Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.De bewezenverklaring en de bewijsvoering
1.in de periode van 1 februari 2020 tot en met 31 mei 2020 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, een ander, genaamd [slachtoffer] , met één of meer van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273f Wetboek van Strafrecht genoemde middelen, te weten door dwang en/of geweld en/of een andere feitelijkheid en/of dreiging met geweld of een andere feitelijkheid en/of misleiding, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie,
heeft geworven en gehuisvest met het oogmerk van uitbuiting (sub 1), en/of
heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele en criminele aard (sub 4), en/of
heeft gedwongen of bewogen haar, verdachte, en/of haar mededader te bevoordelen uit de opbrengst van seksuele handelingen van die [slachtoffer] met of voor een derde tegen betaling (sub 9), en/of
opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer] (sub 6),
het mishandelen van die [slachtoffer] (onder andere door die [slachtoffer] te slaan, te schoppen, en/of haar keel dicht te knijpen en/of sigaretten op de arm van die [slachtoffer] uit te drukken), en/of
het zich op boze en/of agressieve en/of (anderszins) dreigende en/of overheersende en/of denigrerende toon/wijze te uiten tegen die [slachtoffer] ;
het brengen en/of houden van die [slachtoffer] in een positie waar zij afhankelijk van verdachte en/of haar mededader was voor het hebben van onderdak en/of
het brengen en/of houden van die [slachtoffer] in een positie waar zij niet over haar inkomsten kon beschikken en/of
het zeggen tegen die [slachtoffer] dat zij haar schuld bij haar, verdachte, moest aflossen en daarvoor arbeid moest verrichten van seksuele aard en/of
het dwingen van die [slachtoffer] om de opbrengsten uit de prostitutiewerkzaamheden aan haar, verdachte, en/of haar mededader af te dragen en/of
het onder controle honden van die [slachtoffer] , waardoor het voor die [slachtoffer] werd bemoeilijkt zich aan die controle te onttrekken en/of
het innemen en/of hij zich houden van de bankpas van die [slachtoffer] , waardoor die [slachtoffer] hier zelf niet over kon beschikken;
het aangaan en/of onderhouden van een liefdesrelatie en/of seksuele relatie met die [slachtoffer] en/of
het laten verblijven van die [slachtoffer] in de woning van haar, verdachte, en haar mededader en/of
het voorstellen aan die [slachtoffer] om prostitutiewerk te gaan doen en/of
het maken van foto's voor advertenties op één of meer website(s) waarin die [slachtoffer] werd aangeboden voor prostitutiewerkzaamheden en/of
het onderhouden van contacten met en/of het maken van afspraken met (potentiële) (prostitutie)klant(en) voor die [slachtoffer] en/of het maken van afspraken met die (potentiële) klant(en) over de aard van de prostitutiewerkzaamheden en/of de daarvoor te betalen bedragen en/of
het bepalen met welke klanten die [slachtoffer] af moest spreken, ook wanneer die [slachtoffer] dat niet wilde en/of
het bepalen of die [slachtoffer] prostitutiewerkzaamheden met of zonder condoom moest verrichten en/of
het bepalen dat die [slachtoffer] een bepaald minimumbedrag per dag en/of week moest verdienen en/of
het bepalen dat die [slachtoffer] goederen (onder andere boodschappen) moest gaan stelen;”
Het proces-verbaal van aangifte d.d. 10 september 2020 (…), voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [slachtoffer] ;
(het hof begrijpt hier: medeverdachte)ging heb ik mijn moeder 10 maanden geblokkeerd omdat [medeverdachte] , ik noem [medeverdachte] , dat van me vroeg. Dat was in de periode van begin juli 2019 tot aan juni 2020.
Het proces-verbaal van aangifte d.d. 14 september 2020 (…), voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [slachtoffer] ;
(het hof begrijpt hier: de eerste maand), dan maar geen drie uur slaap, je moet gewoon je limit halen, mijn energie was toen op, ik moest het geld binnenhalen want anders kreeg ik klappen of bij mijn strot gegrepen worden of weet ik veel wat. De laatste maand was niet meer te houden. Ik had de laatste maand hooguit 200 euro. Ik had geen slaap, geen tijd om te eten, geen liefde meer krijgen, er was niets meer om energie uit te halen.
(het hof begrijpt: medeverdachte), daar kreeg ik een tientje van: ik mocht van dat geld bij haar bestellen, ik kreeg in het weekend een grote fles energy zodat ik wanneer
[A-G: ik begrijp: wakker] zou blijven; ik had een verslaving aan energy, dat was mijn beloning. Ik bleef wakker op de suikers, 's ochtends een broodje, 's avonds als zij gingen eten dan ging ik weer aan het werk. Ik was 15 tot 20 kilo lichter omdat ik niet kon eten en leefde op energydrank.
(het hof begrijpt: via de website [website 1] met mannen af te spreken en daar geld voor te krijgen)ook doen dan, dit is het enige waar ze misschien wel goed in is. [verdachte] heeft me dit verteld. Toen [verdachte] dit voorstelde, reageerde [medeverdachte] : ja, het is wel een oplossing, dan komt er in ieder geval geld binnen.
(het hof begrijpt: [betrokkene 3] ).Daarna gebruikte ik een reservetoestel van [medeverdachte] . Ze wilde wel weten waar ik was, als ik bijvoorbeeld naar de winkel ging, of om te vragen of ik wat nodig had of zo.
Het proces-verbaal van verhoor aangeefster d.d. 12 juli 2021 (…), voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [slachtoffer] ;
(het hof begrijpt: de medeverdachte)stelde mij 2 opties voor. Of werken voor [verdachte] en dat hield in pillen bezorgen. Ik heb een hekel aan drugs en wil er niks mee te maken hebben. Dit was voor mij dus geen optie. De andere optie was voor [medeverdachte] gaan werken in de prostitutie. [medeverdachte] gaf aan mij aan dat als we genoeg geld hadden dat we samen een huis zouden huren en een toekomst zouden opbouwen. Vanaf toen maakte [medeverdachte] voor mij een profiel aan op een site. Als er een date kwam kreeg ik door hoe laat ik ergens moest zijn. De man waarmee ik de date had kreeg dan door wat ik aan had.
(het hof begrijpt in samenhang met bewijsmiddel 4: februari 2020 tot en met mei 2020).
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 juli 2021 (…), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 1] ;
Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 22 juli 2021 (…), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [betrokkene 4] ;
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 juli 2021 (…), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 2] ;
(toevoeging hof: in de bewezenverklaarde periode € 1.985,00)
Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg d.d. 18 januari 2022, voor zover inhoudende als verklaring van [verdachte] ;
(het hof begrijpt hier: [medeverdachte] )zijn sinds maart 2020 in mijn woning ingetrokken. Aanvankelijk vond ik het vreemd dat [slachtoffer] meenam, maar ik begreep dat zij nergens anders heen kon, dus ik heb dat toch toegestaan.
Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 1 juli 2021 (…), voor zover inhoudende als verklaring van [medeverdachte] :
(het hof begrijpt: aangeefster [slachtoffer] )kennen via een Skypegroep.
(het hof begrijpt: [betrokkene 3] ).
(het hof begrijpt: [verdachte] ).
(het hof begrijpt: op 29 april 2020 opgenomen in het ziekenhuis)
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 20 april 2023, voor zover inhoudende als verklaring van [verdachte] ;
Bewijsoverwegingen
echterdat het voorstel van [medeverdachte] afkwam;
echtereigendom was van een van de getuigen;
echterook dat de sleutel zich op de kluis bevond. De politie treft bij de doorzoeking de sleutel aan in de tas waarin zich de sleutel bevind;
[A-G: ik begrijp: hof]er vanuit gaat dat de tenlastegelegde feiten zich hebben voortgedaan dan:
primairgesteld dat de rol van [verdachte] te gering is geweest om te spreken van het medeplegen van het feitencomplex. Van medeplegen is ingevolge vaste jurisprudentie sprake wanneer twee of meer personen gezamenlijk een strafbaar feit plegen en een
gelijkwaardige rolhebben gespeeld. Medeplegen vereist een
nauwe en bewuste samenwerking.Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de
intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is.
[A-G: ik begrijp: de medeverdachte]was opgenomen in het ziekenhuis gingen de werkzaamheden door;
subsidiairgesteld dat er geen sprake is van medeplegen van de tenlastegelegde dwang, geweldshandelingen danwel dreigementen met geweld.
Punt 5
3.Het eerste middel
NJ2015/390, m.nt. P.A.M. Mevis, 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716 en 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1315,
NJ2016/413, m.nt. N. Rozemond [3] , waarin de Hoge Raad enige algemene overwegingen heeft gewijd aan het medeplegen, in herinnering. Uit deze arresten blijkt dat voor de kwalificatie medeplegen vereist is dat sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking en dat de bewezen verklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. De vraag of aan deze eis is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Aandachtspunten voor die beoordeling kunnen onder meer zijn de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol van de verdachte in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang daarvan, de aanwezigheid van de verdachte op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van een strafbaar feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering. Als het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, dient de rechter de bewezenverklaring van het medeplegen in de bewijsvoering – dat wil zeggen in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging – nauwkeurig te motiveren. In elke zaak komt het telkens aan op een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval.
[A-G: ik begrijp het idee om [slachtoffer] seksuele diensten tegen betaling te laten verrichten]van de verdachte kwam, maar anderzijds uit de bewijsvoering volgt dat [slachtoffer] “voor de medeverdachte in de prostitutie kon gaan werken”. Daarnaast zou de tot het bewijs gebezigde verklaring van [slachtoffer] dat
“[v]oor de rest alles naar [verdachte] en [medeverdachte] [ging]”haaks staan op de ook door het hof gedane (herhaalde) vaststellingen dat – kort gezegd – al het door [slachtoffer] verdiende geld naar de medeverdachte ging. Tot slot zou het bestreden arrest ook wat betreft de periode dat de medeverdachte in het ziekenhuis verbleef innerlijk tegenstrijdig zijn. De steller voert hiertoe aan dat het hof enerzijds heeft vastgesteld dat “de werksituatie op dat moment niet anders was”, maar anderzijds dat “de laatste maand niet meer te houden was (…) en dat zij toen hooguit 200 euro had”.
ookvoor zijn oordeel dat de verdachte het onder 1 bewezen verklaarde feit heeft medegepleegd, gebruik heeft gemaakt die bewijsconstructie. Dat blijkt evenmin uit de op het medeplegen toegespitste overweging; daarin wordt immers enkel melding gemaakt van feiten en omstandigheden die op het eerste feit betrekking hebben. Voor zover met het middel wordt geklaagd over het gebruik van een schakelbewijsconstructie voor de bewezenverklaring van het medeplegen, berust het middel op een verkeerde lezing van het arrest. Bij gebrek aan feitelijke grondslag faalt daarom ook deze deelklacht.
4.Het tweede middel
Verzoek tot schadevergoeding
3.Strafbaar feit
TOELICHTING OP HET VOEGINGSFORMULIER
€ 2.315,00.
€ 173,00. Dus de opbrengst uit prostitutie: € 24.200,00 - € 173,00 = € 24.027,00.
€ 21.590,00 en een schadevergoedingsmaatregel tot datzelfde bedrag opgelegd. Het bestreden arrest houdt hierover het volgende in:
Vordering benadeelde partij [slachtoffer]
materiële schade(…) ten onrechte, althans ontoereikend en/of onbegrijpelijk gemotiveerd heeft toegewezen tot een bedrag van € 11.590,- te vermeerderen met de wettelijke rente”. De steller van het middel stelt zich op het standpunt dat het hof in de bewijsmiddelen heeft vastgesteld dat i) de benadeelde partij een schuld had van € 6.000,- bij de [medeverdachte] , ii) de benadeelde partij “een maandje (…) ofzo” zeven dagen per week in de prostitutie werkte, en iii) de benadeelde partij € 100,- heeft ontvangen voor kleding en schoenen. In het licht van deze vaststellingen zou de beslissing van het hof tot gedeeltelijke toewijzing van de materiële schade onjuist, ontoereikend gemotiveerd en/of onbegrijpelijk zijn.
€ 10,- per week ontving voor eten, maar ook dat zij € 100,- heeft ontvangen voor kleding en schoenen. Het hof heeft bij de schatting van de materiële geleden schade gebruik gemaakt van die tot het bewijs gebezigde verklaringen van [slachtoffer] . Ik acht het niet zonder meer begrijpelijk dat het hof bij die schatting vervolgens enkel rekening houdt met dat wekelijkse bedrag en niet óók met de, uit diezelfde verklaring blijkende, genoemde € 100,-. In zoverre is de klacht terecht voorgesteld.
immateriële schade.De steller van het middel voert in de toelichting aan dat de overwegingen van het hof zijn oordeel dat sprake is van immateriële schade tot een bedrag van € 10.000,- niet kunnen dragen, omdat het hof aan dat oordeel “onder meer/hoofdzakelijk (…) ten grondslag [legt] dat
“uit de rapportage van behandelend GZ-psycholoog [blijkt] dat bij de benadeelde [slachtoffer] sprake is van PTSS, maar dat zij nog niet in staat is om hiervoor een behandeling te ondergaan””.Uit die rapportage zou volgens de steller echter niet kunnen worden afgeleid dat sprake is van klachten als gevolg van het bewezen verklaarde feit (maar juist ook van klachten die niet op dat feit zien) en ook niet dat [slachtoffer] nog niet in staat zou zijn om een behandeling te ondergaan. Bovendien zouden er slechts twee intakegesprekken hebben plaatsgevonden, meer dan drie jaren na het begaan van het strafbare feit. Dit alles zou maken dat het hof de vordering tot vergoeding van immateriële schade “ten onrechte, althans ontoereikend en/of onbegrijpelijk gemotiveerd heeft toegewezen”.
NJ2019/379, m.nt. W.H. Vellinga [7] gewezen overzichtsarrest het relevante kader. De Hoge Raad heeft in dat arrest overwogen (met weglating van voetnoten):
[A-G: in art. 6:106 lid Pro 1, aanhef en onder b, BW]bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.