerdere auto’s in de garage en misschien heb ik wel wat buiten de deur moeten zetten. [betrokkene 2] en [betrokkene 3] zouden dat gezien kunnen hebben.
Ik weet niet of ik telefonisch heb gesproken met de verbalisant. Hij kwam wel om 11 uur aan de deur. Mijn zwager was er toen. Ik heb wel een telefoontje gehad van [verbalisant 1] . Ik weet niet meer waarover toen is gesproken. We hebben het wel over de matrassen gehad. Op de terugreis hebben we de matrassen weer op dezelfde plek gedumpt. Dat was rond die tijd of wat eerder. We hebben die dag twee keer gereden. Ik weet niet meer of ik [verbalisant 1] toen al gesproken had. Maar dat was niet de reden waarvoor hij belde.
Verdachteverklaart naar aanleiding van vragen van de raadsman:
Wanneer ik in de gaten had dat het niet alleen om matrassen maar om het storten van afval ging? Ik had eigenlijk niets in de gaten. Ze kwamen aan de deur en mijn zwager deed open. Ik zou afval gedumpt hebben, werd hem verteld. Mijn zwager wist wel dat ik nooit afval dumpte. In de [a-straat] heb ik zelfs containers van [B] staan voor afval.”
2.3
Blijkens het voornoemde proces-verbaal heeft de raadsman van de verdachte verweer gevoerd aan de hand van een op schrift gestelde aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze houdt, voor zover hier relevant, het volgende in:

1. Mijn cliënt geeft aan dat [betrokkene 1] op 22 januari 2021, aan [b-straat] , een aantal matrassen heeft gepakt van de grond. Die matrassen lagen langs de weg om als grof vuil door [B] te worden opgehaald. Dat 22 januari 2021 inderdaad een afhaaldag voor grof vuil betrof, blijkt overigens uit de afvalkalender 2021 van [B] die ik in eerste aanleg aan de politierechter heb overhandigd.
2. [betrokkene 1] , die samen met mijn cliënt bezig was met het vervoeren van keukenonderdelen naar [plaats] , dacht die matrassen te kunnen gebruiken om te voorkomen dat de keukenelementen in de bus tegen elkaar aan zouden bewegen. Omdat twee matrassen uiteindelijk te vies bleken, heeft [betrokkene 1] die weer bij de afvalstapel teruggeplaatst. Mijn cliënt stond erbij toen dit gebeurde, Na het terugplaatsen van de matrassen zijn mijn cliënt en [betrokkene 1] in twee verschillende auto’s naar [plaats] gereden.
3. Bij het vaststellen van de feiten ten behoeve deze zaak, verzoek ik u uit te gaan van de juistheid van deze verklaring van mijn cliënt. In de eerste plaats omdat de verklaring van mijn cliënt wordt bevestigd door [betrokkene 1] . Zowel in een eerdere verklaring die aan het verzetschrift is gevoegd, als tijdens het getuigenverhoor bij de Raadsheer-Commissaris.
4. Tijdens het getuigenverhoor gaf [betrokkene 1] onder andere aan dat hij reed in een witte bus van [C] , dat hij om de hoek matrassen zag liggen, op een plek waar een keer in de maand afval wordt gestort, dat hij twee matrassen heeft ingeladen en vervolgens is doorgereden. Mijn cliënt is later bij die stortplek gekomen, in zijn eigen auto. [betrokkene 1] sloot het getuigenverhoor af met de voIgende opmerking:
"Ik durf mijn vingers in de lucht te steken dat hij daar geen spullen op zo'n afvalberg gooit.''
5. In de tweede plaats verzoek ik u van de juistheid van de verklaring van mijn cliënt uit te gaan omdat het proces-verbaal dat is opgesteld door verbalisant [verbalisant 1] , minimaal of beperkt is. Niet alleen omdat een tweede verbalisant, [verbalisant 2] , het proces-verbaal niet heeft.
6. Er is geen melding, er zijn geen verklaringen van getuigen opgesteld door de verbalisant, zoals van de melders, en er zijn geen foto's of filmpjes aanwezig in het proces-verbaal. Geen foto's of filmpjes van mijn cliënt die afvalstoffen aan het storten zou zijn geweest en ook niet van de afvalstoffen die zich langs de kant van de weg zouden hebben bevonden. Terwijl de verbalisant als getuige bij de Raadsheer-Commissaris heeft verklaard dat hij foto’s heeft gemaakt, althans dat was de gebruikelijke werkwijze.
7. Bij de informatie die zich wel in het proces-verbaal bevindt, zijn vervolgens in de derde plaats de nodige vraagtekens te plaatsen. Zo leid ik uit het proces-verbaal af dat de verbalisant zelf om 10.56 uur zou hebben geconstateerd dat mijn cliënt, samen met zijn zoon, afvalstoffen aan het storten was. Vervolgens zou de verbalisant hebben gezien dat mijn cliënt met een donkere bestelbus in de richting van de [a-straat] is gereden. Dat is de straat waaraan het bedrijfspand van mijn cliënt is gelegen.
8. Het is mij niet duidelijk geworden waarom de verbalisant mijn cliënt niet meteen heeft aangesproken, toen mijn cliënt aan het storten zou zijn geweest. In plaats van meteen aanspreken, is de verbalisant pas 24 minuten later naar het bedrijfspand van mijn cliënt, dat zich dichtbij de locatie van het afval bevindt, gegaan. Opvallend is dan dat mijn cliënt niet bij zijn bedrijfsloods is aangetroffen door de verbalisant. En die omstandigheid lijkt steun te bieden aan de verklaring van mijn cliënt dat hij, samen met [betrokkene 1] , richting [plaats] is gereden.
9. Ook mijn cliënt, die volgens het proces-verbaal staande zou zijn gehouden, hetgeen niet is gebeurd, stelt dat hij niet tegen de verbalisant heeft gezegd dat hij de afvalstoffen netjes had aangeboden op het trottoir. Een dergelijke opmerking strookt ook niet met wat namens mijn cliënt is aangegeven in het verzetschrift. Had mijn cliënt die dag wel met de verbalisant gesproken, dan zou hij in zijn verzetschrift ook zijn ingegaan op het verwijt dat hem concreet werd gemaakt, zoals dat nu blijkt uit het proces-verbaal. Mijn cliënt was echter, tot hij na het indienen van verzet het proces-verbaal onder ogen kreeg, steeds in de veronderstelling dat het ging om de matrassen, die dus van de grond waren gepakt en deels terug waren gelegd.
10. Verder heeft mijn cliënt op 22 januari 2021 niet in een donkere bus gereden. Hij had voor het vervoer een bus gehuurd bij het bedrijf [A] in [plaats] . Die bussen zijn wit of licht van kleur. De zoon van mijn cliënt, die op dat moment 9 jaren oud was, is verder leerplichtig. De zoon van mijn cliënt was die ochtend volgens mijn cliënt op school en niet bij mijn cliënt. Bovendien zou mijn cliënt, als zijn zoon al wel bij hem zou zijn geweest, geen grof vuil door zijn zoon laten storten.
11. Dat de verbalisant het heeft over twee personen, strookt overigens niet met de melding die eerder die ochtend is gedaan. Volgens de melding was alleen mijn cliënt aan het storten, niet twee personen. De verbalisant heeft echter kenbaar gemaakt dat hij twee personen heeft gezien. Hij verbaliseert daarover:
“Wij, verbalisanten, reden [b-straat] op en zagen twee personen, later ons bekend als [verdachte] en zijn zoon, afvalstoffen op het trottoir stortte." Opvallend is daarbij de passage “later ons bekend". Uit het proces-verbaal volgt op geen enkele manier hoe en op welke wijze ‘later’ mijn cliënt en zijn zoon aan de verbalisant bekend is geworden.
12. De verbalisant heeft mijn cliënt in ieder geval niet in persoon gesproken en ik kan uit het proces-verbaal niet opmaken dat de verbalisant op enig moment een foto van mijn cliënt of zijn zoon onder ogen heeft gekregen. Ook maak ik uit het proces-verbaal niet op dat de verbalisant, nadat hij ter plaatse was gekomen, contact heeft gehad met de melder. Zodat de melder heeft kunnen bevestigen dat het mijn cliënt was die op dat moment aan het storten was.
13. Om die reden, en omdat het aangetroffen en beschreven afval niet tot de onderneming van mijn cliënt kan worden herleid, kan volgens mij niet worden uitgesloten dat de verbalisant, waarvan ook niet duidelijk is hoe ver hij van de twee personen stond en hoe lang hij die twee personen heeft gezien, andere personen heeft gezien die om 10.56 uur afval aan het storten waren. Mogelijk is dat ook de reden waarom het verslag van de verbalisant zo uiteenloopt met het verzetschrift van mijn cliënt.
14. Mijn cliënt vermoedt dat [betrokkene 2] , de achterbuurvrouw met wie mijn cliënt sterk in onmin leeft vanwege juridische geschillen, mijn cliënt en [betrokkene 1] om 9.40 uur bezig heeft gezien met de matrassen die langs de weg lagen. Dat gaf [betrokkene 2] een kans om mijn cliënt dwars te zitten en zij maakte daar een melding van, zonder daarbij overigens te melden welke afvalstoffen werden gestort. Vervolgens, een uur en 16 minuten later, kwam de verbalisant ter plaatse. Hij zag daar twee mannen waarvan hij, op basis van de melding, vermoedde dat het om mijn cliënt en (om onbegrijpelijke redenen) om de zoon van mijn cliënt ging.
15. Dat mijn cliënt om 10.56 uur nog steeds bezig zou zijn geweest met het storten van afval komt mij dan ook niet logisch voor als wordt gelet op de hoeveelheid afval die de verbalisant, nadat hij ter plaatse kwam, langs de kant van de weg zegt te hebben getroffen. Het lijkt mij namelijk niet dat mijn cliënt ongeveer vanaf 9.30 uur (een kwartier voor de melding) tot 11.00 uur, dus ongeveer anderhalf uur nodig zou hebben gehad om, ook nog met twee personen, 2 m2 afval langs de kant van de weg te zetten.
16. In de tijd tussen de melding en het ter plaatse komen door de verbalisant, een uur en 16 minuten, is er overigens voor anderen wel ruimschoots de gelegenheid geweest om de twee matrassen die [betrokkene 1] had achtergelaten, mee te nemen. Dat komt vaker voor, dat voorwerpen tussen het grof vuil worden weggenomen. Vandaar dat de verbalisant mogelijk geen matrassen heeft getroffen tussen het afval.
17. Mede om die reden verzoek ik u bij de boordeling van deze zaak nogmaals uit te gaan van de verklaringen van mijn cliënt en [betrokkene 1] en om mijn cliënt vrij te spreken van de tenlastelegging. Er is namelijk onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat mijn cliënt zich op 22 januari 2021 heeft ontdaan van de in de tenlastelegging genoemde afvalstoffen.
2.4
Het hof is afgeweken van het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging en heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

hij op 22 januari 2021 te [plaats] , opzettelijk, zich van afvalstoffen, te weten vijf houten platen, ongeveer 35 houten planken, papier, karton, een kunststof kap van ongeveer 2 meter, meerdere glazen TL-buis/TL-buizen en een lekkende jerrycan met anti-slip fixeermiddel, heeft ontdaan door deze - al dan niet in verpakking - buiten een inrichting te storten”.
2.5
De bewezenverklaring is gebaseerd op de volgende bewijsmiddelen:

1. Een proces-verbaal overtreding van de Gemeente [plaats] , bonnummer [...] , overtredingsnummer [...] , zaaknummer [...], op 27 mei 2021 op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 1] , boa domein openbare ruimte, Gemeente [plaats] , zakelijk weergegeven inhoudende:
Als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
Overtredingsgegevens / waarneming
Datum: 22-01-2021
Omstreeks: 10.56 uur
Plaats: [plaats]
Locatie: [b-straat] , trottoir doorgaande weg
Ik kreeg omstreeks 09:40 uur een melding over een heterdaad afvaldumping. Ik nam hierop contact op met de melders/getuigen, [betrokkene 3] en [betrokkene 2] . Melders verklaarden dat een manspersoon, hun bekend als [verdachte] , afvalstoffen vanuit een zwarte bus op het trottoir stortte. Melder [betrokkene 3] verklaarde dat deze activiteiten al ruim 15 minuten lang gaande waren en dat de afvalstoffen afkomstig Waren uit de bedrijfsloods van verdachte [verdachte] , gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] (circa 100 meter verwijderd van [b-straat] ). Ik reed [b-straat] op en zag twee personen, later ons bekend als [verdachte] en zijn zoon, afvalstoffen op het trottoir stortten. Wij zagen dat verdachte [verdachte] hierop met de donkere bestelbus terug richting de [a-straat] reed. Ik controleerde via afvalinzamelaar [B] of verdachte [verdachte] een afspraak had gemaakt voor het aanbieden van afvalstoffen. [B] gaf aan dat dit bedrijfsafvalstoffen betroffen en dat er geen afspraak was én tevens de afvalstoffen niet mochten worden aangeboden via [B] . Ik zag dat de gestorte hoeveelheid afvalstoffen circa 2m3 betrof.
Deze bedrijfsafvalstoffen bestonden uit:
-5 houten platen
-Circa 35 planken hout
-Papier
-Karton
-kunststof kap van circa 2 meter
2 kartonnen kokers
12 glazen TL-buizen
1 lekkende jerrycan Anti-Slip fixeermiddel.
Omstreeks 11:20 uur was ik ter plaatse bij de bedrijfsloods van verdachte [verdachte] , gelegen aan de [a-straat 1] .
Omstreeks 15:00 uur kreeg ik contact met verdachte [verdachte] . Verdachte verklaarde dat de loods werd verbouwd en dat hij de afvalstoffen had aangeboden op het trottoir gelegen aan de [b-straat] .
2. De verklaring van verdachte, afgelegd ter zitting van het hof, zakelijk weergegeven inhoudende:
Ik heb loodsen aan de [a-straat] . [b-straat] is direct om de hoek bij de [a-straat] . Volgens mijn zwager waren de verbalisanten rond 11 uur ter plaatse. Ik had rond 15.00 uur telefonisch contact met [verbalisant 1] .
Misschien heb ik wat buiten de deur moeten zetten. [betrokkene 3] en [betrokkene 2] zouden dat hebben kunnen zien. We hebben die dag twee keer gereden.”
2.6
In verband met het door de verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak heeft het hof het volgende overwogen:

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de hierna opgenomen bewijsmiddelen. Het hof ziet in hetgeen door de verdediging is aangevoerd geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van [verbalisant 1] te twijfelen.”
2.7
Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat de feitenrechter bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van bewijsmateriaal een grote mate van vrijheid geniet. In beginsel hoeft hij de selectie en waardering daarvan niet te motiveren. Enkel als door of namens de verdachte een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt wordt ingenomen omtrent de betrouwbaarheid van een bepaald bewijsstuk, zal de rechter, indien hij van dit standpunt afwijkt, daarop moeten responderen. [2]
2.5
Indien in cassatie, zoals in de onderhavige zaak het geval is, wordt geklaagd dat het hof heeft verzuimd, te responderen op een door of namens de verdachte ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, moet om te beginnen worden beoordeeld of hetgeen door of namens de verdachte is aangevoerd, kan worden aangemerkt als een duidelijk standpunt door argumenten geschaard en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie. [3] Voor betrouwbaarheidsverweren is hierbij van belang dat een zware stelplicht geldt. [4] Niet elke opmerking die aan de betrouwbaarheid van een getuigenverklaring raakt, kan namelijk worden aangemerkt als een responsieplichtig verweer. Zo is bijvoorbeeld het in twijfel trekken van de motieven van een aangeefster om aangifte te doen, zonder dat haar verklaring inhoudelijk wordt aangevallen onvoldoende om de drempel van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt te passeren. [5] Wel is voldoende als door de verdediging expliciet wordt gewezen op inconsistenties en feitelijke onjuistheden in de getuigenverklaring of wanneer het verweer met objectieve gegevens uit het dossier wordt ondersteund. [6]
2.6
Als hetgeen door de verdediging is aangevoerd bezwaarlijk anders kan worden aangemerkt dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het de feitenrechter naar voren is gebracht, moet vervolgens worden beoordeeld of de feitenrechter in afdoende mate heeft gerespondeerd op het standpunt. De inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten bepalen hoe ver de motiveringsplicht van de rechter strekt. Niet op ieder detail hoeft namelijk te worden ingegaan en het is zelfs denkbaar dat de nadere motivering besloten ligt in de door de feitenrechter gebezigde bewijsmiddelen. [7] In dit verband verdient opmerking dat de Hoge Raad geen al te hoge eisen lijkt te stellen aan de verwerping van betrouwbaarheidsverweren. Enkel het geheel niet responderen op een dergelijk verweer [8] of het volstaan met de formuleachtige overweging dat er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, terwijl ook uit de gebezigde bewijsmiddelen niet blijkt waarom het verweer niet opgaat, kan tot cassatie leiden. [9]
2.7
Wat betekent dit nu voor de onderhavige zaak? In de eerste plaats moet worden beoordeeld of hetgeen door en namens de verdachte is aangevoerd, kan worden aangemerkt als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inzake de betrouwbaarheid van de verklaring van verbalisant [verbalisant 1] . Blijkens het proces-verbaal van de zitting heeft de verdachte het tenlastegelegde betwist door in de kern aan te voeren dat:
- hij geen afval heeft gedumpt, maar enkel een collega heeft geholpen om een aantal matrassen die bij de afvalberg lagen, mee te nemen (ik begrijp om de keukenonderdelen die de verdachte en zijn collega vervoerden van steun te voorzien);
- hij die dag niet in een donkere/zwarte bus heeft gereden;
- het niet kan dat de verbalisant de zoon van de verdachte heeft gezien, omdat die op dat moment op school zat;
- [betrokkene 2] hem slecht gezind was en hem erbij wilde lappen;
- dat [verbalisant 1] , indien hij de verdachte werkelijk had zien rommelen en spullen had zien neergooien op de plaats delict, er meteen op af zou zijn gegaan.
2.8
Zijn raadsman heeft blijkens de aan het proces-verbaal gehechte ter terechtzitting voorgedragen pleitnotities het hof verzocht om van de verklaringen van de verdachte, die volgens hem steun vinden in de bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring van getuige [betrokkene 1] , uit te gaan en de verdachte vrij te spreken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. In aanvulling op de door de verdachte aangedragen punten heeft hij daartoe aangevoerd dat:
- de verklaring van [verbalisant 1] minimaal of beperkt is, er is namelijk geen melding (ik begrijp van [betrokkene 2] ), er zijn geen andere getuigenverklaringen zoals van melders, er zijn geen foto’s of filmpjes van de afvalstoffen of het storten aanwezig ondanks dat [verbalisant 1] bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij foto’s heeft gemaakt, althans dat dit gebruikelijk was;
- de melding het heeft over een persoon die afval dumpt, terwijl [verbalisant 1] ter plaatse twee personen afval zag dumpen;
- het niet duidelijk is hoe [verbalisant 1] tot het oordeel is gekomen dat de verdachte, samen met zijn zoon, afvalstoffen aan het storten was;
- het onduidelijk blijft waarom [verbalisant 1] de verdachte niet meteen heeft aangesproken;
- het niet blijkt dat [verbalisant 1] contact heeft gezocht met de melder, zodat die zou hebben kunnen bevestigen dat het inderdaad de verdachte was die afval aan het storten was;
- de verdachte niet tegen [verbalisant 1] heeft gezegd dat hij afvalstoffen heeft gedumpt;
- de melder [betrokkene 2] sterk in onmin leeft met de verdachte vanwege juridische geschillen;
- het gezien de hoeveelheid gestort afval niet logisch is dat de verdachte anderhalf uur (vanaf ongeveer 9.30 uur tot 11.00 uur) nodig zou hebben gehad om het afval te dumpen en het dus waarschijnlijk is dat de verdachte en zijn collega enkel om half tien de matrassen hebben weggehaald en [verbalisant 1] rond 11.00 uur iemand anders heeft gezien.
2.9
Het hof heeft overwogen dat het van oordeel is dat het door de verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de opgenomen bewijsmiddelen en dat het in hetgeen door de verdediging is aangevoerd geen reden ziet om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van [verbalisant 1] te twijfelen. Het hof heeft hetgeen door de verdediging is aangevoerd dus kennelijk opgevat als een responsieplichtig verweer betreffende de betrouwbaarheid van het proces-verbaal van [verbalisant 1] . Uitgaande van deze uitleg van het verweer, dient vervolgens te worden beoordeeld of de feitenrechter in afdoende mate heeft gerespondeerd op het standpunt omtrent de betrouwbaarheid van de verklaring van [verbalisant 1] .
2.1
Uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen volgt dat [verbalisant 1] – kort gezegd – :
- om 9.40 uur ’s ochtends op 22 januari 2021 een melding heeft gekregen over een heterdaad afvaldumping;
- vervolgens contact heeft opgenomen met de melders, [betrokkene 3] en [betrokkene 2] , van wie de eerstgenoemde toen heeft verklaard dat de verdachte afvalstoffen vanuit een zwarte bus stortte, dat deze activiteiten al ruim 15 minuten bezig waren en dat de afvalstoffen afkomstig waren uit de bedrijfsloods van de verdachte gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] (ongeveer 100m verwijderd van [b-straat] );
- naar [b-straat] is gereden waar hij omstreeks 10.56 uur heeft gezien dat twee personen, die hem later bekend zijn geworden als de verdachte en zijn zoon, afvalstoffen op het trottoir bij [b-straat] hebben gestort;
- vervolgens heeft gewacht en heeft gezien dat de verdachte met een donkere bestelbus richting de [a-straat] reed;
- toen heeft gecontroleerd of afvalinzamelaar [B] een afspraak had met de verdachte om afvalstoffen op te halen, hetgeen niet het geval was;
- vervolgens heeft geconstateerd dat de gestorte afvalstof (ongeveer 2 kubieke meter) bestond uit 5 houten platen, ongeveer 35 planken houten, papier, karton, een kunststof kap van ongeveer 2 meter, 2 kartonnen kokers, 12 glazen TL-buizen en 1 lekkende jerrycan anti-slip fixeermiddel;
- omstreeks 11.20 uur ter plaatse was bij de bedrijfsloods van de verdachte en
- rond 15.00 uur (kennelijk telefonisch, zo leid ik af uit het tweede bewijsmiddel) contact heeft gehad met de verdachte, die heeft verklaard dat de loods werd verbouwd en dat hij de afvalstoffen had aangeboden op het trottoir gelegen aan [b-straat] .
2.11
Daarnaast heeft het hof tot het bewijs gebezigd de verklaring van de verdachte die hij op de terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd, inhoudende dat hij loodsen aan de [a-straat] heeft, dat [b-straat] direct om de hoek is, dat volgens zijn zwager de verbalisant (kennelijk [verbalisant 1] ) om 11 uur ter plaatse was en de verdachte rond 15.00 uur telefonisch met hem gesproken heeft. Verder heeft de verdachte verklaard dat hij misschien wat buiten de deur heeft moeten zetten en dat [betrokkene 3] en [betrokkene 2] dat gezien zouden kunnen hebben. Tot slot heeft hij verklaard dat “wij” die dag twee keer hebben gereden.
2.12
Hoewel het hof een formuleachtige overweging heeft gebruikt voor de verwerping van het betrouwbaarheidsverweer, heeft het hof, gezien hetgeen onder 2.6 van deze conclusie is opgemerkt en de door het hof voor het bewijs gebruikte bewijsmiddelen, voldoende gemotiveerd waarom het, anders dan de verdediging, de verklaring van [verbalisant 1] tot uitgangspunt neemt en tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde komt. Uit de voor het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte blijkt immers dat “hij misschien wat buiten de deur heeft moeten zetten en dat [betrokkene 3] en [betrokkene 2] dat gezien zouden kunnen hebben”. Tot een nadere motivering was het hof, in het licht van de indringendheid van de aangevoerde argumenten, mijns inziens niet gehouden. Dat het hof kennelijk geen aanleiding heeft gezien om in te gaan op de stelling van de verdachte dat het niet kan dat de verbalisant de zoon van de verdachte heeft gezien, omdat die op dat moment op school zat, verbaast tegen de achtergrond van de tenlastelegging niet. Verder mag het als een feit van algemene bekendheid worden beschouwd dat ten tijde van het tenlastegelegde de basisscholen vanwege corona gesloten waren. Tot slot merk ik nog op dat door de verbalisant geen vuile matrassen zijn aangetroffen in de stapel afval, terwijl door de verdediging in het kader van het door hen gepresenteerde alternatieve scenario is aangevoerd dat de verdachte en [betrokkene 1] vuile matrassen hebben teruggelegd. Kennelijk is het hof ervan uitgegaan dat dit de andere van de twee ritten van de verdachte op die dag betrof.
2.13
Het middel faalt.

3.Slotsom

3.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
3.2
Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Parketnummer 21-001181-23.
2.HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:413,
3.HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130,
4.A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers,
5.Zie HR 21 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:683 (HR; art. 81 RO Pro).
6.Vgl. HR 15 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1485
7.HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130
8.HR 15 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1485, r.o. 2.2.3 en 2.3.
9.HR 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:848,