Conclusie
Nummer22/00871 P
Inleiding
De strafzaak
als getuige in de strafzaaktegen onder meer de betrokkene, zulks in aanwezigheid van een namens de betrokkene optredende raadsman.
De ontnemingszaak: het getuigenverzoek
“De voorzitter merkt op:
De raadsman deelt mede:
De voorzitter hervat het onderzoek en merkt op:
Het bewijsoordeel omtrent het wederrechtelijk verkregen voordeel
Dienstverband [A] BV … € 141.984,00” en “
Aankoop Mercedes AMG ... € 21.000,00”.
Getuige [betrokkene 2] van [B] BV heeft verklaard dat betrokkene en [betrokkene 1] samen een Mercedes SL55 AMG, met kenteken [kenteken] , hebben gekocht. Er is een aanbetaling van € 2.000,- gedaan en (na inruil van een andere auto) € 19.000,- bijbetaald. Beide betalingen zijn contant gedaan. Op 8 juni 2012 is [betrokkene 3] gecontroleerd door de politie terwijl zij reed in de hiervoor vermelde Mercedes. Op 26 oktober 2012 vond een telefoongesprek plaats en werd betrokkene gevraagd wat hij nog had staan. Betrokkene noemde daarop onder andere een SL55 AMG, met “ […] ” in het kenteken. [4] Op 16 september 2012 is de betreffende Mercedes voor de ingang van het kamp gezien. Tijdens de doorzoeking van de woonwagen van betrokkene is de groene kaart van de Mercedes met kenteken [kenteken] aangetroffen. [5]
naar aanleiding van” die vordering. De behandeling van een ontnemingsvordering kent in de artikelen 511b tot en met 511i Sv op de materie toegesneden procedurevoorschriften die kunnen afwijken van de procedurevoorschriften die in strafzaken gelden. In de artikelen 511b, 511d en 511g Sv zijn op de behandeling van de vordering tot ontneming onder meer de voor strafzaken voorgeschreven bepalingen met betrekking tot het oproepen en horen van getuigen van overeenkomstige toepassing verklaard. [7] Deze bepalingen zijn leidend voor de maatstaf (het ‘noodzakelijkheidscriterium’ dan wel het ‘verdedigingsbelang’) aan de hand waarvan de ontnemingsrechter – zowel in eerste aanleg als in hoger beroep – het getuigenverzoek moet beoordelen. De zelfstandige plaats die de ontnemingsprocedure in het Wetboek van Strafvordering inneemt, brengt mee dat bij de behandeling van het hoger beroep van ontnemingszaken onder het in artikel 418 lid 2 Sv Pro bedoelde verhoor van de getuige ‘in eerste aanleg’, moet worden verstaan een verhoor in eerste aanleg in de
ontnemingszaak. [8] Vanwege het uiteenlopende karakter van de beslissingsthema’s in de strafzaak, onderscheidenlijk de ontnemingszaak, mogen de strafzaak en de ontnemingszaak in dit verband niet met elkaar worden vereenzelvigd. [9]
schattingvan de omvang van het voordeel dat afkomstig is uit de in de strafzaak bewezen verklaarde feiten dan wel uit die ‘andere’ (dan de bewezen verklaarde) strafbare feiten.
dat, maar niet
hoehet bewijs ten laste van de beklaagde moet worden geleverd. De onschuldpresumptie dwingt er dus niet toe dat de nationale bewijsvoorschriften, zoals die van de artikelen 338 tot en met 344a Sv, op de bewijsvoering in ontnemingszaken van toepassing zijn. Het is de aanklager bovendien toegestaan zich te bedienen van gevolgtrekkingen op basis van algemene ervaringsregels en (andere) weerlegbare bewijsrechtelijke vermoedens, van (abstracte) schattingsmethoden en extrapolaties. [25] Het gebruik van bewijsvermoedens heeft overigens wel zijn grenzen. [26] Indien louter vermoedens en speculatie al tot de vaststelling van schuld kunnen leiden, wordt de onschuldpresumptie beroofd van haar betekenis: onschuld is de regel, schuld is de uitzondering die bewijs vergt.
reeds eerder bij de rechter-commissaris is gehoord” is in de regel niet toereikend. Zonder nadere vaststellingen over wat in dat verhoor aan de orde is geweest dat van belang is voor de ontnemingszaak, kan de enkele omstandigheid dat deze getuige in de strafzaak al ten overstaan van een rechter is gehoord niet afdoen aan de onderbouwing van het getuigenverzoek. [40]
Het eerste middel
in de strafprocedure [is] gehoord, waarbij alle gelegenheid is geweest hem te bevragen”.
linker- en rechterhand”. Over eventuele contante betalingen van de betrokkene aan [A] / [betrokkene 1] (van een bedrag van in totaal € 141.984,-) is de getuige echter geen vraag gesteld. Over de Mercedes heeft de getuige meer specifiek meegedeeld dat die auto van hem is, dat hij die auto wel eens om uiteenlopende redenen aan de betrokkene uitleende en dat
hij( [betrokkene 1] , en dus niet de betrokkene) de auto (deels contant) heeft betaald.
niet geloofwaardig” geacht. Aan de betrokkene is door [A] echter – blijkens salarisstroken – wél ‘salaris’ betaald, zo stelt het hof eveneens vast. [42] Hierdoor, zo begrijp ik het hof, was de betrokkene in staat een legale herkomst te simuleren voor (girale) uitgaven aan consumptiegoederen, vaste lasten en levensonderhoud. Bij afwezigheid van een zichtbare girale geldstroom van de betrokkene aan [A] , gaat het hof ervan uit dat de betrokkene zijn gehele (in de onderzochte periode ontvangen) salaris ter hoogte van in totaal € 141.984,- met contante betalingen heeft voorgefinancierd. [43]
nietover eventuele contante betalingen aan zijn adres. Opgemerkt zij dat het antwoord van de getuige zich, indien hem die vraag wél zou zijn gesteld, laat raden. Het te verwachten antwoord ligt immers volledig in het verlengde van zijn mededelingen over het reële karakter van het dienstverband tussen de betrokkene en [A] .
reeds eerder bij de rechter-commissaris is gehoord” niet toereikend is. Zonder nadere vaststellingen over wat in dat verhoor aan de orde is geweest dat van belang is voor de ontnemingszaak, kan de enkele omstandigheid dat deze getuige in de strafzaak al door de rechter-commissaris is gehoord niet afdoen aan de onderbouwing van het getuigenverzoek, aldus oordeelde de Hoge Raad. [46] Daarbij nam de Hoge Raad in aanmerking dat de getuigenverzoeken in die zaak betrekking hadden op de omvang van door de veroordeelde gemaakte kosten, bestaande uit betalingen aan (onder anderen) deze getuigen, en dat uit de omstandigheid dat het hof deze betalingen in die zaak wel had betrokken bij zijn schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel, maar voor een veel geringer bedrag dan namens de veroordeelde was aangevoerd, bleek dat de veroordeelde in die zaak belang had bij zijn verzoeken. [47]
Het RHC-verhoor van [betrokkene 1] als getuige in de strafzaak’ en ‘
De context van het verzoek: nogmaals het bewijsoordeel van het hof’). Met uitzondering van de kwestie van de contante voorfinanciering van het ‘salaris’ van de betrokkene ter hoogte van € 141.984,-, is [betrokkene 1] reeds gehoord over alle onderwerpen waarover de verdediging hem (in de ontnemingszaak) wenste te bevragen. Bovendien heeft het hof zijn oordeel over het werkelijkheidsgehalte van deze voorfinanciering geschraagd met argumenten die onafhankelijk zijn van hetgeen de getuige hierover zou kunnen verklaren. Er is al met al dus wel een voorstelling te maken van hoe het hof het getuigenverzoek op andere dan de thans gebezigde gronden had kunnen afwijzen.
ter verduidelijking” het volgende overwogen:
(iii) Indien en voor zover een in het financieel rapport gemaakte gevolgtrekking is ontleend aan de inhoud van een of meer wettige, voldoende nauwkeurig in dat rapport aangeduide bewijsmiddelen en die gevolgtrekking - blijkens vaststelling door de rechter - door of namens de betrokkene niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist, kan de rechter bij de opgave van de bewijsmiddelen waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend, volstaan met de vermelding van (het onderdeel van) het financieel rapport als bewijsmiddel waaraan de schatting (in zoverre) is ontleend en het weergeven van die gevolgtrekking uit het rapport.
voldoende gemotiveerd” werd aangevochten.
Het tweede middel
Er is immers geen enkel wettig bewijsmiddel, waaraan de in geding zijnde uitgave van € 141.984 kan worden ontleend. In zijn arrest heeft het Hof weliswaar verwezen naar het 'Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling', maar is verzuimd een weergave van de inhoud daarvan in zijn arrest op te nemen.” Ik meen dat de klacht in die zin moet worden verstaan dat het hof niet met de voor bewijsmotiveringen vereiste nauwkeurigheid heeft aangeduid aan welke ‘redengevende feiten en omstandigheden’ het de vaststelling van de contante betalingen van in totaal € 141.984,-
uiteindelijkheeft ontleend.
(samengevat) weergeeft” onder nauwkeurige vermelding van de vindplaatsen daarvan, is aan de uit artikel 359 lid 3 Sv Pro voortvloeiende verplichting voldaan. [65]
De context van het verzoek: nogmaals het bewijsoordeel van het hof’) wijst uit dat de betwiste vaststelling van het hof, te weten dat de betrokkene contante bedragen van in totaal € 141.984,- heeft uitgegeven (aan [A] / [betrokkene 1] ), géén ‘redengevend feit of omstandigheid’ behelst. Het betreft een (voor het bewijsoordeel reden gevende) ‘gevolgtrekking’ die voortvloeit uit twee andere, daaraan voorafgaande gevolgtrekkingen. Die onderliggende gevolgtrekkingen zijn: (1) het dienstverband tussen de betrokkene en [A] was gefingeerd, en (2) de betrokkene kreeg niettemin salaris uitgekeerd ter hoogte van in totaal € 141.984,-. Indachtig de algemene ervaringsregel dat voor niks alleen de zon opgaat, heeft het hof hieruit afgeleid dat de betrokkene voor zijn gehele salaris zelf (in contanten) heeft betaald.
onder nauwkeurige vermelding van de vindplaatsen daarvan” volstaat.
Het derde middel
Het hof overweegt dat een betrokkene recht heeft op berechting binnen een redelijke termijn. Als redelijke termijn voor een betrokkene in een ontnemingszaak geldt in beginsel: