ECLI:NL:PHR:2026:592

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
24/00367
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 273f SrArt. 6:106 BWArt. 6 EVRMArt. 81 lid 1 ROArt. 361 lid 4 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen mensenhandel met toewijzing schadevergoeding slachtoffer

De verdachte is door het gerechtshof veroordeeld voor medeplegen van mensenhandel, waarbij zij samen met een medeverdachte het slachtoffer dwong tot seksuele uitbuiting en mishandeling.

Het hof baseerde zijn oordeel op verklaringen van het slachtoffer, getuigenverklaringen, financieel onderzoek en bewijs van dwangmiddelen en uitbuiting. De verdachte bood onderdak, stelde het werk voor en profiteerde van de inkomsten. De verdediging voerde aan dat de verdachte slechts een faciliterende rol had, maar dit werd verworpen.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof de bewezenverklaring en het medeplegen voldoende heeft gemotiveerd en dat het gebruik van schakelbewijs niet onjuist is toegepast. De vordering van het slachtoffer tot schadevergoeding wordt deels toegewezen, waarbij het hof een forfaitair bedrag aan materiële en immateriële schade vaststelde. De Hoge Raad matigt de schadevergoeding met €100 wegens een niet-verrekend bedrag.

Ambtshalve wordt een overschrijding van de redelijke termijn vastgesteld, wat leidt tot strafvermindering. De zaak wordt niet terugverwezen, de Hoge Raad doet zelf uitspraak over de matiging van de schadevergoeding en strafduur.

Uitkomst: De verdachte wordt veroordeeld voor medeplegen van mensenhandel, met een gevangenisstraf van drie jaar verminderd wegens termijnoverschrijding en een schadevergoeding aan het slachtoffer van €21.490.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/00367
Zitting16 juni 2026
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de verdachte

1.Het cassatieberoep

1.1
De verdachte is bij arrest van 26 januari 2024 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-000376-22) wegens – kort gezegd – medeplegen van mensenhandel [1] (feiten 1 en 2) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast is aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd, bestaande uit een contactverbod met beide aangeefsters. Tot slot heeft het hof beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen en over het beslag.
1.2
Er bestaat samenhang met de (ontnemings)zaak 24/00368. In die zaak concludeer ik vandaag ook.
1.3
Het cassatieberoep is op 6 februari 2024 ingesteld namens de verdachte. L.E.G. van der Hut, advocaat in Den Haag, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel is gericht tegen (de motivering van) het bewezen verklaarde medeplegen van feit 1. In het tweede middel wordt geklaagd over de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] (feit 1) en de in verband daarmee opgelegde schadevergoedingsmaatregel.
1.4
Deze conclusie leidt tot de slotsom dat het eerste middel faalt en het tweede middel (deels) slaagt. Terugwijzing is niet aan de orde.

2.De bewezenverklaring en de bewijsvoering

2.1
Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

1.in de periode van 1 februari 2020 tot en met 31 mei 2020 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, een ander, genaamd [slachtoffer] , met één of meer van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273f Wetboek van Strafrecht genoemde middelen, te weten door dwang en/of geweld en/of een andere feitelijkheid en/of dreiging met geweld of een andere feitelijkheid en/of misleiding, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie,
-
heeft geworven en gehuisvest met het oogmerk van uitbuiting (sub 1), en/of
-
heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele en criminele aard (sub 4), en/of
-
heeft gedwongen of bewogen haar, verdachte, en/of haar mededader te bevoordelen uit de opbrengst van seksuele handelingen van die [slachtoffer] met of voor een derde tegen betaling (sub 9), en/of
-
opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer] (sub 6),
waarbij dat geweld of een andere feitelijkheid en/of die dreiging met geweld of een andere feitelijkheid heeft/hebben bestaan uit:
-
het mishandelen van die [slachtoffer] (onder andere door die [slachtoffer] te slaan, te schoppen, en/of haar keel dicht te knijpen en/of sigaretten op de arm van die [slachtoffer] uit te drukken), en/of
-
het zich op boze en/of agressieve en/of (anderszins) dreigende en/of overheersende en/of denigrerende toon/wijze te uiten tegen die [slachtoffer] ;
-
het brengen en/of houden van die [slachtoffer] in een positie waar zij afhankelijk van verdachte en/of haar mededader was voor het hebben van onderdak en/of
-
het brengen en/of houden van die [slachtoffer] in een positie waar zij niet over haar inkomsten kon beschikken en/of
-
het zeggen tegen die [slachtoffer] dat zij haar schuld bij haar, verdachte, moest aflossen en daarvoor arbeid moest verrichten van seksuele aard en/of
-
het dwingen van die [slachtoffer] om de opbrengsten uit de prostitutiewerkzaamheden aan haar, verdachte, en/of haar mededader af te dragen en/of
-
het onder controle honden van die [slachtoffer] , waardoor het voor die [slachtoffer] werd bemoeilijkt zich aan die controle te onttrekken en/of
-
het innemen en/of hij zich houden van de bankpas van die [slachtoffer] , waardoor die [slachtoffer] hier zelf niet over kon beschikken;
en/of waarbij voornoemde (onder sub 4) "enige handeling" heeft bestaan uit:
-
het aangaan en/of onderhouden van een liefdesrelatie en/of seksuele relatie met die [slachtoffer] en/of
-
het laten verblijven van die [slachtoffer] in de woning van haar, verdachte, en haar mededader en/of
-
het voorstellen aan die [slachtoffer] om prostitutiewerk te gaan doen en/of
-
het maken van foto's voor advertenties op één of meer website(s) waarin die [slachtoffer] werd aangeboden voor prostitutiewerkzaamheden en/of
-
het onderhouden van contacten met en/of het maken van afspraken met (potentiële) (prostitutie)klant(en) voor die [slachtoffer] en/of het maken van afspraken met die (potentiële) klant(en) over de aard van de prostitutiewerkzaamheden en/of de daarvoor te betalen bedragen en/of
-
het bepalen met welke klanten die [slachtoffer] af moest spreken, ook wanneer die [slachtoffer] dat niet wilde en/of
-
het bepalen of die [slachtoffer] prostitutiewerkzaamheden met of zonder condoom moest verrichten en/of
-
het bepalen dat die [slachtoffer] een bepaald minimumbedrag per dag en/of week moest verdienen en/of
-
het bepalen dat die [slachtoffer] goederen (onder andere boodschappen) moest gaan stelen;”
2.2
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen: [2]
1.
Het proces-verbaal van aangifte d.d. 10 september 2020 (…), voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [slachtoffer] ;
Sinds ik naar [medeverdachte]
(het hof begrijpt hier: medeverdachte)ging heb ik mijn moeder 10 maanden geblokkeerd omdat [medeverdachte] , ik noem [medeverdachte] , dat van me vroeg. Dat was in de periode van begin juli 2019 tot aan juni 2020.
Mijn moeder belde me dat ze me liet uitschrijven. Ik had ruzie over de telefoon. [medeverdachte] pakte de telefoon van mij over en zei tegen mijn moeder dat ze me niet zo moest lastigvallen. Ze bleef rustig aan de telefoon met mijn moeder. Toen mijn moeder oplegde blokkeerde [medeverdachte] mijn moeder op mijn telefoon. Toen ik daar iets van zei, zei [medeverdachte] dat ik moest kiezen, bij haar blijven of terug naar mijn moeder. Ze accepteerde niet dat ik weer contact opnam met mijn moeder. Ze zei ook: "Waag het eens om bij me weg te gaan". Ze zei dat ze me het ziekenhuis in zou slaan zodat ik niets meer kon. Ze zei dat als je de deur uitloopt en bij me weggaat, dan zorg ik dat je wordt opgezocht en dat je eraan gaat.
Op den duur vroeg [medeverdachte] aan mij om een ander nummer te nemen zodat ik van het gezeur af was en niemand meer kon appen. Ik deed dat ook. Ik sprak [medeverdachte] aan op het feit dat ze op mijn telefoon zat. Ze vroeg toen of ik iets voor haar te verbergen had. Ik wilde de pincode veranderen zodat zij er niet bij kon. Als zij dan een week later wel weer op mijn telefoon wilde, dan moest ik dat geven want anders zou ze me slaan of wat anders. Ik deblokkeerde wel contacten op mijn telefoon. Ik heb ook de contacten met mijn moeder gedeblokkeerd. Als [medeverdachte] zag dat ik ze deblokkeerde dan werd ze boos, als ik niet naar haar luisterde dan zei ze: ga maar terug, ze wist dat ik toch niet terug zou gaan, omdat ik daar niets meer had.
Ze wilde dat ik bij haar bleef en ze zei ook dat ik dus geen contacten mocht hebben met mijn vroegere vrienden. Ik gaf ook erg veel om haar, ik wilde dat altijd al. [medeverdachte] zei ook dat ik moest bewijzen dat ik 100 procent voor haar zou gaan, later zouden we dat wel weer opbouwen.
V: Na zes maanden schaft zij een andere vriendin aan, waarom bleef je?
A: Ze zei me dat het een tussenfase was, tussen het nieuwe huis wat we samen zouden krijgen. Ik stemde hier mee in, omdat [medeverdachte] zei dat het maar twee maanden zou duren. Daarom wilde ik wel wachten. Die twee maanden werden vier maanden voordat ik wegging.
V: [verdachte] is even goed voor onderdak dacht je?
A: Zo bracht [medeverdachte] dat wel. En zo konden we samen zijn de hele dag. Op deze manier kon dat zei [medeverdachte] .
V: Alles waar je nu aangifte van doet, is gebeurd in het huis van [verdachte] ?
A: Ja.
V: Waar woont [verdachte] ?
A: Aan de [a-straat 1] in [plaats] .
2.
Het proces-verbaal van aangifte d.d. 14 september 2020 (…), voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [slachtoffer] ;
O: Je vertelde eerder dat alles waar je aangifte van wilt doen, zich heeft afgespeeld in de woning van [verdachte] , gelegen aan de [a-straat 1] in [plaats] .
V: Wat zijn de namen van de andere twee jongens die daar wonen?
A: [betrokkene 1] en [betrokkene 2] .
V: Je gaf eerder aan dat er een moment kwam waarop je door [medeverdachte] en [verdachte] gevraagd werd om geld te verdienen. Vertel daar eens over.
A: Later moest ik maar spullen gaan verkopen. Er moest geld komen. Ik deed een gouden zegelring, de trouwring van mijn opa weg. Ik bracht die naar de goudjuwelier in [plaats] . Deze juwelier bestaat inmiddels niet meer. De ring heb ik verkocht en die is gesmolten, ik kreeg daar 65 euro voor. Het was [medeverdachte] 's idee, ik bracht hem zelf weg. Ik heb er heel lang over gedaan, misschien zou [medeverdachte] zich bedenken, dat gebeurde niet, ze zei als je zonder geld terugkomt dan sla ik je bont en blauw. Ze had me al eerder te pakken gehad. Ze had me al vaker geslagen, geschopt en mijn strot dichtgeknepen. Ze zeiden later ook dat ik een last aan het worden was, er moest echt wel iets gebeuren. Ik vroeg wat ze wilden, moest ik weg, ga ik terug. [medeverdachte] zei dat ik niet wegkwam, ze vertelde dat ik voor [medeverdachte] kon gaan werken of voor [verdachte] . Ze zei ook dat [verdachte] agressiever was. Voor [verdachte] ga je drugspakketjes rondbrengen. En voor mij ga je de andere kant van [website 1] zien, met mannen afspreken en daar geld voor krijgen. Ik had geen derde keus. Ik vroeg of ik naar huis kon. [medeverdachte] zei dat ik nog een schuld had openstaan, dat was volgens haar € 6.000,00.
V: Je pakt toch gewoon je rugzak en toedeloe?
A: Die kans kreeg ik niet want er was altijd wel iemand thuis. Ik ben een keer in de nacht weggegaan. De buurvrouw had kennelijk gezegd dat ik in het park verbleef, ze gingen me zoeken en [betrokkene 2] vond mij. Ik had de keuze niet echt om weg te gaan. Ze kwamen gewoon met zijn allen. [betrokkene 2] belde met iemand dat ik gevonden was. De rest kwam ook. Er was altijd iemand thuis of in de stad die een berichtje deed waar ik was. Ik ben ook een keer opgepakt voor winkeldiefstal omdat dat moest van [medeverdachte] . Mensen op straat, de buurvrouw, iedereen op snapchat zagen mijn blauwe plekken. Ik maakte de keus om te werken voor [medeverdachte] . Ik vroeg haar wat het werk inhield en ze zei: “Je gaat via Whatsapp eerst vragen, we gaan je eerst op [website 1] zetten met een account”. Eerst foto's van half naked, die foto's waren niet goed genoeg. [medeverdachte] maakte foto's van mij, in lingerie op bed of in de douche in de woning van [verdachte] . Mijn gezicht stond er niet op. Daar reageerden mensen op naar mijn nummer. Eerst werd ik op haar account gezet, om te zien of er animo voor mij was. Later kreeg ik zelf een account. Als ik een berichtje kreeg dan typte [medeverdachte] het berichtje. Aanvankelijk regelde [medeverdachte] mijn afspraken. Op de site werd onder meer aangeboden: met condoom of zonder condoom. Op den duur deed ik dat zelf. Ze was er wel eens niet. Het geld moest natuurlijk wel binnenkomen. Het lijstje met hoeveel minuten en wat er gedaan zou worden werd op de Whatsapp besproken. [medeverdachte] besprak dat met de klant. Als ik iemand niet leuk vond dan moest ik het toch doen.
V: Wat zijn de prijzen?
A: een kwartier, 70 met, 90 zonder, half uur, 90 met 130 zonder, een uur was standaard 150, ongeacht met of zonder. Ik had iemand die betaalde gewoon 300 euro voor zijn fetisj, op den duur had ik een minimum van 450 euro per week, als ik die klant had gehad was ik er bijna. Dan hoefde ik alleen nog maar iemand van een uur te doen.
V: Vertel eens over de eerste keer:
A: De eerste keer was op de parkeerplaats voor, bij de [a-straat] , tegenover de flat. [medeverdachte] zei dat ik 5 minuten later de volgende al had. Ik gaf die 80,00 euro aan [medeverdachte] . [medeverdachte] had een klein kluisje gekocht waar het inging. Aan het einde van de week werd het geld geteld en gesorteerd. De eerste week had ik al 5.000,00 à 6.000,00 euro, ik had gewoon iedere avond 5 tot 12 mannen die allemaal rond de 150 euro wilden, voor een uur. Dat is van 21:00 uur tot 12:00 uur de volgende dag. Ik heb dat een maandje gedaan of zo. 7 dagen in de week, drie uur slapen. Ik gaf elke keer dat geld aan [medeverdachte] en zij deed dat in het kluisje. Toen het minder ging moest ik het ontgelden. Ik moest mijn zakken leegmaken of ik werd bij de strot gegrepen of er werden sigaretten op mijn arm uitgedrukt.
O: [slachtoffer] toont littekens op haar arm.
ledere afspraak was in overleg met [medeverdachte] . Ook als ze wegging dan vroeg ze hoeveel klanten ik had. Ze vroeg ook hoeveel geld ik die dag zou verdienen. Dan moest dat geld ook komen. Als het minder werd met de inkomsten dan werd ik weer tegen de muur gezet; ik bleef er letsel aan overhouden, daarom zit ik ook onder de littekens.
V: In hoeverre voel je je uitgebuit?
A: Aan het einde van die maand
(het hof begrijpt hier: de eerste maand), dan maar geen drie uur slaap, je moet gewoon je limit halen, mijn energie was toen op, ik moest het geld binnenhalen want anders kreeg ik klappen of bij mijn strot gegrepen worden of weet ik veel wat. De laatste maand was niet meer te houden. Ik had de laatste maand hooguit 200 euro. Ik had geen slaap, geen tijd om te eten, geen liefde meer krijgen, er was niets meer om energie uit te halen.
Alles wat ik binnenkreeg moest naar haar
(het hof begrijpt: medeverdachte), daar kreeg ik een tientje van: ik mocht van dat geld bij haar bestellen, ik kreeg in het weekend een grote fles energy zodat ik wanneer
[A-G: ik begrijp: wakker] zou blijven; ik had een verslaving aan energy, dat was mijn beloning. Ik bleef wakker op de suikers, 's ochtends een broodje, 's avonds als zij gingen eten dan ging ik weer aan het werk. Ik was 15 tot 20 kilo lichter omdat ik niet kon eten en leefde op energydrank.
V: Het geld nadat je schuld van 6.000 euro was afbetaald, hoeveel was daarvan naar jou gegaan? A: Ik denk 100 euro. Dat was qua kleding, schoenen. De rest ging naar haar. Het geld wat dan over bleef ging naar auto's, schoenen, scooters, scootmobiel, kleding, elke dag shoppen, nieuwe wasmachine, droger. Die dingen zijn nu bij hun.
[verdachte] kwam met het idee: Laat [slachtoffer] dit werk
(het hof begrijpt: via de website [website 1] met mannen af te spreken en daar geld voor te krijgen)ook doen dan, dit is het enige waar ze misschien wel goed in is. [verdachte] heeft me dit verteld. Toen [verdachte] dit voorstelde, reageerde [medeverdachte] : ja, het is wel een oplossing, dan komt er in ieder geval geld binnen.
Een andere mishandeling was ook bij [verdachte] : [medeverdachte] gooide me tegen de muur aan, pakte me bij mijn strot, dat ik bijna geen lucht meer kreeg.
De eerste mishandeling na het sekswerk: de avond dat ik met die gozer thuiskwam zonder geld, dat was het verhaal wat ik eerder vertelde. Ik gaf aan dat ik een slechte ervaring had gehad. Eerst was ze de lieve vriendin. Toen ik vertelde dat ik geen geld had, ging het knopje om. Ze kneep me toen in mijn strot, ze sloeg me in mijn gezicht, drie keer hard met haar vuist. [verdachte] sprong ertussen.
Elke keer als [medeverdachte] het ergens niet mee eens was, besprak ze dat met [verdachte] . Dan zei [verdachte] : Je kunt het zelf beter doen, want als zij het zou doen, zou ze me in elkaar slaan, op zo'n manier dat ik de eerstkomende tijd niet meer opstond. Dat werd mij door [medeverdachte] verteld. Daarom deed [medeverdachte] het, het slaan en mij aanpakken.
v: Wie heeft je telefoon in deze maanden?
A: Toen ik wegging bij mijn moeder had ik een telefoon, een S7. Die ging per ongeluk kapot, de eerste zes maanden dat ik in [plaats] was bij [betrokkene 3]
(het hof begrijpt: [betrokkene 3] ).Daarna gebruikte ik een reservetoestel van [medeverdachte] . Ze wilde wel weten waar ik was, als ik bijvoorbeeld naar de winkel ging, of om te vragen of ik wat nodig had of zo.
V: Dus dan heb je een telefoon, ook als je buiten was? Waarom belde je niet met ons, politie?
A: Ja, ik had geen nummer.
Ik heb wel eens mijn telefoon op luidspreker gedaan, toen ik weer in [plaats] was. [medeverdachte] belde en bedreigde mij, daar was een vriendin van mij bij. De vriendin was [betrokkene 4] , ze woont bij mij op de groep.
De foto's die gebruikt zijn voor [website 1] zijn te vinden in mijn clouds en op mijn toestel. [verdachte] , [medeverdachte] en ik heb ze. We hadden meerdere chats bij [website 1] en [website 2] , dus daarom hadden we meerdere telefoons, dan ging het makkelijker. [verdachte] bediende de telefoon dus ook.
[medeverdachte] had mijn bankpas, dus al het geld dat op mijn rekening binnenkwam ging naar [medeverdachte] . dat haalde ze eraf met mijn bankpas, contant pinnen. Soms deed ze het via internetbankieren,
dat stond op mijn en op haar telefoon. Ze maakte het 5,6,7 keer over via internetbankieren. Dan hebben we het over 1.000 tot 2.000 euro. De omschrijving die ze erbij zette was dan: etentje, teruggave, avondje uit, dat soort dingen. Ik heb haar mijn bankpas gegeven, omdat ik anders klappen kreeg. Ik gaf hem haar toen we bij [verdachte] kwamen, begin februari.
V: Tot wanneer bleef je werken?
A: Ik werkte tot eind mei, toen ze gingen verloven en ik verder ging. Toen ik bij [verdachte] woonde, was ik nog steeds aan het werk. Dat verwachtte [medeverdachte] van mij, dat vroeg ze ook iedere keer. Ze zei dan: ik heb je nodig hierna. [medeverdachte] lag in het ziekenhuis, maar zat er nog steeds tussen. Dan appte ze met [verdachte] of ik nog aan het werk was.
Het geld hield [verdachte] in beheer. Ze had de sleutel van de kluis. Ik wist wel waar de kluis was, maar ik had geen sleutel. Als ik iets nodig had, dan moest ik wachten totdat [verdachte] thuis was.
V: Is de werksituatie anders dan toen [medeverdachte] thuis was?
A: Nee, precies hetzelfde. Er werd gevraagd wat er binnenkwam. Ik moest wel zorgen dat ik aan het eind van de week mijn doel had behaald.
3.
Het proces-verbaal van verhoor aangeefster d.d. 12 juli 2021 (…), voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [slachtoffer] ;
V: Hoe ging dat prostitueren, vertel daar eens alles over?
Ze
(het hof begrijpt: de medeverdachte)stelde mij 2 opties voor. Of werken voor [verdachte] en dat hield in pillen bezorgen. Ik heb een hekel aan drugs en wil er niks mee te maken hebben. Dit was voor mij dus geen optie. De andere optie was voor [medeverdachte] gaan werken in de prostitutie. [medeverdachte] gaf aan mij aan dat als we genoeg geld hadden dat we samen een huis zouden huren en een toekomst zouden opbouwen. Vanaf toen maakte [medeverdachte] voor mij een profiel aan op een site. Als er een date kwam kreeg ik door hoe laat ik ergens moest zijn. De man waarmee ik de date had kreeg dan door wat ik aan had.
V: Wat heb je daaraan verdiend?
A: Ik weet dat het de 1e week 6.000 euro was. Dit geld ging in een kluisje en er kon ook met een tikkie betaald worden op mijn rekening. Ik had zelf niet de beschikking over mijn rekening. Ik zag daar zelf maar 10 euro per week van om van te eten. Voor de rest ging alles naar [verdachte] en [medeverdachte] .
V:Hoe ziet dat kluisje eruit?
A:Een klein rood kluisje en daarna een grijze kluis die alleen te openen was met de sleutel. De sleutel stond gewoon op de kluisdeur maar ik kon daar niets van geld uithalen dit werd nageteld.
V:Hoe werden de betalingen voor de seksafspraken gedaan?
A:Dat werd gedaan via Tikkie op mijn eigen rekeningnummer waar [medeverdachte] de beschikking over had of contant wat ik na de afspraak gelijk afgaf aan [medeverdachte] .
V:Via welke site werd jij aangeboden?
De 1e site weet ik niet meer maar toen werd het [website 3] en [website 4] dit is meer een site voor de [website 2] kant van de seksafspraken.
V:Wie heeft die sites aangemaakt en de foto’s gemaakt?
A: [medeverdachte]
V:Wie bepaalde de handelingen die je moest doen en de prijzen?
A: [medeverdachte]
V:Hoe hield [medeverdachte] dat bij?
A: Dat stond op papier. Daarop stonden de handelingen en de daarbij behorende prijzen. Ik heb zelf die lijst ook gezien en kon dan zien wat ik moest vragen voor een handeling. Het was gewoon een schoolschriftje met lijntjes erin. Het schriftje was naar ik dacht donkerblauw maar dat is wat ik mij herinner.
V:Heb je nog andere dingen van hen moeten doen?
A:Ja twee winkeldiefstallen. De tweede keer moest ik van [medeverdachte] shampoo regelen we woonden toen al bij [verdachte] . Ook toen werd ik betrapt. [medeverdachte] had gezegd dat ze geen geld gaf en dat ik maar moest zien hoe ik aan de shampoo kwam. Dit was bij de Jumbo.
V: Was er voor jou ook nog een andere mogelijkheid om ergens naartoe te gaan om te verblijven? A:Nee, ik was alles al kwijt.
V: welk geweld is toegepast op jou?
A: Slaan, bijten, en krabben. Mij ergens overheen duwen zodat ik achterover over de bank klapte. Met twee handen om mijn nek en zo lang knijpen dat ik geen lucht kreeg. Aanstekers aan laten zodat ze heet werden en dan de aansteker tegen mijn arm aandrukken. Dit werd allemaal gedaan door [medeverdachte] .
V:Wanneer gebeurde dit soort dingen?
A: Vanaf het moment dat we bij [verdachte] woonden. Van februari 2021 tot en met mei 2021
(het hof begrijpt in samenhang met bewijsmiddel 4: februari 2020 tot en met mei 2020).
4.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 juli 2021 (…), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 1] ;
In een eerder verhoor werd aan [slachtoffer] gevraagd naar de periode waarin zij chatte met mannen en de periode dat zij in de prostitutie werkte. Abusievelijk zijn er verkeerde periodes in het proces-verbaal van aanvullend verhoor komen te staan. Ter verduidelijking heb ik vervolgens [slachtoffer] gevraagd om de exacte periodes naar mij te mailen. [slachtoffer] mailde mij terug dat:
- Zij werkte in de prostitutie van februari 2020 tot juni 2020.
5.
Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 22 juli 2021 (…), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [betrokkene 4] ;
V: [slachtoffer] heeft bij de politie een verklaring /aangifte afgelegd, waarbij ze verklaarde dat jij getuige bent geweest van een gesprek tussen [slachtoffer] en [medeverdachte] . Wat kun je hier over vertellen?
A: Dat was in [plaats] toen [slachtoffer] bij mij was. [slachtoffer] had de telefoon toen op de speaker staan. [medeverdachte] wilde [slachtoffer] terug naar [plaats] halen, zodat [slachtoffer] weer voor hen kon gaan werken. [slachtoffer] zei dat ze dat niet meer wilde. Ze wilde niet meer met hen samenwonen en voor hen werken. [medeverdachte] zei dat ze met [slachtoffer] verder wilde en dat ze [verdachte] zou laten zitten, (...) Ik heb ooit de afdrukken en krassen van de nagels van [medeverdachte] als littekens in het gezicht van [slachtoffer] zien staan. (...)
V: Weet je nog wanneer je dit gesprek hebt gehoord?
A: Dat is in ieder geval voor oktober 2020 geweest.
V: [slachtoffer] vertelde dat ze op vrouwen valt. Wat vond ze ervan dat ze seks moest hebben met mannen?
A: Ik heb het daar wel eens met [slachtoffer] over gehad en ze vertelde me dat ze het walgelijk vond om het met mannen te doen.
6.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 juli 2021 (…), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 2] ;
Uit verstrekte iRVI (infobox Rapportage Verkomen en Inkomsten) is gebleken dat [slachtoffer] gebruik maakt van de bankrekeningen met nummers [rekeningnummer 1] , [rekeningnummer 2] en [rekeningnummer 3] bij respectievelijk de ABN AMRO bank en de Volksbank. De onderstaande bevindingen zijn gerelateerd aan de periode die [slachtoffer] bij [medeverdachte] heeft doorgebracht, namelijk van juli 2019 tot en met juni 2020.
Bijgeschreven tikkies
Ik, verbalisant, zag in de transactiegegevens van [rekeningnummer 1] 38 bijschrijvingen afkomstig van tikkies. De bijgeschreven bedragen varieerden van € 0,06 tot
€ 300,00. Opvallend waren de omschrijvingen bij meerdere tikkies. Zo werden onder andere de volgende omschrijvingen gebruikt:
- Chat
- Foto
- Xx
- Geld
- Hoi
- Film
- Terug
Het totaal van de bijgeschreven tikkies bedroeg € 2.315,06
(toevoeging hof: in de bewezenverklaarde periode € 1.985,00)
Overboekingen naar en van bankrekeningen van [medeverdachte] .
Ik, verbalisant, zag in de transactiegegevens van [rekeningnummer 1] 21 overboekingen van en naar de bankrekeningen [rekeningnummer 4] , [rekeningnummer 5] en [rekeningnummer 6] , allen op naam van [medeverdachte] . Het totaal van overboekingen naar de bankrekeningen van [medeverdachte] (dus afschrijvingen) bedroeg € 851,15.
Contante opnamen.
Ik, verbalisant, zag in de transactiegegevens van [rekeningnummer 1] contante opnames.
Op 17-3-2020 en op 19-3-2020 is een bedrag van € 250,00 opgenomen.
7.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg d.d. 18 januari 2022, voor zover inhoudende als verklaring van [verdachte] ;
[slachtoffer] en medeverdachte
(het hof begrijpt hier: [medeverdachte] )zijn sinds maart 2020 in mijn woning ingetrokken. Aanvankelijk vond ik het vreemd dat [slachtoffer] meenam, maar ik begreep dat zij nergens anders heen kon, dus ik heb dat toch toegestaan.
8.
Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 1 juli 2021 (…), voor zover inhoudende als verklaring van [medeverdachte] :
Ik leerde [slachtoffer]
(het hof begrijpt: aangeefster [slachtoffer] )kennen via een Skypegroep.
[slachtoffer] is na een aantal weken meegegaan naar de woning van [betrokkene 3]
(het hof begrijpt: [betrokkene 3] ).
[slachtoffer] heeft zelf escort gedaan.
Begin maart 2020 ben ik met [slachtoffer] ingetrokken bij [verdachte]
(het hof begrijpt: [verdachte] ).
29 april ben ik naar het ziekenhuis gegaan
(het hof begrijpt: op 29 april 2020 opgenomen in het ziekenhuis)
9.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 20 april 2023, voor zover inhoudende als verklaring van [verdachte] ;
Het klopt dat [slachtoffer] in de periode van februari 2020 tot en met 31 mei 2020 met [medeverdachte] bij mij in huis heeft gewoond.”
2.3
Het bestreden arrest bevat – voor zover voor de beoordeling van het middel relevant – de volgende bewijsoverwegingen:

Bewijsoverwegingen
I.
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
II.
De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep integrale vrijspraak bepleit. Daartoe is in de kern – op gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – het volgende aangevoerd.
Ten aanzien van feit 1
De verdediging stelt zich op het standpunt dat de inhoud van het proces-verbaal aangifte en de omstandigheden zoals naar voren gebracht in onderlinge samenhang bezien ertoe dienen te leiden dat de lezing van de verdachte ten aanzien van het feitencomplex als waar aangenomen kan worden. Volgens de verdediging kan gesteld worden dat de verdachte geen of nauwelijks betrokkenheid heeft gehad bij het tenlastegelegde feit. Zo kan op basis van de aangifte van [slachtoffer] gesteld worden dat [slachtoffer] bij de verdachte verbleef, dat de verdachte geen geweld heeft uitgeoefend en er juist tussen is gesprongen toen de [medeverdachte] geweld tegen haar gebruikte en dat het voorstel om het werk te doen afkomstig was van die medeverdachte. Volgens aangever zou de verdachte bij het uitgeven van het geld aanwezig zijn geweest, maar uit onderzoek is niet gebleken dat de verdachte een van de goederen waarover aangeefster heeft verklaard in bezit heeft gehad. Volgens de verdediging heeft aangeefster niet eenduidig verklaard over cruciale handelingen van de verdachte waardoor de lezing van de verdachte als waar moet worden aangenomen. Voorts hebben de getuigen niet belastend verklaard over de verdachte.
De verdediging stelt zich dan ook primair op het standpunt dat de rol van de verdachte te gering is geweest om te spreken van het medeplegen van het feitencomplex. Subsidiair stelt de verdediging dat er geen sprake is van medeplegen van de tenlastegelegde dwang, geweldshandelingen dan wel dreigementen met geweld.
(…)
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Betrouwbaarheid van de verklaringen
Het hof stelt voorop dat in zijn algemeenheid, maar zeker in mensenhandelzaken, zorgvuldig moet worden omgegaan met verklaringen van getuigen. De betrouwbaarheid van belastende verklaringen in mensenhandelzaken kan onder druk staan vanwege bijvoorbeeld wraakgevoelens of juist gevoelens van loyaliteit, of vanwege het hanteren van andere normen en waarden dan die welke ten grondslag liggen aan de strafwetgeving over mensenhandel.
Met betrekking tot de verklaringen van [slachtoffer] en [medeslachtoffer] stelt het hof het volgende vast. Het enkele feit dat in de verklaringen enkele (kleine) inconsistenties voorkomen, maakt de verklaringen van de aangeefsters in hun geheel op zichzelf nog niet onbetrouwbaar. Dat kan immers te wijten zijn aan de feilbaarheid van het menselijk geheugen, teweeggebracht onder invloed van emoties, ontstaan door het delict of tijdsverloop dan wel schaamte.
Schakelbewijs
Het hof overweegt dat uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat het gebruik van aan andere, soortgelijke feiten ten grondslag liggende bewijsmiddelen als steunbewijs (in de vorm van zogenaamd schakelbewijs) onder omstandigheden is toegelaten (HR 14 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU5496). Voor de bewezenverklaring van een feit wordt in dat geval mede redengevend geacht de – uit één of meer bewijsmiddelen blijkende – omstandigheid dat de verdachte bij één of meer andere strafbare feiten betrokken was. Daarbij moet het gaan om bewijsmateriaal ten aanzien van die andere feiten, dat op essentiële punten belangrijke overeenkomsten of kenmerkende gelijkenissen vertoont met het bewijsmateriaal van het te bewijzen feit, zoals een herkenbaar en gelijksoortig patroon in de handelingen van de verdachte (ook wel aangeduid als modus operandi).
Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een overeenkomende modus operandi kunnen betrokken worden de feitelijke gang van zaken ten aanzien van de betreffende feiten, waaronder begrepen de context waarbinnen zij zich hebben toegedragen, de omstandigheden waarmee zij zijn omgeven en het desbetreffende handelen van de verdachte alsmede de verklaringen die de verdachte daarover heeft afgelegd.
Het hof is van oordeel dat het onder 1 en 2 tenlastegelegde op essentiële punten overeenkomt. Er is in casu sprake van twee slachtoffers die ieder afzonderlijk aangifte hebben gedaan van mensenhandel en van eenzelfde modus operandi. Zo komt uit het dossier naar voren dat de [medeverdachte] zowel [slachtoffer] als [medeslachtoffer] heeft leren kennen via een skype-groep en dat ze met beiden een liefdesrelatie is begonnen. Voorts volgt uit het dossier dat beide slachtoffers problemen hadden en weinig sociale contacten. Gedurende deze liefdesrelaties, terwijl de medeverdachte ook een relatie had met de verdachte en daar ook bij inwoonde, heeft de medeverdachte aangeefsters ondergebracht in de woning waar zij met haar partner verbleef. De medeverdachte moet zich bewust zijn geweest van de gevoelens van aangeefster jegens haar en heeft hier ook naar gehandeld. Zo bleef de medeverdachte aangeefsters een gezamenlijke toekomst voorschotelen, terwijl ze feitelijk een relatie had met de verdachte en geenszins van plan was om de relatie met de verdachte te verbreken. Gedurende de relatie met [slachtoffer] en [medeslachtoffer] werd door de medeverdachte de druk opgevoerd om geld binnen te brengen. Daarbij werden zij voor de keuze gesteld om of tegen betaling handelingen te verrichten van seksuele aard onder toezicht van de medeverdachte of het rondbrengen van drugspakketjes voor de verdachte. Beide slachtoffers hebben er toen voor ‘gekozen’ om werkzaamheden van seksuele aard te verrichten in persoon of via de webcam. Door de verdachte en de medeverdachte werden aan de slachtoffers targets gesteld en de bankpassen ingenomen. Alles wat de slachtoffers deden werd gecontroleerd. De slachtoffers werden mishandeld, vernederd en hen werd ingeprent dat zij nergens anders terecht konden, waardoor de slachtoffers het gevoel hadden dat ze niet weg konden. Daarnaast werden de slachtoffers gedwongen om spullen te verkopen. Zo heeft [slachtoffer] een ring van haar opa moeten verkopen en ook [medeslachtoffer] heeft goederen moeten verkopen om haar schulden bij de verdachte af te betalen. Daarnaast zijn [slachtoffer] en [medeslachtoffer] gedwongen tot het plegen van diefstallen.
Het hof is van oordeel dat er geen sprake is van twee slachtoffers die elkaar kennen en het verweer dat de slachtoffers hun verhaal op elkaar afgestemd kunnen hebben, volgt het hof niet. Uit het dossier is namelijk niet gebleken dat [slachtoffer] en [medeslachtoffer] elkaar destijds kenden. De enkele mededeling van de verdediging dat [slachtoffer] en [medeslachtoffer] in dezelfde Skype-groep zaten, wordt op generlei wijze onderbouwd. Daar komt bij dat [slachtoffer] op 16 september 2020 aangifte heeft gedaan van mensenhandel, dit is ruimschoots voor de tenlastegelegde uitbuiting van [medeslachtoffer] . Naar het oordeel van het hof is er dan ook sprake van een op essentiële onderdelen overeenkomende modus operandi en het hof zal dan ook het bewijs ten aanzien van feit 1 als steunbewijs voor het bewijs ten aanzien van feit 2 gebruiken en omgekeerd.
Ten aanzien van feit 1
Uit het dossier volgt dat [slachtoffer] op 10 en 14 september 2020 aangifte heeft gedaan van seksuele uitbuiting. [slachtoffer] heeft via Skype de medeverdachte leren kennen. [slachtoffer] had gedurende drie jaar contact met de medeverdachte via WhatsApp, Skype en videobellen. Voor [slachtoffer] was dit de aanleiding om een toekomst op te willen bouwen met de medeverdachte. Omdat er bij [slachtoffer] thuis veel onenigheid was, heeft ze zichzelf bij haar moeder uitgeschreven en is ze bij de medeverdachte, die op dat moment nog bij [betrokkene 3] inwoonde, ingetrokken. In februari 2020 zijn de medeverdachte en [slachtoffer] bij verdachte ingetrokken op het adres [a-straat 1] te [plaats] . [slachtoffer] was op dat moment nog in de veronderstelling dat zij en de medeverdachte een relatie hadden en dat het inwonen bij de verdachte slechts een tussenfase was, waarna ze samen met de medeverdachte op zoek zou gaan naar een huis voor hun tweeën. [slachtoffer] moest geld binnenbrengen van de medeverdachte en om die reden moesten bezittingen van [slachtoffer] , waaronder ook haar ring van haar opa, worden verkocht. Wanneer [slachtoffer] geen geld binnenbracht werd ze mishandeld door de medeverdachte. Volgens de medeverdachte had [slachtoffer] op een gegeven moment een schuld van € 6.000,- bij de medeverdachte. De medeverdachte drong er echter bij [slachtoffer] op aan om via de website van [website 1] met mannen af te spreken en daar geld voor te krijgen. De verdachte kwam met het idee. Op dat moment stelde de [slachtoffer] voor een keuze: of het rondbrengen van drugspakketten voor verdachte of voor de medeverdachte met mannen afspreken en daar geld voor krijgen. [slachtoffer] heeft voor het laatste gekozen. De medeverdachte heeft vervolgens foto’s gemaakt van [slachtoffer] gehuld in lingerie. De medeverdachte regelde de afspraken voor [slachtoffer] , evenals de seksuele mogelijkheden, en de tijden. [slachtoffer] moest ook met mannen seks hebben als deze haar niet aanstonden. De mannen betaalden [slachtoffer] contant of maakten middels een tikkie geld over naar haar rekening. Het verdiende geld moest [slachtoffer] aan de medeverdachte overhandigen en dat werd in een kluis gedaan. Van het verdiende geld kreeg [slachtoffer] een tientje per week om van te leven. Wanneer er minder inkomsten waren werd [slachtoffer] door de medeverdachte geslagen, geschopt en werd haar keel dichtgeknepen. Het door [slachtoffer] verdiende geld werd vervolgens door de verdachte en de medeverdachte uitgegeven. De medeverdachte had de bankpas van [slachtoffer] rekening en haalde het door [slachtoffer] verdiende geld van de rekening af. [slachtoffer] heeft eerder getracht om de situatie te ontvluchten, maar werd gevonden door een huisgenoot van de verdachte en de medeverdachte en werd weer meegenomen naar het huis van de verdachte. De medeverdachte is op 29 april 2020 in het ziekenhuis terecht gekomen. [slachtoffer] is toen tot eind mei 2020 door blijven werken. De medeverdachte appte op het moment dat ze in het ziekenhuis lag naar de verdachte en vroeg of [slachtoffer] nog aan het werk was. Het geld dat [slachtoffer] in die periode verdiende werd door de verdachte beheerd. De verdachte had de sleutel van de kluis in beheer. De werksituatie was niet anders toen de medeverdachte in het ziekenhuis lag. [slachtoffer] moest van de verdachte zorgen dat ze aan het eind van de week haar doelen had behaald. In totaal heeft [slachtoffer] 17,3 weken voor de verdachte en de medeverdachte gewerkt.
Getuige [betrokkene 4] heeft op 22 juli 2021 verklaard dat ze bij [slachtoffer] was toen de [slachtoffer] belde en zei dat ze met [slachtoffer] verder wilde en dat ze verdachte zou laten zitten. [betrokkene 4] heeft ooit de afdrukken van nagels als littekens in het gezicht van [slachtoffer] zien staan.
De medeverdachte heeft verklaard dat ze [slachtoffer] inderdaad via Skype heeft leren kennen en dat [slachtoffer] in eerste instantie bij haar en [betrokkene 3] is ingetrokken, waarna ze vanaf maart 2020 samen bij de verdachte zijn ingetrokken. Volgens de medeverdachte klopt het ook dat [slachtoffer] gedurende haar verblijf bij de verdachte prostitutiewerkzaamheden heeft verricht. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat het klopt dat [slachtoffer] in de periode van februari 2020 tot en met 31 mei 2020 bij haar in huis heeft gewoond.
Uit financieel onderzoek van de politie is gebleken dat, in lijn met wat [slachtoffer] heeft verklaard, in de tenlastegelegde periode op de rekening van [slachtoffer] bijschrijvingen zijn gedaan afkomstig van tikkies met opvallende omschrijvingen zoals Chat, foto en xx en dat er forse contante opnamen hebben plaatsgevonden.
Het hof stelt op grond van de verklaringen van [slachtoffer] en de medeverdachte vast dat [slachtoffer] in de tenlastegelegde periode arbeid en diensten van seksuele aard heeft verricht. De vraag die het hof moet beantwoorden, is of er sprake is geweest van het gebruik van dwangmiddelen door de verdachte of de medeverdachte ten aanzien van [slachtoffer] tot het verrichten van die werkzaamheden en of de verdachte en haar medeverdachte daarmee het oogmerk van uitbuiting hebben gehad. Gelet op het vorenstaande acht het hof bewezen dat de medeverdachte ten aanzien van [slachtoffer] gebruik heeft gemaakt van dwangmiddelen zoals deze zijn bewezenverklaard. Zo is [slachtoffer] door de verdachte en de medeverdachte aangezet tot het verrichten van betaalde seksuele handelingen en is zij, wanneer er niet genoeg werd verdiend, mishandeld. De medeverdachte heeft [slachtoffer] in de woning van de verdachte ondergebracht, terwijl zij wist dat [slachtoffer] op dat moment nergens anders naar toe kon.
Met betrekking tot het oogmerk van uitbuiting overweegt het hof dat is vereist dat het handelen van de verdachte en/of medeverdachte, naar zij moeten hebben beseft, als noodzakelijk en dus door haar gewild gevolg meebracht dat de ander werd of zou worden uitgebuit. Door tegen aangeefster te zeggen dat er geld binnengebracht moest worden en aangeefster een grote schuld had opgebouwd die aan de medeverdachte afbetaald moest worden, heeft de verdachte blijk gegeven van haar bedoeling, dat zij geld zou krijgen voor de beoogde werkzaamheden van [slachtoffer] . Gelet hierop is het hof van oordeel dat de verdachte het oogmerk van uitbuiting heeft gehad.
Medeplegen
Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat er ten aanzien van de uitbuiting van [slachtoffer] sprake is geweest van een dusdanige nauwe en bewuste samenwerking met de [medeverdachte] dat sprake is van medeplegen. Zo heeft de verdachte de medeverdachte en [slachtoffer] in huis genomen, heeft de verdachte voorgesteld om [slachtoffer] via een website met mannen af te laten spreken en daar geld voor te krijgen. Alhoewel in de periode voor het ziekenhuis het vooral de medeverdachte is geweest die [slachtoffer] ertoe heeft gezet om de werkzaamheden voort te zetten en het geld af te staan heeft ook de verdachte profijt gehad van de door [slachtoffer] verkregen inkomsten. Daarnaast heeft de verdachte de rol van de medeverdachte overgenomen op het moment dat de medeverdachte in het ziekenhuis lag. Daarover heeft [slachtoffer] zelf verklaard dat de situatie eigenlijk niet anders was toen de medeverdachte in het ziekenhuis lag.
Op grond van het voorgaande oordeelt het hof dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht het hof het tenlastegelegde medeplegen bewezen. Het verweer wordt derhalve verworpen.”
2.4
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 december 2023 heeft de raadsvrouw van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de op die zitting overgelegde en aan het zittingsproces-verbaal gehechte pleitnota. Die pleitnota houdt onder meer het volgende in:
“Concluderend stel ik dat aan de hand van het proces-verbaal en de omstandigheden zoals vandaag naar voren gebracht in onderling samenhang bezien er toe dienen te leiden dat de lezing van [verdachte] ten aanzien van het feitencomplex als waar aangenomen kan worden.
Gesteld wordt dat [verdachte] geen of nauwelijks betrokkenheid heeft gehad bij de tenlastegelegde feiten ten aanzien van [slachtoffer] . Gebaseerd op haar eigen aangiften/verklaringen kan gesteld worden dat:
1. [slachtoffer] bij [verdachte] verbleef;
2. [verdachte] geen geweld heeft uitgeoefend, zij sprong er juist tussen;
3. Eenmalig verklaard ze dat [verdachte] heeft voorgesteld om dit werk te doen. Meerdere malen verklaart ze
echterdat het voorstel van [medeverdachte] afkwam;
4. Voorts verklaard ze dat [verdachte] erbij is geweest met het uitgeven van het geld. Ze heeft het over vermoedens van aangekochte goederen. Uit onderzoek is gebleken dat de scooter waarover ze verklaart
echtereigendom was van een van de getuigen;
5. Tenslotte zou [verdachte] ook de sleutel hebben van de kluis waarin het geld lag nadat [medeverdachte] in het ziekenhuis is opgenomen. Ze verklaart
echterook dat de sleutel zich op de kluis bevond. De politie treft bij de doorzoeking de sleutel aan in de tas waarin zich de sleutel bevind;
(…)
Indien uw rechtbank
[A-G: ik begrijp: hof]er vanuit gaat dat de tenlastegelegde feiten zich hebben voortgedaan dan:
wordt
primairgesteld dat de rol van [verdachte] te gering is geweest om te spreken van het medeplegen van het feitencomplex. Van medeplegen is ingevolge vaste jurisprudentie sprake wanneer twee of meer personen gezamenlijk een strafbaar feit plegen en een
gelijkwaardige rolhebben gespeeld. Medeplegen vereist een
nauwe en bewuste samenwerking.Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de
intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is.
Bij de beoordeling of er sprake is van medeplegen kan rekening worden gehouden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict, het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
Verwezen wordt naar de ontwikkeling in de jurisprudentie ten aanzien van medeplegen. De eisen worden strikter (ECLI:NL:HR:2015:928, ECLI:NL:HR:2014:3474, ECLI:NL:HR:2016:2191, ECLI:NL:HR:2016:382, ECLI:NL:HR:2017,371).
 [verdachte] verleende onderdak aan [slachtoffer] . Zij heeft geen rol gespeeld bij het uitvoeren van de werkzaamheden. Zij heeft geen geweld uitgeoefend;
 [verdachte] heeft geen rol gehad in de planvorming, voorbereiding of de uitvoering van het feit;
 er was geen taakverdeling;
 de aanwezigheid van [verdachte] voegde bij de uitvoering van het feit niets toe. Voordat [verdachte] in beeld was, was er reeds sprake van geweld en het uitoefenen van werkzaamheden in de seksindustrie. Ook nadat zij
[A-G: ik begrijp: de medeverdachte]was opgenomen in het ziekenhuis gingen de werkzaamheden door;
De Hoge Raad heeft nog specifiek in een arrest van november 2015 overwogen: daarbij verdient overigens opmerking dat aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt. Het gaat er immers om dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict (ECLI:NL:HR:2015:3317 en ECLI:NL:RBNNE:2017:4058).
Verwezen wordt tevens naar een uitspraak in een mensenhandelszaak van uw rechtbank: ECLI:NL:RBOBR:2020:1044. Overwogen is: Dat de verdachte enige wetenschap heeft gehad van de situatie en de rol van zijn partner daarbij staat naar het oordeel van de rechtbank wel vast. Uit het dossier blijkt echter niet van een andere meeromvattende bijdrage van verdachte aan de uitbuiting van het slachtoffer dan het af en toe ophalen van geld en het meerijden naar escortafspraken. Deze handelingen zijn naar het oordeel van de rechtbank van onvoldoende gewicht om verdachte als (mede)pleger aan te merken. Van een materiële dan wel intellectuele bijdrage van voldoende gewicht aan de uitbuiting is geen sprake.
De rol van [verdachte] is te gering geweest om te spreken van het medeplegen van het feit. [verdachte] heeft louter een faciliterende rol vervult. Medeplegen vereist een nauwe en bewuste samenwerking. Bewuste samenwerking houdt in dat de medeplegers willens en wetens dus met opzet samenwerken tot het plegen van het strafbare feit.
wordt
subsidiairgesteld dat er geen sprake is van medeplegen van de tenlastegelegde dwang, geweldshandelingen danwel dreigementen met geweld.
Verwezen wordt naar een uitspraak van de Hoge Raad van 2016 (ECLI:NL:HR:2016, 382). In deze zaak had de medeverdachte enkele uren geweldshandelingen verricht jegens de aangever. De verdachte is daarbij aanwezig geweest, zonder zelf geweld te plegen, maar ook zonder zelf een poging te ondernemen om het geweld te doen stoppen. De verdachte is een aantal malen naar het toilet gelopen en daarna weer teruggekeerd. Deze feiten en omstandigheden zijn onvoldoende om te kunnen aannemen dat de verdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het delict. Tevens wordt verwezen naar een uitspraak van uw Hof van 2013 (ECLI:NL:GHSHE:2013:54944) waarin een verdachte vrijgesproken werd van het medeplegen van een gewelddelict, overwogen werd: het louter aanwezig zijn bij en zich niet distantiëren van een door een ander gepleegd delict alsmede het louter instemmen met het delict zijn, ieder voor zich en in onderling samenhang gezien, onvoldoende voor het bewijs van medeplegen van het delict. De verdachte droeg geen wapen bij zich, was op voorhand niet op de hoogte van het wapen en verrichte geen uitvoeringshandelingen bij het toebrengen van het letsel.”
2.5
Blijkens datzelfde proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw aan hetgeen is opgenomen in de pleitnota mondeling nog het volgende toegevoegd:

Punt 5
Als ik de getuigenverklaringen in onderlinge samenhang beschouw, is het [medeverdachte] die het feit gepleegd heeft, en is er niet belastend verklaard over mijn cliënte. Sterker nog, de getuigenverklaringen zijn juist ontlastend voor mijn cliënte, nu zij hebben verklaard dat mijn cliënte er soms tussen kwam.
(…)
Punt 7
[slachtoffer] heeft zelf aangegeven dat mijn cliënte hotel de botel was van [medeverdachte] en derhalve alles deed wat van haar verlangd werd. Dit past bij haar persoonlijkheid zoals deze is geschetst in de rapporten. Het is de vraag of cliënte stevig genoeg in haar schoenen stond voor het aanwezig zijn van een nauwe en bewuste samenwerking.
Punt 8
De advocaat-generaal geeft te kennen dat het niet aannemelijk is dat mijn cliënte in haar rol is gegroeid en dat zij deze rol pas heeft vervuld bij [medeslachtoffer] , die zij met [medeverdachte] samen commandeerde. De advocaat-generaal trekt de conclusie dat als mijn cliënte deze rol bij [medeslachtoffer] speelde, dit ook het geval was bij [slachtoffer] . Die conclusie is te kort door de bocht. Bovendien blijkt niet uit de aangiftes of de verklaringen van [slachtoffer] dat zij samen opdrachten gaven, eerder het tegendeel. Als de politie mijn cliënte ter sprake brengt, dan pas gaat [slachtoffer] zelf over mijn cliënte verklaren. Cliënte heeft compassie getoond en heeft bepaalde momenten gevonden om tussen [slachtoffer] en [medeverdachte] in te springen. Cliënt heeft geen onderdeel uitgemaakt van de tenlastegelegde mensenhandel en is er juist tegenin gegaan. Voor wat dat betreft ben ik het eens met de overweging op pagina 6 van het vonnis van de rechtbank”.

3.Het eerste middel

3.1
In het eerste middel wordt geklaagd over het bewezen verklaarde medeplegen. Betoogd wordt dat het hof i) onvoldoende heeft gemotiveerd dat de verdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de bewezen verklaarde mensenhandel, ii) het tegen een dergelijke bewezenverklaring gerichte verweer onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen en iii) de leemte voor het bewijs van het medeplegen niet heeft kunnen overbruggen met een schakelbewijsconstructie. De eerste twee deelklachten lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
3.2
Voordat ik daartoe overga, roep ik de (overzichts)arresten van 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474,
NJ2015/390, m.nt. P.A.M. Mevis, 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716 en 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1315,
NJ2016/413, m.nt. N. Rozemond [3] , waarin de Hoge Raad enige algemene overwegingen heeft gewijd aan het medeplegen, in herinnering. Uit deze arresten blijkt dat voor de kwalificatie medeplegen vereist is dat sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking en dat de bewezen verklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. De vraag of aan deze eis is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Aandachtspunten voor die beoordeling kunnen onder meer zijn de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol van de verdachte in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang daarvan, de aanwezigheid van de verdachte op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van een strafbaar feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering. Als het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, dient de rechter de bewezenverklaring van het medeplegen in de bewijsvoering – dat wil zeggen in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging – nauwkeurig te motiveren. In elke zaak komt het telkens aan op een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval.
3.3
In de onderhavige zaak heeft de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep (primair) bepleit dat de bijdrage van de verdachte aan het onder 1 ten laste gelegde feit van onvoldoende gewicht is geweest om haar als medepleger van dat feit te kunnen aanmerken. Daartoe is onder meer aangevoerd dat op grond van het dossier weliswaar kan worden vastgesteld dat de verdachte onderdak aan het slachtoffer heeft verleend, maar óók dat zij geen geweld jegens het slachtoffer heeft gebruikt, zij er juist tussen sprong toen de medeverdachte geweld tegen het slachtoffer gebruikte en zij geen rol heeft gehad bij de uitvoering van de werkzaamheden door het slachtoffer.
3.4
Het hof is aan dit verweer voorbijgegaan en heeft onder 1 bewezenverklaard dat sprake is van het medeplegen van mensenhandel als bedoeld in de onderdelen 1°, 4°, 6° en 9° van het eerste lid van art. 273f Sr. Aan zijn oordeel dat de verdachte als medepleger van dit feit kan worden aangemerkt, heeft het hof blijkens zijn hiervoor in randnr. 2.3 onder het kopje ‘medeplegen’ geciteerde overwegingen ten grondslag gelegd dat i) de verdachte de medeverdachte en [slachtoffer] in huis heeft genomen, ii) de verdachte heeft voorgesteld om [slachtoffer] via een website met mannen af te laten spreken en daar geld voor te krijgen, iii) de verdachte profijt heeft gehad van de door [slachtoffer] verkregen inkomsten en iv) de verdachte de rol van de medeverdachte heeft overgenomen op het moment dat de medeverdachte in het ziekenhuis lag en de werksituatie van [slachtoffer] toen niet anders was.
3.5
Uit de bewijsvoering van het hof (en wel in het bijzonder uit het tweede bewijsmiddel) blijkt met betrekking tot de rol van de verdachte daarnaast ook nog dat de medeverdachte zaken rondom [slachtoffer] met de verdachte besprak en dat de telefoons die werden gebruikt voor de chatgesprekken op de websites waarop de seksuele diensten van [slachtoffer] werden aangeboden ook door de verdachte werden bediend.
3.6
Op grond van deze vaststellingen heeft het hof geoordeeld dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. Daarin ligt ook als oordeel van het hof besloten dat de bijdrage van de verdachte aan de (gezamenlijke) uitvoering van het delict van voldoende gewicht is geweest om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen. Dat oordeel acht ik, gelet op de door het hof gedane vaststellingen en in het licht van hetgeen door de verdediging in hoger beroep is aangevoerd, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij neem ik in aanmerking dat uit de bewijsvoering van het hof blijkt dat de verdachte gedurende de hele pleegperiode samen met de medeverdachte betrokken is geweest bij de uitbuiting van [slachtoffer] . Zo heeft zij kennelijk in het begin van die periode voorgesteld om [slachtoffer] seksuele diensten tegen betaling te laten verrichten en ook heeft zij [slachtoffer] die hele periode in haar woning laten verblijven. In het bijzonder merk ik daarbij nog op dat uit de bewijsvoering blijkt dat de verdachte, in de laatste maand van de bewezen verklaarde periode toen de medeverdachte in het ziekenhuis verbleef, de rol van de medeverdachte heeft overgenomen. Uit deze laatste vaststelling van het hof leid ik af dat het hof kennelijk, en niet onbegrijpelijk, heeft meegewogen dat de rollen van de verdachte en medeverdachte min of meer inwisselbaar waren. Hetgeen de steller van het middel, in navolging van de verdediging in feitelijke aanleg, in de toelichting aanvoert, namelijk dat (uit de bewijsvoering) niet blijkt dat de verdachte geweld heeft gebruikt tegen [slachtoffer] , maar juist dat zij “ertussen sprong toen de medeverdachte geweld tegen [slachtoffer] gebruikte”, doet aan de begrijpelijkheid van ’s hofs oordeel niet af.
3.7
Voor zover in de toelichting op het middel wordt geklaagd dat i) de bewezen verklaarde gedraging van de verdachte van het in huis nemen van [slachtoffer] “op zichzelf” niet redengevend is voor het oordeel dat de verdachte “een intellectuele of materiële bijdrage van gewicht heeft geleverd aan het delict” en ii) de enkele verklaring van [slachtoffer] dat “[v]oor de rest alles naar [verdachte] en [medeverdachte] [ging] (…) onvoldoende [is] om de verstrekkende conclusie op te baseren dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking”, verliest de steller van het middel uit het oog, dat uit de op het medeplegen toegespitste overweging van het hof blijkt dat het hof zich bij zijn oordeel dat de verdachte het onder 1 bewezen verklaarde feit heeft medegepleegd, niet heeft beperkt tot één van deze omstandigheden, maar de verschillende gedragingen die de verdachte heeft verricht in onderlinge samenhang heeft beschouwd (zie randnr. 2.3 onder I). De klacht mist in zoverre feitelijke grondslag.
3.8
In de toelichting op het middel wordt ook nog het standpunt ingenomen dat de hiervoor aangehaalde verklaring van [slachtoffer] dat “voor de rest alles naar [verdachte] en [medeverdachte] ging”, onvoldoende is om op grond daarvan te komen tot het oordeel dat het door [slachtoffer] verdiende geld door de verdachte en de medeverdachte werd uitgegeven. Door de steller van het middel wordt echter miskend dat uit de bewijsvoering van het hof ook volgt dat met het door [slachtoffer] afgestane geld verschillende spullen zijn gekocht die – zo begrijp ik het tweede bewijsmiddel – bij de verdachte en de medeverdachte in gebruik waren. Gelet hierop faalt ook deze klacht.
3.9
Door de steller van het middel wordt verder nog aangevoerd dat de bewijsvoering, met name op het punt van de betrokkenheid van de verdachte bij het onder 1 bewezen verklaarde feit, op een drietal punten innerlijk tegenstrijdig is. Ook daarom zou het oordeel van het hof dat sprake is van medeplegen ontoereikend gemotiveerd, althans onbegrijpelijk zijn. De eerste tegenstrijdigheid zou gelegen zijn in het feit dat het hof enerzijds heeft vastgesteld dat “dit idee”
[A-G: ik begrijp het idee om [slachtoffer] seksuele diensten tegen betaling te laten verrichten]van de verdachte kwam, maar anderzijds uit de bewijsvoering volgt dat [slachtoffer] “voor de medeverdachte in de prostitutie kon gaan werken”. Daarnaast zou de tot het bewijs gebezigde verklaring van [slachtoffer] dat
“[v]oor de rest alles naar [verdachte] en [medeverdachte] [ging]”haaks staan op de ook door het hof gedane (herhaalde) vaststellingen dat – kort gezegd – al het door [slachtoffer] verdiende geld naar de medeverdachte ging. Tot slot zou het bestreden arrest ook wat betreft de periode dat de medeverdachte in het ziekenhuis verbleef innerlijk tegenstrijdig zijn. De steller voert hiertoe aan dat het hof enerzijds heeft vastgesteld dat “de werksituatie op dat moment niet anders was”, maar anderzijds dat “de laatste maand niet meer te houden was (…) en dat zij toen hooguit 200 euro had”.
3.1
Anders dan de steller van het middel betoogt meen ik dat de bewijsvoering van het hof geen met elkaar onverenigbare feitelijke vaststellingen bevat. Daartoe merk ik in de eerste plaats op dat de – uit (onder meer) het tweede bewijsmiddel volgende – vaststelling dat [slachtoffer] is voorgehouden dat zij voor de medeverdachte in de prostitutie kon gaan werken niet strijdig is met de door het hof ook gedane vaststelling dat de verdachte met het idee kwam om [slachtoffer] “via een website met mannen af te laten spreken en daar geld voor te krijgen”. Ook op het punt van het afdragen van de inkomsten is van beweerdelijke tegenstrijdigheid geen sprake. Uit de bewijsvoering van het hof volgt weliswaar dat [slachtoffer] meermalen heeft verklaard dat het door haar verdiende geld door haar werd afgegeven aan de medeverdachte, maar ook dat “het geld wat (…) overbleef (…) naar auto’s, schoenen, scooters, scootmobiel, kleding, elke dag shoppen, nieuwe wasmachine [en een] droger [ging]” en dat “die dingen (…) nu bij (…) [hen] zijn”. Hieruit maak ik, zoals ik hiervoor al heb opgemerkt, op dat het door [slachtoffer] verdiende geld onder meer werd besteed aan spullen die zowel door de medeverdachte als de verdachte werden gebruikt. Tegen die achtergrond moet ook de verklaring van [slachtoffer] dat “voor de rest (…) alles naar [verdachte] en [medeverdachte] [ging]” worden bezien. Resteert tot slot hetgeen in de bewijsvoering is opgenomen over de laatste maand van de bewezen verklaarde periode. Ook op dat punt kan ik de steller van het middel niet volgen. De vaststelling dat de situatie van [slachtoffer] “de laatste maand (…) niet meer te houden [was]” en zij toen “hooguit 200 euro [had]”, brengt immers niet noodzakelijkerwijs met zich dat die laatste maand geen sprake kan zijn geweest van een werksituatie die niet anders was. Het bestreden arrest is kortom niet innerlijk tegenstrijdig, zodat ook deze deelklacht faalt.
3.11
Door de steller van het middel wordt tot slot nog de stelling betrokken dat het hof bij zijn oordeel dat de verdachte het onder 1 bewezen verklaarde feit heeft medegepleegd “ten onrechte dan wel ontoereikend of onbegrijpelijk gemotiveerd gebruik heeft gemaakt van schakelbewijs”. Aangevoerd wordt dat “het bewijsgat” van het medeplegen niet wordt gedicht, althans niet kan worden gedicht, door gebruik te maken van een schakelbewijsconstructie.
3.12
Over deze deelklacht kan ik kort zijn. Het hof heeft gebruik gemaakt van een schakelbewijsconstructie. Uit hetgeen het hof onder het kopje “schakelbewijs” heeft overwogen, blijkt echter niet dat het hof
ookvoor zijn oordeel dat de verdachte het onder 1 bewezen verklaarde feit heeft medegepleegd, gebruik heeft gemaakt die bewijsconstructie. Dat blijkt evenmin uit de op het medeplegen toegespitste overweging; daarin wordt immers enkel melding gemaakt van feiten en omstandigheden die op het eerste feit betrekking hebben. Voor zover met het middel wordt geklaagd over het gebruik van een schakelbewijsconstructie voor de bewezenverklaring van het medeplegen, berust het middel op een verkeerde lezing van het arrest. Bij gebrek aan feitelijke grondslag faalt daarom ook deze deelklacht.
3.13
Het middel faalt in al zijn onderdelen.

4.Het tweede middel

4.1
In het tweede middel wordt, als gezegd, geklaagd over de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] en de in verband daarmee opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Het middel valt uiteen in drie deelklachten. De eerste twee deelklachten zien op de gedeeltelijke toewijzing van de gevorderde materiële en immateriële schade. De derde deelklacht heeft betrekking op de opgelegde schadevergoedingsmaatregel.
4.2
Voordat ik het middel bespreek, geef ik eerst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] (hierna: benadeelde partij) en de daarop gegeven toelichting weer, vervolgens hetgeen de verdediging over deze vordering in hoger beroep heeft aangevoerd en ten slotte de beslissing van het hof en de hieraan ten grondslag liggende overwegingen.
4.3
Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een “Verzoek tot schadevergoeding” van de benadeelde partij. Dit formulier houdt onder meer in:

Verzoek tot schadevergoeding
(…)

3.Strafbaar feit

(…)
Hoe is uw schade ontstaan? Mensenhandel
(…)
4A Materiële en/of verplaatste schade
(…)
Omschrijving materiële/verplaatste schade (…)
Verlies aan verdienvermogen € 21.689,00
(…)
4B Immateriële schade (smartengeld)
(…)
Omschrijving immateriële schade (…)
Zie toelichting
Totaal immateriële schade€ 15.000,-
(…)
4E Verzoek tot schadevergoeding
Bedrag
Totaal materiële schade 4A € 21.689,00
Totaal immateriële schade 4B € 15.000,-
(…)
Totaal niet-vergoede schade € 36.689,00”.
4.4
Bij het voormelde verzoek is een (ongedateerd) stuk, getiteld “toelichting op het voegingsformulier”, gevoegd. Dit stuk houdt in (met weglating van voetnoten):

TOELICHTING OP HET VOEGINGSFORMULIER
(…)
FEITEN EN OMSTANDIGHEDEN
1. Benadeelde is in de periode van februari 2020 tot en met mei 2020 het slachtoffer geworden van mensenhandel. (…)
SCHADE(…)
8. Ten gevolge van het strafbare feit stelt de benadeelde de volgende schade te hebben geleden.
Verlies aan verdienvermogen:€ 21.689,00
Voor berekening van dit bedrag wordt aansluiting gezocht bij het rapport omtrent het wederrechtelijk verkregen voordeel zoals is opgesteld door het Openbaar Ministerie. Voor een onderbouwing van het onderstaande wordt verwezen naar dit rapport.
[slachtoffer] heeft 121 dagen in de prostitutie moeten werken. Helaas kunnen de verdienste per dag niet berekend worden aan de hand van het aantal klanten en verdiensten per klant. Dit is niet meer exact te achterhalen en de klanten zouden zowel contant als via tikkie op haar bankrekening hebben betaald. Op de transactiegegevens van haar [rekeningnummer 1] is te zien dat er in deze periode 37 keer een tikkie is bijgeschreven met een totaalbedrag van
€ 2.315,00.
Wanneer de verdiensten per dag niet berekend (…) [kunnen] worden aan de hand van het aantal klanten per dag en de verdiensten per klant, dan wordt uitgegaan van een vast bedrag aan opbrengst per dag. Bij de vaststelling van de materiële schade wordt uitgegaan van een vast bedrag aan verdiensten per dag dat vaker in de jurisprudentie wordt gehanteerd. Gelet hierop stel ik het bedrag vast op € 200,00 per dag aan opbrengst. (…)
In dit bedrag van € 200,00 per dag zitten dan zowel de contante betalingen als betalingen via tikkie. Over de periode van 121 dagen bedraagt hierbij de opbrengst € 24.200,00. Dit is 121 dagen maal € 200,00 per dag = € 24.200,00.
Benadeelde [slachtoffer] verklaarde dat ze alles dat ze verdiende af moest staan aan de verdachten [medeverdachte] en [verdachte] . [slachtoffer] verklaarde dat ze in de periode dat ze in de prostitutie werkte maar € 10,00 per week kreeg om van te eten. Daarom zal de opbrengst van de prostitutiewerkzaamheden worden verminderd met € 10,00 x (121/7dagen =) 17,3 weken =
€ 173,00. Dus de opbrengst uit prostitutie: € 24.200,00 - € 173,00 = € 24.027,00.
Benadeelde [slachtoffer] vordert dit bedrag als zijnde het bedrag aan verlies van verdien vermogen. Zij heeft dit geld immers verdient, maar mocht dit niet houden. Dit is een bruto bedrag. Wordt dit netto gemaakt, dan zou het gaan om de volgende schade.
Gelet op het bovenstaande vordert benadeelde een vergoeding van € 21.689,00.
(…)
Smartengeld:€ 15.000,00
Werken. Dag in, dat uit, Amper pauze. Zeven dagen in de week. Mannen plezieren, terwijl je op vrouwen valt. Zonder condoom en daardoor altijd bang voor soa’s en zwangerschappen. Alleen maar zodat verdachten nog net wat meer geld zouden ontvangen.
Niet meer kunnen beschikken over je eigen rekening. Afgezonderd van je familie en vrienden. Op straat staan als je niet doet wat verdachten van je willen. Geslagen worden als je niet voldoende verdient. Iedere dag opnieuw leven in angst, ongemak en onder dreiging.
Het zal voor niemand als een verrassing komen dat dit is hoe [slachtoffer] het begin van 2020 omschrijft. Door hun eigen belangen boven die van [slachtoffer] te stellen hebben verdachten een enorme inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit. Met [slachtoffer] is een vertrouwensrelatie opgebouwd zodat zij naar het zuiden zou afreizen en het contact met een ieder om haar heen te verbreken. Geïsoleerd en kwetsbaar kon [slachtoffer] al bijna geen 'nee' meer zeggen toen verdachten bij haar aandrongen om in de prostitutie te gaan werken. En zei zij toch 'nee', dan werd er geweld gebruikt. [slachtoffer] is geslagen, gebeten, gedwongen zichzelf te snijden, gewurgd en er werden hete voorwerpen tegen haar huid gedrukt. Verdachten zorgden er wel voor dat [slachtoffer] zeven dagen per week werkte, terwijl zij al het geld moest afstaan. [slachtoffer] had geen zeggenschap meer over haar eigen lijf en haar eigen rekening. Zij kon enkel met lede ogen toezien hoe scooters van haar geld werden gekocht en op haar naam werden gezet, verkeersboetes binnen kwamen, haar zorgverzekering niet betaald werd en zij kon alleen maar hopen dat het een keer zou stoppen. Zou stoppen zonder zwangerschap, seksueel overdraagbare aandoening of ernstig fysiek letsel.
[slachtoffer] sliep bijna niet meer en viel twintig kilo af. Ook nu is zij psychisch niet meer de oude. [slachtoffer] slaapt nog altijd slecht en heeft flashbacks. Zij is er echter nog altijd niet aan toe een medische behandelaar in te schakelen om haar te helpen. Het vertrouwen is er simpelweg nog niet. Dit maakt niet dat zij geen recht heeft op schadevergoeding. Mensenhandel waarbij iemand in de prostitutie wordt gebracht, is een vergaande en ontluisterende manier van uitbuiting, waarbij de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer ondergeschikt wordt gemaakt aan geldelijk gewin. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijk handelen gedurende lange tijd de psychische gevolgen hiervan (kunnen) ondervinden.
(…)
[slachtoffer] is ook slachtoffer geworden van een loverboy, of beter gezegd lovergirl. Onder valse voorwendselen is met haar een vertrouwensrelatie opgebouwd en vervolgens is [zij] terecht gekomen in een vernederende uitbuitingssituatie. Ook [slachtoffer] zag zich geconfronteerd met geweld. Bovendien kon [slachtoffer] evenmin weg. Verdachten hadden er voor gezorgd dat zij geen kant meer op kon.
(…)
CONCLUSIE
Benadeelde verzoekt de rechtbank de vordering met een bedrag van € 36.689,00 toe te wijzen (…).”
4.5
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 december 2023 heeft de verdediging over de vordering van de benadeelde partij het volgende bepleit:
“Voor wat betreft de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] vraag ik u deze af te wijzen in verband met de bepleite vrijspraak. Subsidiair refereer ik mij aan het oordeel van uw hof. De rechtbank heeft het goed aangepakt bij [medeverdachte] .”
4.6
Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van
€ 21.590,00 en een schadevergoedingsmaatregel tot datzelfde bedrag opgelegd. Het bestreden arrest houdt hierover het volgende in:

Vordering benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 36.689,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering bestaat uit materiële schade ad € 21.689,00 (verlies verdienvermogen) en immateriële schade ad € 15.000,00.
De rechtbank heeft bij vonnis waarvan beroep de benadeelde partij in de vordering niet- ontvankelijk verklaard.
De benadeelde partij heeft te kennen geven de vorderingen in hoger beroep te handhaven.
materiële schade
Het hof acht bewezen dat de benadeelde in de periode 1 februari 2020 tot en met 31 mei 2020 door de verdachte tezamen en in vereniging met de medeverdachte is uitgebuit. Het hof is op grond van de bewijsmiddelen van oordeel dat het totaal aan verdiensten uit arbeid of diensten van seksuele aard op een brutobedrag van € 12.527,00 moet worden gesteld; en na aftrek van de destijds geldende belastingdruk en rekening houdende met de algemene heffingskorting en arbeidskorting op een nettobedrag van € 11.590,00. Laatstgenoemd bedrag is derhalve als rechtstreekse schade toegebracht door het onder 1 bewezenverklaarde feit toewijsbaar.
Het hof overweegt daartoe als volgt. Het hof stelt vast dat [slachtoffer] wisselend heeft verklaard over het aantal klanten dat zij in die periode heeft gehad. Bovendien heeft zij zich, zo volgt uit haar verklaring, in de beginperiode niet geprostitueerd maar andere arbeid of diensten van seksuele aard verricht, die 50 tot 100 euro per week opleverden (het sturen van seksberichten naar mannen), terwijl zij in de laatste maand, zijnde mei 2020, met het zich prostitueren hooguit 200 euro zou hebben verdiend. Het hof zal, uitgaande van die verklaringen van [slachtoffer] , de verdiensten over de maand februari 2020 vaststellen op 4 weken x € 75 = € 300,00 en over de maand mei 2020 op een bedrag van € 200,00.
Nu kennelijk het grootste deel van de verdiensten uit prostitutie in de periode van maart en april 2020, zijnde 61 dagen, contant is betaald, en hiervan geen boekhouding is bijgehouden, en de verdiensten per dag bij gebreke hiervan niet berekend kunnen worden aan de hand van het aantal klanten en verdiensten per klant, zal het hof bij de vaststelling van de verdiensten uit prostitutiewerkzaamheden in die periode uitgaan van een in de rechtspraak inmiddels vaker gehanteerd forfaitair bedrag van € 200,00 per dag.
De verdiensten uit verrichte arbeid of diensten van seksuele aard bedragen aldus over de maand februari 2020 € 300,00, over de maanden maart en april 2020, zijnde 61 dagen x € 200,- per dag is € 12.200,00, en over de maand mei 2020 € 200,00, derhalve in totaal € 12.700,00. [slachtoffer] heeft verklaard dat ze haar verdiensten aan de betrokkene en de medebetrokkene moest afstaan en dat ze per week € 10,00 kreeg om van te eten. Daarom zullen de opbrengsten uit de verrichte diensten of arbeid in de periode van 1 februari 2020 tot en met 31 mei 2020, zijnde 17,3 weken worden verminderd met € 10,00 x 17,3 weken = € 173,00. Het totaal aan verdiensten uit arbeid of diensten van seksuele aard in de bewezenverklaarde periode is aldus € 12.700,00 minus € 173,00 =
€ 12.527,00 bruto.
De behandeling van het overige deel van de materiële vordering levert naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal daarom bepalen dat de vordering ten dele niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij het deel van de vordering dat niet ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
(…)
De beoordeling van de immateriële schade (…)
Het hof zal de door de benadeelde partijen gevorderde immateriële schadevergoeding gezamenlijk bespreken.
De benadeelde partijen vorderen ieder een bedrag van € 15.000,00 als immateriële schade. Het hof stelt voorop dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld.
Indien het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b. BW bedoelde aantasting in zijn persoon 'op andere wijze' sprake is.
Het hof is in navolging van de rechtbank van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de slachtoffers zozeer voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon reeds kan worden aangenomen indien het bestaan van geestelijk letsel als hiervoor bedoeld niet zou kunnen worden vastgesteld. Uit de door benadeelde partijen gegeven toelichting en de schriftelijke onderbouwing blijkt bovendien dat het geweld, de bedreiging met geweld en het misbruik dat van de benadeelden is gemaakt, nadelige en belastende effecten hebben gehad (en nog hebben) op het dagelijkse leven en het functioneren van de benadeelden.
Het hof ziet, gelet op de feiten zoals die in deze zaak zijn komen vast te staan en de door de benadeelde partijen gegeven toelichting en onderbouwing, reden om bij de begroting van deze schade onderscheid te maken tussen de benadeelde partijen.
Daarbij merkt het hof op dat de benadeelde [slachtoffer] verdergaande seksuele handelingen heeft moeten verrichten doordat zij is gedwongen in de prostitutie te werken. Bovendien blijkt uit de rapportage van de behandelend GZ-psycholoog dat bij de benadeelde [slachtoffer] sprake is van PTSS, maar dat zij nog niet in staat is om hiervoor een behandeling te ondergaan. Het hof acht in de onderhavige situatie, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval, te weten de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer, zoals hiervoor omschreven, en gelet op de bedragen die door Nederlandse rechter in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, een immateriële schadevergoeding van minstens € 10.000,00 billijk en zal de door de benadeelde [slachtoffer] gevorderde schade aldus tot dit bedrag toewijzen.
(…)
De behandeling van het overige deel van de door de benadeelden gevorderde immateriële schadevergoeding levert naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal daarom bepalen dat de vorderingen ten dele niet-ontvankelijk zijn en dat de benadeelde partijen het deel van de vorderingen dat niet-ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.
Resumé en de wettelijke rente
De benadeelde [slachtoffer]
De materiële vordering van [slachtoffer] wordt toegewezen tot een bedrag van € 11.590,00 en de immateriële vordering tot een bedrag van € 10.000,00.
De wettelijke rente over voormelde bedragen zal worden toegewezen vanaf 31 mei 2020, zijnde de laatste dag van de bewezenverklaarde periode. De schade wordt geacht op die dag te zijn geleden.
Het overige deel van de vorderingen is niet-ontvankelijk. Het hof zal bepalen dat het deel van de vorderingen dat niet-ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
(…)
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de medeverdachte rechtstreeks schade aan het [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 21.590,00. De verdachte en de medeverdachte zijn daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals hiervoor is weergegeven tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 142 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.”
Eerste deelklacht
4.7
De eerste deelklacht houdt in dat het hof “de vordering tot vergoeding van
materiële schade(…) ten onrechte, althans ontoereikend en/of onbegrijpelijk gemotiveerd heeft toegewezen tot een bedrag van € 11.590,- te vermeerderen met de wettelijke rente”. De steller van het middel stelt zich op het standpunt dat het hof in de bewijsmiddelen heeft vastgesteld dat i) de benadeelde partij een schuld had van € 6.000,- bij de [medeverdachte] , ii) de benadeelde partij “een maandje (…) ofzo” zeven dagen per week in de prostitutie werkte, en iii) de benadeelde partij € 100,- heeft ontvangen voor kleding en schoenen. In het licht van deze vaststellingen zou de beslissing van het hof tot gedeeltelijke toewijzing van de materiële schade onjuist, ontoereikend gemotiveerd en/of onbegrijpelijk zijn.
4.8
Bij de beoordeling van de eerste deelklacht stel ik het volgende voorop. De beslissing van het hof over de vordering van de benadeelde partij moet met redenen zijn omkleed. Wanneer de schade niet of nauwelijks wordt betwist en uit de bewijsmiddelen en (de onderbouwing van) de vordering voldoende aannemelijk wordt dat schade is geleden, stelt de Hoge Raad in de regel geen hoge eisen aan de motiveringsplicht van de rechter. [4] Wanneer de vordering wel gemotiveerd wordt weersproken, zal de motivering van de rechter meer aandacht vragen. [5] Verder geldt dat met betrekking tot het begroten van de schade aan de feitenrechter een grote mate van vrijheid toekomt. Deze begroting kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst, terwijl de rechter bij de begroting ook niet gebonden is aan de gewone regels omtrent stelplicht en bewijs. Wel zal in cassatie kunnen worden getoetst of de rechter blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip schade of ter zake van de wijze van begroting. [6]
4.9
Zoals uit de onder randnr. 4.6 geciteerde overwegingen blijkt, heeft het hof de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van geleden materiële schade toegewezen tot een bedrag van € 11.590,-. Het hof is, bij de schatting van die schade, uitgegaan van de situatie dat de benadeelde partij gedurende een periode van twee maanden 7 dagen per week in de prostitutie heeft gewerkt. Daarnaast zijn de door de steller genoemde ‘schuld’ van € 6.000,- en het voor kleding en schoenen ontvangen bedrag van € 100,- bij de schatting van die materiële schade niet betrokken.
4.1
Hoewel door of namens de verdachte in hoger beroep geen enkel inhoudelijk verweer is gevoerd ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij (sterker nog: de verdediging heeft zich (subsidiair) gerefereerd aan het oordeel van het hof), meen ik dat de eerste deelklacht, waarin (onder meer) wordt geklaagd over de begrijpelijkheid van de voornoemde beslissing van het hof, bespreking behoeft.
4.11
Anders dan de steller van het middel betoogt blijkt uit de bewijsvoering, meer in het bijzonder uit de tot het bewijs gebezigde verklaring van de benadeelde partij [slachtoffer] (bewijsmiddel 2), niet dat zij een schuld van € 6.000,- had bij de [medeverdachte] . Uit haar verklaring blijkt enkel dat [medeverdachte] tegen [slachtoffer] heeft gezegd dat zij een schuld van € 6.000,- had openstaan en niet, zoals de steller van het middel betoogt, dat [slachtoffer] daadwerkelijk een dergelijke schuld had. Evenmin blijkt uit haar tot het bewijs gebezigde verklaring dat zij slechts één maand 7 dagen per week in de prostitutie heeft gewerkt. Zij heeft verklaard: “de eerste week had ik al 5.000,- à 6.000 euro, ik had gewoon iedere avond 5 tot 12 mannen die allemaal rond de 150 euro wilden, voor een uur. Dat is van 21:00 uur tot 12:00 uur de volgende dag. Ik heb dat een maandje gedaan ofzo. 7 dagen in de week, drie uur slapen. (…) Aan het einde van die maand, dan maar geen drie uur slaap, je moet gewoon je limiet halen, mijn energie was toen op, ik moest geld binnenhalen want anders kreeg ik klappen of bij mijn strot gegrepen worden of weet ik veel wat”. Kennelijk heeft het hof de verklaring van [slachtoffer] zo begrepen dat “een maandje” betrekking heeft op het aantal uren slaap per dag en niet, zoals in het middel wordt betoogd, op het aantal gewerkte dagen per week. Kortom: voor zover het middel de klachten behelst dat het hof “de afbetaling van deze schuld door [slachtoffer] aan [medeverdachte] (…) ten onrechte niet heeft meegenomen of verrekend in de berekening van de materiële schade(vergoeding)” en dat het hof “voor wat betreft de inkomsten van [slachtoffer] in de maanden maart en april 2020 ten onrechte ervan [is] uitgegaan dat zij gedurende die twee maanden zeven dagen per week werkte” falen deze reeds omdat zij berusten op een onjuiste lezing van het arrest.
4.12
De steller van het middel wijst er voorts op dat het hof in de bewijsmiddelen niet alleen heeft vastgesteld dat de benadeelde partij [slachtoffer] € 10,- per week ontving voor eten, maar ook dat zij € 100,- heeft ontvangen voor kleding en schoenen. Die € 100,- zou “ten onrechte niet zijn verrekend”. Daarover het volgende.
4.13
Het is juist dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet alleen blijkt dat aangeefster [slachtoffer]
€ 10,- per week ontving voor eten, maar ook dat zij € 100,- heeft ontvangen voor kleding en schoenen. Het hof heeft bij de schatting van de materiële geleden schade gebruik gemaakt van die tot het bewijs gebezigde verklaringen van [slachtoffer] . Ik acht het niet zonder meer begrijpelijk dat het hof bij die schatting vervolgens enkel rekening houdt met dat wekelijkse bedrag en niet óók met de, uit diezelfde verklaring blijkende, genoemde € 100,-. In zoverre is de klacht terecht voorgesteld.
4.14
De eerste deelklacht slaagt deels, maar tot terugwijzing hoeft dit niet te leiden. De Hoge Raad kan de zaak om redenen van doelmatigheid zelf afdoen, door € 100,- van het toegewezen bedrag aan materiële schade af te trekken.
Tweede deelklacht
4.15
De tweede deelklacht ziet op de deels toegewezen vordering tot vergoeding van
immateriële schade.De steller van het middel voert in de toelichting aan dat de overwegingen van het hof zijn oordeel dat sprake is van immateriële schade tot een bedrag van € 10.000,- niet kunnen dragen, omdat het hof aan dat oordeel “onder meer/hoofdzakelijk (…) ten grondslag [legt] dat
“uit de rapportage van behandelend GZ-psycholoog [blijkt] dat bij de benadeelde [slachtoffer] sprake is van PTSS, maar dat zij nog niet in staat is om hiervoor een behandeling te ondergaan””.Uit die rapportage zou volgens de steller echter niet kunnen worden afgeleid dat sprake is van klachten als gevolg van het bewezen verklaarde feit (maar juist ook van klachten die niet op dat feit zien) en ook niet dat [slachtoffer] nog niet in staat zou zijn om een behandeling te ondergaan. Bovendien zouden er slechts twee intakegesprekken hebben plaatsgevonden, meer dan drie jaren na het begaan van het strafbare feit. Dit alles zou maken dat het hof de vordering tot vergoeding van immateriële schade “ten onrechte, althans ontoereikend en/of onbegrijpelijk gemotiveerd heeft toegewezen”.
4.16
Voor de beoordeling van het middel biedt het door de Hoge Raad op 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793,
NJ2019/379, m.nt. W.H. Vellinga [7] gewezen overzichtsarrest het relevante kader. De Hoge Raad heeft in dat arrest overwogen (met weglating van voetnoten):
“2.4.4 Art. 6:106 BW Pro geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, te weten in geval van:
(…)
b. aantasting in de persoon: 1) door het oplopen van lichamelijk letsel, 2) door schade in zijn eer of goede naam of 3) op andere wijze;
(…)
2.4.5
Van de
[A-G: in art. 6:106 lid Pro 1, aanhef en onder b, BW]bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.
(…)
2.8.6
Art. 361, vierde lid, Sv schrijft voor dat de beslissing op de vordering van de benadeelde partij met redenen is omkleed. De begrijpelijkheid van de beslissingen over de vordering van de benadeelde partij is mede afhankelijk van de wijze waarop (en de stukken waarmee) enerzijds de vordering is onderbouwd en anderzijds daartegen verweer is gevoerd. Naarmate de vordering uitvoeriger en specifieker wordt weersproken, zal de motivering van de toewijzing van de vordering dus meer aandacht vragen.
2.8.7 (…)
De begroting van immateriële schade geschiedt naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt, alsmede, in geval van letselschade, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van het slachtoffer. Voorts dient de rechter bij de begroting, indien mogelijkheid, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.”
4.17
In het middel wordt gesteld dat het hof zijn oordeel dat sprake is van immateriële schade tot een bedrag van € 10.000,- niet had mogen baseren op de rapportage van de GZ-psycholoog vanwege, kort gezegd, tekortkomingen in die rapportage. Met enige welwillendheid begrijp ik dat bedoeld wordt te betogen dat het hof op grond van die rapportage niet heeft kunnen oordelen dat sprake was van geestelijk letsel en daarmee van een “aantasting in de persoon op andere wijze” als bedoeld in art. 6:106 lid Pro 1, aanhef en onder b, BW.
4.18
Uit het bestreden arrest volgt dat het hof tot toewijzing van de vordering tot vergoeding van immateriële schade is gekomen op de grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW, en meer specifiek het daarin genoemde geval van “aantasting van de persoon op andere wijze”. Het hof heeft in dit verband overwogen dat “indien het bestaan van geestelijk letsel (…) niet zou kunnen worden vastgesteld”, het hof in navolging van de rechtbank van oordeel is dat “de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de slachtoffers zozeer voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon reeds kan worden aangenomen”. Ook heeft het hof overwogen dat uit de rapportage van de GZ-psycholoog “bovendien blijkt (…) dat bij de benadeelde partij [slachtoffer] sprake is van PTSS.”
4.19
Uit deze overwegingen leid ik af dat het hof in ieder geval ook van oordeel is geweest dat sprake is van “aantasting in de persoon op ander wijze” vanwege de aard en de ernst van de normschending en de nadelige, voor de hand liggende, gevolgen daarvan voor de benadeelde partij. Dat oordeel acht ik, gelet op de aard en de ernst van de onder 1 bewezen verklaarde mensenhandel en hetgeen daarover is overwogen in (onder meer) de strafmotivering, niet onbegrijpelijk. Een en ander brengt met zich dat de tweede deelklacht, waarin in de kern bezien wordt opgekomen tegen het oordeel van het hof dat sprake is van een grond voor toekenning van immateriële schade vanwege het bestaan van geestelijk letsel, niet tot cassatie kan leiden.
4.2
De tweede deelklacht faalt.
Derde deelklacht
4.21
De derde deelklacht houdt in dat het hof “gelet op het bovenstaande (…) tevens ten onrechte, althans ontoereikend en/of onbegrijpelijk gemotiveerd [heeft] beslist tot de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het [slachtoffer] ”. Uit hetgeen ik hiervoor heb geconcludeerd naar aanleiding van de eerste deelklacht over de vordering van de benadeelde partij volgt dat ook de derde deelklacht slaagt, maar enkel wat betreft de hoogte van de opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Die moet met € 100,00 worden gematigd. Ook op dit punt kan de Hoge Raad de zaak zelf afdoen. De matiging heeft geen consequenties voor de opgelegde duur van de gijzeling. De gronden die meebrengen dat de eerste twee deelklachten grotendeels falen, brengen mee dat ook deze deelklacht grotendeels faalt.
4.22
Het middel treft voor een klein deel doel, maar behoeft niet tot terugwijzing te leiden omdat de Hoge Raad de zaak voor dat deel zelf kan afdoen.

5.Slotsom

5.1
Het eerste middel faalt. Het tweede middel slaagt deels, maar dat hoeft niet tot terugwijzing te leiden. Opgemerkt zij dat de verdachte in eerste aanleg van het onder 1 ten laste gelegde feit is vrijgesproken en dat in cassatie tevergeefs is geklaagd over de bewijsvoering en de bewezenverklaring dienaangaande. Om die reden ligt een afdoening met een op art. 81 lid 1 RO Pro gebaseerde overweging niet in de rede. [8]
5.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaar zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Daarmee is de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro overschreden. Deze overschrijding dient te leiden tot strafvermindering. [9] Verder heb ik ambtshalve geen andere grond voor vernietiging aangetroffen.
5.3
Deze conclusie strekt
- tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft
i. de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en
ii. de hoogte van de toegewezen vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] en de daarmee overeenkomende hoogte van de samenhangende schadevergoedingsmaatregel, tot verlaging van beide bedragen met € 100,00, en
- tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.De kwalificatie van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde luidt: “mensenhandel, terwijl de in artikel 273f, eerste lid onder 1°, 4°, 6° en 9° van het Wetboek van Strafrecht omschreven feiten worden gepleegd door twee of meer verenigde personen”.
2.Met weglating van paginanummers.
3.Zie ook HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316,
4.HR 18 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF0173, rov. 2.3.
5.HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379, m.nt. W.H. Vellinga, rov. 2.8.6.
6.HR 18 april 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9304, m.nt. W.C.L. van der Grinten, rov. 3.3 en HR 15 november 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2195, NJ 1998/314, m.nt. F.W. Grosheide, rov. 3.5.1. Zie ook de conclusie van P-G Silvis (onder 9) voor HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379, m.nt. W.H. Vellinga.
7.Zie in dit verband ook HR 2 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:822.
8.Vgl. HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40,
9.HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, rov. 3.4.