ECLI:NL:PHR:2026:593

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
24/00368
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 273f SrArt. 36e SrArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing ontnemingszaak mensenhandel wegens onjuiste hoofdelijke betalingsverplichting

De betrokkene is door het hof veroordeeld tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van €19.258,00 uit mensenhandel, met een hoofdelijke betalingsverplichting samen met een medebetrokkene. De betrokkene stelde in cassatie dat de schatting van het voordeel onvoldoende gemotiveerd was en dat de hoofdelijke betalingsverplichting onterecht was opgelegd.

De Hoge Raad oordeelt dat het eerste middel faalt omdat de ontnemingsrechter een ruime beoordelingsvrijheid heeft bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en niet gebonden is aan alle omstandigheden uit de hoofdzaak, zeker niet als deze niet in hoger beroep zijn aangevoerd. Het tweede middel slaagt echter omdat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat de betrokkene ook over het girale deel van het voordeel kon beschikken, terwijl dit essentieel is voor het opleggen van een hoofdelijke betalingsverplichting.

De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest en wijst de zaak terug aan het hof voor hernieuwde beoordeling. Tevens wordt opgemerkt dat de redelijke termijn is overschreden. De zaak betreft medeplegen van mensenhandel met ontnemingsmaatregelen en de discussie over de toerekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de hoofdelijke aansprakelijkheid.

Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting vanwege onvoldoende motivering van de hoofdelijke betalingsverplichting.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/00368 P
Zitting16 juni 2026
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de betrokkene

1.Het cassatieberoep

1.1
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 26 januari 2024 (parketnr. 20-000377-22) de betrokkene – ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel – de hoofdelijke verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van € 19.258,00 aan de Staat. Het hof heeft de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd in het geval van niet-betaling bepaald op 385 dagen.
1.2
Er bestaat samenhang met de (straf)zaak 24/00367. In die zaak concludeer ik vandaag ook.
1.3
Het cassatieberoep is op 6 februari 2024 ingesteld namens betrokkene. L.E.G. van der
Hut, advocaat in Den Haag, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel richt zich tegen (de motivering van) de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel c.q. de opgelegde betalingsverplichting. Het tweede middel ziet op de opgelegde hoofdelijke betalingsverplichting.
1.4
Deze conclusie leidt tot de slotsom dat het eerste middel faalt en het tweede middel slaagt.

2.De strafzaak (24/00367)

2.1
In de met de ontnemingszaak samenhangende strafzaak is de betrokken voor – kort gezegd – medeplegen van mensenhandel [1] ten aanzien van [aangeefster 1] (feit 1) en [aangeefster 2] (feit 2) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast is aan de betrokkene een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd, bestaande uit een contactverbod met beide aangeefsters. Tot slot heeft het hof beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen en over het beslag.

3.De ontnemingszaak

3.1
Het hof heeft in de ontnemingszaak geoordeeld dat de betrokkene – door middel van of uit de baten van – de in de strafzaak bewezenverklaarde mensenhandel wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten.
3.2
Het bestreden arrest houdt met betrekking tot de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel, de toerekening aan de betrokkene en medebetrokkene en de oplegging van de betalingsverplichting het volgende in (met weglating van voetnoten):

Grondslag van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De veroordeling
Betrokkene is bij arrest van 26 januari 2024 in de strafzaak onder parketnummer 20-000376-22 veroordeeld ter zake van 'mensenhandel, terwijl de in artikel 273f, eerste lid onder 1°, 4°, 6° en 9° van het Wetboek van Strafrecht omschreven feiten worden gepleegd door twee of meer verenigde personen, gepleegd in de periode van 1 februari 2020 tot en met 31 mei 2020 ten aanzien van [aangeefster 1] (feit 1) en in de periode van 1 januari 2021 tot en met 25 juni 2021 ten aanzien van [aangeefster 2] (feit 2).
De wettelijke grondslag
Ingevolge het bepaalde in artikel 36e tweede lid van het Wetboek van Strafrecht moet worden onderzocht of de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van de strafbare feiten waarvoor de betrokkene is veroordeeld.
Algemeen
Het hof baseert zich bij de berekening van het uit deze feiten wederrechtelijk verkregen voordeel op de berekening opgenomen in het door de politie opgemaakte Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel ex artikel 36e, tweede lid van Wetboek van Strafrecht van 13 augustus 20212, evenals de bijbehorende bewijsmiddelen waarnaar verwezen wordt in dit rapport, en de eventuele aanvullingen daarop.
Uit de bewezenverklaringen van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten in de strafzaak blijkt dat de betrokkene en de medebetrokkene van [aangeefster 1] en [aangeefster 2] opbrengsten hebben ontvangen afkomstig uit hun werkzaamheden als prostituee en andere arbeid of diensten van seksuele aard, en uit de overige inkomsten van [aangeefster 2] (waaronder Wajong uitkering en DUO financiering).
Feit 1: [aangeefster 1]
heeft verklaard dat ze van februari 2020 tot juni 2020 in de prostitutie heeft moeten werken. [aangeefster 1] heeft verklaard dat ze iedere dag heeft moeten werken en dat de klanten zowel contant als via een tikkie betaalden. In periode van 1 april 2020 tot en met 30 mei 2020 is op de bankrekening van [aangeefster 1] met nummer [rekeningnummer 1] , 35 keer een tikkie bijgeschreven met een totaalbedrag van € 1.985,00.
Het hof stelt vast dat [aangeefster 1] wisselend heeft verklaard over het aantal klanten dat zij in die periode heeft gehad. Bovendien heeft zij zich, zo volgt uit haar verklaring, in de beginperiode niet geprostitueerd maar andere arbeid of diensten van seksuele aard verricht, die 50 tot 100 euro per week opleverden (het sturen van seksberichten naar mannen), terwijl zij in de laatste maand, het hof begrijpt in mei 2020, met het zich prostitueren hooguit 200 euro zou hebben verdiend. Het hof zal, uitgaande van die verklaringen van [aangeefster 1] , de verdiensten over maand februari 2020 vaststellen op 4 weken x € 75= € 300,00 en over de maand mei 2020 op een bedrag van € 200,00.
Nu kennelijk het grootste deel van de verdiensten uit prostitutie in de periode van maart en april 2020, zijnde 61 dagen, contant is betaald, en hiervan geen boekhouding is bijgehouden, en de verdiensten per dag bij gebreke hiervan niet berekend kunnen worden aan de hand van het aantal klanten en verdiensten per klant, zal het hof bij de vaststelling van de verdiensten uit prostitutiewerkzaamheden in die periode uitgaan van een in de rechtspraak inmiddels vaker gehanteerd forfaitair bedrag van € 200,00 per dag. In dit bedrag zitten dan zowel de contante betalingen als betalingen die in de bewezenverklaarde periode via een tikkie zijn gedaan.
De verdiensten uit verrichte diensten of arbeid van seksuele aard bedragen aldus over de maand februari 2020 € 300,00, over de maanden maart en april 2020, zijnde 61 dagen x € 200,- per dag = € 12.200,00, en over de maand mei 2020 € 200,00, derhalve in totaal € 12.700,00.
[aangeefster 1] heeft verklaard dat ze haar verdiensten aan de betrokkene en de medebetrokkene moest afstaan en dat ze per week € 10,00 kreeg om van te eten. Daarom zullen de opbrengsten uit de verrichte diensten of arbeid in de periode van 1 februari 2020 tot en met 31 mei 2020, zijnde 17,3 weken worden verminderd met € 10,00 x 17,3 weken = € 173,00.
Het totaal aan verdiensten uit arbeid of diensten van seksuele aard in de bewezenverklaarde periode is aldus € 12.700,00 minus € 173,00 = € 12.527,00.
Feit 2: [aangeefster 2]
heeft verklaard dat ze in de periode van 1 januari 2021 tot en met 25 juni 2021 tegen betaling heeft moeten chatten (erotisch) en voor de webcam (seksuele) handelingen heeft moeten verrichten. In het begin zouden de verdiensten van [aangeefster 2] op haar rekening zijn gestort, maar nadat de bewindvoerder van [aangeefster 2] haar daarop heeft aangesproken, werd het geld van de verdiensten van [aangeefster 2] op de rekeningen van de betrokkene en de medebetrokkene gestort. [aangeefster 2] heeft daarbij gewerkt voor de site van [website 1] en de site van [website 2] .
[website 1]
is het bedrijf dat (erotische) chatoperators faciliteert door bijvoorbeeld vanuit huis (erotische) chatberichten te sturen naar betalende klanten. Op de ING-bankrekening van [aangeefster 2] met [rekeningnummer 2] zijn in de periode van 18 januari 2021 tot en met 30 maart 2021 een elftal betalingen verricht door het bedrijf [website 1] met een totale bijschrijving van
€ 1.535,34.
[website 2]
De betalingen voor de verrichte diensten (webcamseks) voor [website 2] zijn betaald door het bedrijf [A] B.V. Op de ING-rekening van [aangeefster 2] met [rekeningnummer 2] zijn in de periode van 23 maart 2021 tot en met 20 april 2021 door [A] B.V, 6 betalingen verricht met een totale bijschrijving van € 1.366,05. Op de ABN Amro-rekening van [aangeefster 2] met nummer [rekeningnummer 3] , zijn op 26 april 2021 en op 4 mei 2021 door [A] B.V. betalingen verricht tot een totaalbedrag van € 335,-.
Uit een e-mailbericht van de betrokkene van 30 april 2021 aan [website 2] blijkt dat zij heeft verzocht het telefoonnummer van het account van betrokkene bij [website 2] met [nummer] om te zetten naar het telefoonnummer van [aangeefster 2] , [telefoonnummer] .
Uit het rekeningoverzicht van de ABN Amro-rekening van de betrokkene blijkt dat in de periode van 11 mei 2021 tot en met 25 mei 2021, dus nadat het account van de betrokkene is omgezet naar het telefoonnummer van [aangeefster 2] , een bedrag van in totaal € 1.153,58 door [A] B.V. ( [website 2] ) aan de betrokkene is overgemaakt, telkens met de omschrijving van het account ( […] ) […] :
- Op 11 mei 2021 voor de periode 3 mei 2021 tot en met 9 mei 2021 een bedrag van € 351,81;
- op 18 mei 2021 voor de periode 10 mei 2021 tot en met 16 mei 2021 een bedrag van € 453,01; en
- op 25 mei 2021 voor de periode 17 mei 2021 tot en met 23 mei 2021 een bedrag van € 348,76.
Het hof gaat er derhalve van uit dat deze na 30 april 2021 op de ABN Amro-rekening van betrokkene gedane betalingen door [A] B.V. de verdiensten zijn geweest van [aangeefster 2] uit arbeid of diensten van seksuele aard.
[aangeefster 2] heeft verklaard dat ze al haar verdiensten heeft moeten afstaan aan de betrokkene en de medebetrokkene. Uit de agenda valt echter af te leiden dat [aangeefster 2] om de week voor € 10,- mocht uitzoeken. Het hof zal in het voordeel van de betrokkene en de medebetrokkene over de verdiensten een bedrag van € 10,00 per week in mindering brengen, zijnde 25 weken x € 10,00 = € 250,00.
Afstaan overige inkomsten
[aangeefster 2] heeft verklaard dat ze in de periode van 1 januari 2021 tot en met 25 juni 2021 al haar overige inkomsten (waaronder de Wajong-uitkering en DUO financiering) heeft moeten afstaan aan de betrokkene en de medebetrokkene.
Uit het dossier volgt dat op de ING-rekening van [aangeefster 2] met [rekeningnummer 2] in de periode van 15 januari 2021 tot en met 27 april 2021 60 transacties hebben plaatsgevonden tussen de bankrekening van [medebetrokkene] met nummer [rekeningnummer 4] . In totaal is een bedrag van € 1.624,51 van de rekening van [aangeefster 2] op de rekening van de medebetrokkene bijgeschreven. Omgekeerd is door de medebetrokkene van haar Rabo-rekening een bedrag van € 113,13 overgemaakt op de ING- rekening van [aangeefster 2] .In totaal heeft [aangeefster 2] een bedrag van
€ 1.511,38 meer overgemaakt naar de rekening van de medebetrokkene.
Voorts hebben van de ING-bankrekening van [aangeefster 2] in de periode van 29 januari 2021 tot en met 5 mei 2021 tien transacties plaatsgevonden naar de bankrekening van de betrokkene met [rekeningnummer 5] met een totaalbedrag van € 716,36. Op 18 januari 2021 is door [aangeefster 2] van haar ING-rekening een tikkie betaald van € 50,00 op de ABN Amro-rekening van de betrokkene. In totaal heeft [aangeefster 2] een totaalbedrag van € 766,36 overgemaakt naar de rekening van de betrokkene.
In de periode van 4 januari 2021 tot en met 12 juni 2021 werden er vanaf de ING-rekening van [aangeefster 2] 29 keer contante geldopnamen gedaan met een totaalbedrag van € 3.550,-. [aangeefster 2] heeft hierover verklaard dat de betrokkene en de medebetrokkene de beschikking hadden over haar pinpas en bankrekening. Het hof acht het aannemelijk dat deze contante opnamen ten gunste van de betrokkene en de medebetrokkene zijn gekomen.
Totale opbrengst [aangeefster 2]
Uit het vorenstaande blijkt dat door de betrokkene en de medebetrokkene van de ING-rekening van [aangeefster 2] een bedrag van € 3.550,00 contant is opgenomen en een totaalbedrag van € 2.277,74 (€ 1.511,38 plus € 766,36) naar de bankrekeningen van de betrokkene en de medebetrokkene zijn overgemaakt, zijnde in totaal € 5.827,74. Daarnaast zijn vanaf 30 april 2021 de verdiensten van [aangeefster 2] bij [website 2] ten bedrage van € 1.153,58 betaald op de ABN Amro-rekening van de betrokkene.
De op de ING-rekening van [aangeefster 2] betaalde gelden uit haar arbeid of diensten van seksuele aard van in totaal € 2.901,39 (€ 1.535,34 ( [website 1] ) plus € 1.366,05 ( [website 2] ) worden niet in de berekening betrokken nu deze gelden immers zijn opgenomen door of overschreven op de bankrekeningen van de betrokkene en de medebetrokkene. De verdiensten uit arbeid of diensten van seksuele aard van in totaal € 335,00 die betaald zijn op de ABN Amro-rekening van [aangeefster 2] worden niet in de berekening betrokken nu niet is gebleken dat deze gelden ter beschikking zijn gekomen aan de betrokkene en/of de medebetrokkene.
Het totaal wederrechtelijk verkregen voordeel ten aanzien van [aangeefster 2] bedraagt aldus € 5.827,74 plus € 1.153,58 minus € 250,00 = € 6.731,32.
Vaststelling geschat wederrechtelijk verkregen voordeel
Het voorgaande leidt er per saldo toe dat het hof het bedrag dat de betrokkene en de medebetrokkene [als] wederrechtelijk verkregen voordeel genoten schat op:
Wederrechtelijk verkregen voordeel [aangeefster 1] € 12.527,00.
Wederrechtelijk verkregen voordeel [aangeefster 2] € 6.731,32.
Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel:
€ 19.258,32
Het hof zal dit bedrag afronden op € 19.258,00.
Het hof ziet anders dan de rechtbank geen aanleiding om bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk voordeel is geschat de aan de benadeelde partijen toegekende vorderingen en de verplichting tot betaling aan de Staat voor de som geld ten behoeve van slachtoffers in mindering te brengen, nu die nog niet zijn voldaan.
(…)
Op te leggen betalingsverplichting
Het hof zal aan de betrokkene hoofdelijk de verplichting opleggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
(…)
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van
€ 19.258,00 (negentienduizend tweehonderdachtenvijftig euro);
legt de betrokkene de hoofdelijke verplichting op tot
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 19.258,00 (negentienduizend tweehonderdachtenvijftig euro);”
3.3
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 december 2023 houdt – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – het volgende in:
“De raadsvrouw pleit in de gelijktijdig behandelde strafzaak overeenkomstig de inhoud van de door haar aan het hof overgelegde pleitnota (…). De raadsvrouw voegt voor wat betreft de onderhavige ontnemingszaak daaraan het navolgende toe:
“Voor wat betreft de ontnemingsvordering refereer ik mij aan het oordeel van de rechtbank
[A-G: ik begrijp: het hof].”

4.Het eerste middel

4.1
Het eerste middel bevat de klacht dat de schatting c.q. vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel dan wel de oplegging van de betalingsverplichting niet, althans ontoereikend, gemotiveerd is, althans onbegrijpelijk is. In de toelichting op het middel wordt daartoe aangevoerd dat het hof verschillende, uit de in de strafzaak gebezigde bewijsmiddelen blijkende, omstandigheden ten onrechte niet heeft betrokken bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Uit die bewijsmiddelen zou blijken dat i) de [aangeefster 1] een schuld van € 6.000,- had bij de [medebetrokkene] , ii) [aangeefster 1] “een maandje (…) of zo” zeven dagen per week werkte, en iii) [aangeefster 1] € 100,00 heeft ontvangen voor kleding en schoenen. Daarnaast wordt door de steller aangevoerd dat zowel [aangeefster 1] als [aangeefster 2] in de (in de strafzaak) bewezen verklaarde periode in de woning van de betrokkene woonde, zodat een deel van het voordeel moet worden aangemerkt als “de voldoening van (…) woonkosten en kosten van levensonderhoud”. Door het hof zijn die kosten ten onrechte niet in mindering gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel, aldus de steller.
4.2
Bij de beoordeling van het middel stel ik het volgende voorop. De rechter die over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel moet oordelen, is gebonden aan bepaalde oordelen van de rechter in de hoofdzaak. Zo staat de bewezenverklaring in de ontnemingsprocedure vast. Ook is de ontnemingsrechter gebonden aan oordelen over de verwerping van gevoerde bewijsverweren en de betrouwbaarheid van de in de strafzaak gebezigde bewijsmiddelen. [2] Dit laat echter onverlet dat aan de ontnemingsrechter een zelfstandig oordeel toekomt over alle verweren die betrekking hebben op de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat. [3] Hieruit volgt ook dat de ontnemingsrechter niet gebonden is aan een overweging van de rechter die over de hoofdzaak oordeelt die betrekking heeft op (het bedrag van) het mogelijk voor ontneming in aanmerking komende wederrechtelijk verkregen voordeel. [4] Het is immers de ontnemingsrechter die het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat. De ontnemingsrechter heeft daarbij een grote vrijheid, welke vrijheid zich óók uitstrekt over de vraag of, en zo ja, in hoeverre door betrokkene gemaakte kosten in minder zullen worden gebracht op het ontnemingsbedrag. De betrokkene is in dat verband zelf gehouden de gemaakte kosten op te geven. Geen rechtsregel dwingt de ontnemingsrechter tot een ambtshalve onderzoek naar kostenposten. [5] Evenmin bestaat er een verplichting tot het in mindering brengen van kosten. [6]
4.3
In het middel wordt betoogd dat het hof – oordelende als ontnemingsrechter – ten onrechte een aantal uit de bewijsmiddelen in de strafzaak blijkende en, zo begrijp ik, voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ook redengevende omstandigheden niet heeft betrokken bij de schatting van het genoten voordeel. Voor zover daarmee wordt betoogd dat de ontnemingsrechter, bij de vaststelling van dat voordeel, gebonden is aan de bewijsvoering in de hoofdzaak, indien daaruit blijkt van omstandigheden die redengevend (kunnen) zijn voor de schatting van het voordeel, berust dat betoog op een onjuiste opvatting. De ontnemingsrechter is niet in die zin gebonden aan het oordeel van de rechter in de hoofdzaak. De vaststelling of de betrokkene door middel van of uit de baten van de bewezen verklaarde feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen en, zo ja, in welke mate, is bij uitstek het domein van de ontnemingsrechter. Voor zover het middel berust op de veronderstelling dat de ontnemingsrechter bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel in de hiervoor omschreven zin is gebonden aan de bewijsvoering in de hoofdzaak faalt het, omdat daarmee een eis wordt gesteld die het recht niet kent.
4.4
Afgezien daarvan blijkt, anders dan door de steller van het middel wordt betoogd, uit de bewijsvoering in de hoofdzaak niet dat de [aangeefster 1] een schuld van € 6.000,- had bij de medeveroordeelde [medebetrokkene] . Uit de tot het bewijs gebezigde verklaring van [aangeefster 1] blijkt enkel dat [medebetrokkene] tegen [aangeefster 1] heeft gezegd dat zij een schuld van € 6.000,- had openstaan en niet dat [aangeefster 1] daadwerkelijk een dergelijke schuld had. Voor zover het middel de klacht behelst dat het hof de genoemde schuld “ten onrechte” niet bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft betrokken, faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag.
4.5
Uit de in de hoofdzaak tot het bewijs gebezigde verklaring van [aangeefster 1] blijkt, anders dan door de steller van het middel wordt betoogd, evenmin dat zij slechts één maand 7 dagen per week in de prostitutie heeft gewerkt. Zij heeft verklaard: “de eerste week had ik al 5.000,- à 6.000 euro, ik had gewoon iedere avond 5 tot 12 mannen die allemaal rond de 150 euro wilden, voor een uur. Dat is van 21:00 uur tot 12:00 uur de volgende dag. Ik heb dat een maandje gedaan ofzo. 7 dagen in de week, drie uur slapen. (…) Aan het einde van die maand, dan maar geen drie uur slaap, je moet gewoon je limiet halen, mijn energie was toen op, ik moest geld binnenhalen want anders kreeg ik klappen of bij mijn strot gegrepen worden of weet ik veel wat”. Kennelijk heeft het hof de verklaring van [aangeefster 1] zo begrepen dat “een maandje” betrekking heeft op haar aantal uren slaap per dag en niet, zoals de steller van het middel betoogt, op het aantal gewerkte dagen per week. Dat het hof, op grond van (onder meer) genoemde verklaring van [aangeefster 1] , bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is uitgegaan van de situatie dat zij twee maanden lang 7 dagen per week in de prostitutie heeft gewerkt, acht ik dan ook niet onbegrijpelijk.
4.6
Door de steller van het middel wordt verder nog aangevoerd dat het hof bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel ook de – uit de bewijsmiddelen in de hoofdzaak blijkende – omstandigheid dat zij € 100,- heeft ontvangen voor kleding en schoenen had moeten betrekken. Daarover kan ik, mede gelet op hetgeen ik onder randnr. 4.3 heb opgemerkt, kort zijn. Door of namens de betrokkene is in hoger beroep niet aangevoerd dat de genoemde € 100,- in mindering moet worden gebracht op het te schatten ontnemingsbedrag. Sterker nog: de verdediging heeft geen enkel verweer gevoerd met betrekking tot de ontnemingsvordering, maar zich te dien aanzien gerefereerd aan het oordeel van hof. Een dergelijk verweer over de aftrek van kosten kan niet pas voor het eerst in cassatie worden gevoerd, omdat de beoordeling daarvan een onderzoek van feitelijke aard vergt. Daarvoor is in cassatie geen plaats. Ook daarom faalt het middel.
4.7
Dit geldt ook voor zover de steller van het middel betoogt dat [aangeefster 1] en [aangeefster 2] in de in de strafzaak bewezen verklaarde perioden in de woning van de betrokkene woonden en het hof, gelet daarop, ten onrechte heeft nagelaten (niet nader gespecifieerde) woonkosten en kosten van levensonderhoud in mindering te brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel. Ook dat verweer is in hoger beroep niet gevoerd en kan niet pas voor het eerst in cassatie naar voren worden gebracht.
4.8
Het middel faalt in al zijn onderdelen.

5.Het tweede middel

5.1
Het tweede middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend en/of onbegrijpelijk gemotiveerd, aan de betrokkene een hoofdelijke betalingsverplichting heeft opgelegd voor het gehele bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel.
5.2
In de onderhavige zaak is door het hof toepassing gegeven aan art. 36e, zevende lid, Sr en aan de betrokkene een hoofdelijke betalingsverplichting opgelegd voor het gehele bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel.
5.3
De Hoge Raad heeft in een vijftal arresten [7] van 7 april 2015 onder meer het volgende overwogen over de hoofdelijke aansprakelijkheid in de zin van artikel 36e lid 7 Sr:
“2.4.6. Het opleggen van een hoofdelijke betalingsverplichting voor het gehele bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel, zonder dat is kunnen worden vastgesteld dat de ‘schuldenaar’ dat voordeel heeft verkregen, zal doorgaans in strijd zijn met het uitgangspunt dat slechts voordeel kan worden ontnomen dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald. Alleen indien het verkregen wederrechtelijk voordeel als ‘gemeenschappelijk voordeel’ kan worden aangemerkt waarover ieder van de mededaders kan beschikken of heeft kunnen beschikken, tast oplegging van een hoofdelijke betalingsverplichting het karakter van de ontnemingsmaatregel niet aan. Dit ‘gemeenschappelijk voordeel’ kan dan aan ieder van de mededaders voor het geheel worden toegerekend.
2.4.7.
Indien door twee of meer personen een strafbaar feit is gepleegd dat wederrechtelijk verkregen voordeel heeft opgeleverd, kan daaraan echter niet zonder meer de conclusie worden verbonden dat het verkregen voordeel als ‘gemeenschappelijk voordeel’ moet worden aangemerkt. Het hangt af van de omstandigheden van het geval wanneer daarvan sprake zal zijn.
2.4.8.
Hoofdelijke aansprakelijkheid in de zin van art. 36e, zevende lid, Sr zal zich naar verwachting slechts in een beperkt aantal gevallen voordoen. In de situatie dat twee of meer daders van een strafbaar feit daarvan hebben geprofiteerd, maar aan het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet een indicatie valt te ontlenen voor de verdeling van de opbrengst, ligt pondspondsgewijze toerekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel meer voor de hand. In de gevallen dat niet kan worden vastgesteld met hoeveel mededaders het strafbare feit is gepleegd, kan op basis van de omstandigheden van het geval het daardoor verkregen voordeel ook voor een naar redelijkheid te bepalen gedeelte aan de betrokkene worden toegerekend. Indien het dossier en het verhandelde ter terechtzitting zodanige duidelijke aanwijzingen bevatten dat het vermoeden gerechtvaardigd is dat twee of meer, bekende of onbekende, daders gezamenlijk de beschikking hebben of gedurende zekere tijd de beschikking hebben gehad over de gehele opbrengst van het strafbare feit en de betrokkene als een van die daders geen, dat vermoeden ontzenuwende, gegevens daaromtrent verschaft - op welke situatie de wetgever bij invoering van het huidige art. 36e, zevende lid, Sr in het bijzonder oog had - kan de rechter het wederrechtelijk verkregen voordeel als gemeenschappelijk voordeel voor het geheel aan de betrokkene toerekenen. In zo een geval mag worden aangenomen dat het opleggen van de ontnemingsmaatregel voor het gemeenschappelijke geheel van het verkregen voordeel het met de ontnemingsmaatregel beoogde reparatoire karakter heeft.”
5.4
Het hof heeft de oplegging van de hoofdelijke betalingsverplichting als volgt gemotiveerd:
“Toerekening aan de betrokkene en medebetrokkene
Indien het dossier en het verhandelde ter terechtzitting zodanige duidelijke aanwijzingen bevatten dat het vermoeden gerechtvaardigd is dat twee of meer, bekende of onbekende daders gezamenlijk de beschikking hebben of gedurende zekere tijd de beschikking hebben gehad over de gehele opbrengst van het strafbare feit of de strafbare feiten en de betrokkene als een van die daders geen, dat vermoeden ontzenuwende, gegevens daaromtrent verschaft kan de rechter het wederrechtelijk verkregen voordeel als gemeenschappelijk voordeel voor het geheel aan de betrokkene toerekenen.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [betrokkene] en [medebetrokkene] gezamenlijk de beschikking hebben gehad over de gehele wederrechtelijke opbrengst. Daarbij acht het hof het volgende van belang.
De betrokkene en de medebetrokkene hebben de – voor het berekende wederrechtelijk verkregen voordeel relevante – strafbare feiten tezamen en in vereniging begaan.
Ten aanzien van de inkomsten uit de verdiensten van [aangeefster 1] overweegt het hof nog als volgt. Het door [aangeefster 1] verdiende
contant[onderstreping door mij, A-G]geld moest worden afgestaan aan de medebetrokkene. De medebetrokkene legde het geld vervolgens in een kluis waarover de betrokkene en de medebetrokkene de beschikking hadden. Daarnaast werd het afgestane geld door beiden uitgegeven om onder andere in hun levensonderhoud te voorzien.
Ten aanzien van de inkomsten uit de verdiensten van [aangeefster 2] overweegt het hof als volgt. Uit de bewijsmiddelen is gebleken dat [aangeefster 2] haar verdiende geld moest afstaan. Zo werden door de betrokkene en de medebetrokkene van de ING-rekening van [aangeefster 2] contant gelden opgenomen met de pinpas (en pincode) van [aangeefster 2] die in het bezit was van zowel de betrokkene als de medebetrokkene. Verder is er van de ING-rekening van [aangeefster 2] geld overschreven naar de bankrekeningen van de betrokkene en de medebetrokkene. Hierover heeft [aangeefster 2] ook verklaard dat zowel de betrokkene als de medebetrokkene de beschikking hebben gehad over haar digitaal bankieren. Dat dit de intentie is geweest van de betrokkene en de medebetrokkene blijkt ook wel nu de betrokkene zich bij een medewerker van de ING-bank, de bank van [aangeefster 2] , zich in het telefoongesprek heeft voorgedaan als [aangeefster 2] om te proberen gegevens aan te passen. Dat er een deel van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de rekening van de betrokkene en op die van de medebetrokkene is overgemaakt, maakt naar het oordeel van het hof niet dat ze niet gezamenlijk hebben kunnen beschikken over dit voordeel. Dit geldt temeer nu de betrokkene en de medebetrokkene in de periode van 1 januari 2021 tot en met 25 juni 2021 samen in de woning van de betrokkene woonden en een gemeenschappelijke (financiële) huishouding deelden.
Door de verdediging zijn geen ontzenuwende gegevens verschaft die het vermoeden dat de betrokkene en de medebetrokkene gezamenlijk de beschikking hadden over het wederrechtelijk verkregen voordeel ontkrachten. Deze omstandigheden maken samen dat het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel als gemeenschappelijk voordeel voor het geheel aan de betrokkene toerekenen en dat de betrokkene en de medebetrokkene hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gezamenlijke betalingsverplichting.”
5.5
Uit voorgaande overwegingen van het hof volgt dat het hof, voor zijn oordeel dat de betrokkene en de medebetrokkene gezamenlijk de beschikking hebben gehad over de gehele wederrechtelijke opbrengst – naast de omstandigheden dat het bewezenverklaarde in vereniging is begaan en door de verdediging geen gegevens zijn verschaft die de gezamenlijke beschikking van de wederrechtelijke opbrengst “ontzenuwen” – verschillende omstandigheden van belang heeft geacht. Het hof heeft daarbij onderscheid gemaakt tussen omstandigheden die specifiek gelden voor de door [aangeefster 1] (feit 1) aan de betrokkenen afgestane gelden en de door [aangeefster 2] (feit 2) afgestane gelden (respectievelijk € 12.527,00 en € 6.731,32).
5.6
Ten aanzien van de [aangeefster 1] heeft het hof in het kader van de oplegging van de hoofdelijke betalingsverplichting de omstandigheden betrokken dat i) zij haar verdiende
contantegeld moest afstaan aan de medebetrokkene, ii) de medebetrokkene dat geld in een kluis legde waarover zowel de betrokkene als de medebetrokkene de beschikking hadden en iii) het afgestane geld door hen beiden werd uitgegeven om onder andere in hun levensonderhoud te voorzien.
5.7
Anders dan de steller van het middel betoogt, heeft het hof de onder ii) genoemde omstandigheid kunnen baseren op de inhoud van het dossier. Uit de in de strafzaak tot het bewijs gebezigde verklaring van [aangeefster 1] blijkt immers dat [aangeefster 1] heeft verklaard dat de sleutel van de in de woning van de betrokkene aanwezige kluis “gewoon op de kluisdeur stond”
[A-G: ik begrijp, dat de sleutel op die kluis lag]en dat de betrokkene, toen de medebetrokkene in het ziekenhuis lag, die sleutel en het geld in beheer had.
5.8
Het op deze vaststellingen gebaseerde oordeel van het hof dat de betrokkenen gezamenlijk de beschikking hebben gehad over het door [aangeefster 1] verdiende
contantegeld – welk oordeel, anders dan de steller van het middel betoogt, niet enkel is gebaseerd op de omstandigheid dat de mensenhandel in vereniging is gepleegd – acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. In het middel wordt echter ook naar voren gebracht dat een gedeelte van het door [aangeefster 1] verdiende en afgestane geld heeft bestaan uit aan haar gedane
giralebetalingen. Blijkens het bestreden arrest zou het daarbij gaan om een totaalbedrag van € 1.985,00. Die gelden zijn – zo leid ik uit de gebezigde bewijsmiddelen in de strafzaak af – deels door de medebetrokkene opgenomen en in de kluis gelegd, maar deels ook overgemaakt naar de bankrekening van de medebetrokkene. Het bestreden arrest houdt niets in waaruit kan worden afgeleid dat de betrokkene ook over dit girale deel van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft kunnen beschikken. Met de steller van het middel acht ik het oordeel van het hof dat het
gehelewederrechtelijk verkregen voordeel, dus óók de aan [aangeefster 1] gedane girale betalingen, als gemeenschappelijk voordeel kan worden aangemerkt, waarover zowel de betrokkene als medebetrokkene hebben kunnen beschikken, niet toereikend gemotiveerd. In zoverre slaagt het middel. De rest van het middel behoeft om die reden geen bespreking meer.
5.9
Het middel slaagt.

6.Slotsom

6.1
Het eerste middel faalt. Het tweede middel slaagt.
6.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden.
6.3
Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6.4
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.De kwalificatie van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde luidt: “mensenhandel, terwijl de in artikel 273f, eerste lid onder 1°, 4°, 6° en 9° van het Wetboek van Strafrecht omschreven feiten worden gepleegd door twee of meer verenigde personen”.
2.Zie in dit verband de conclusie van A-G Aben van 31 oktober 2023 (ECLI:NL:PHR:2023:964, randr. 21) vóór HR 12 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1690,
3.Zie onder meer HR 8 juni 1999, ECLI:NL:HR:ZD1501,
4.HR 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:789, rov. 2.3 en 2.4.
5.E.J. Hofstee in: C.P.M. Cleiren, J.H. Crijns, M.J. Dubelaar en M.J.M. Verpalen (red.),
6.Vgl. A-G Bleichrodt in zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2019:738, onder randnr. 12) vóór HR 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1478.
7.HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:878,