Conclusie
1.Inleiding
2.Waar het in cassatie om gaat
3.Het eerste middel
“niet tot het inzicht brengt dat de vordering moet worden afgewezen”. Dit omdat dit arrest volgens de A-G
“alleen ziet op het - kort gezegd - niet samengaan van fiscale fraude en ontneming. In casu is sprake van drugsgerelateerde inkomsten van betrokkene en is geen sprake van fiscale fraude”aldus de A-G. Daarenboven meent de A-G aan dat de navorderingsaanslag
“geen invloed [heeft] op de ontnemingszaak, zeker nu het bezwaar gegrond is verklaard, omdat de navordering te laat was en er dus niets betaald is aan de Belastingdienst door [betrokkene] .”Hierna ga ik in op deze twee standpunten.
“geen direct bewijs aanwezig is voor inkomsten uit brondelicten”.
in onderling verband en samenhang en gelet op de documenten in het dossier concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Al met al wordt de verklaring van de verdachte dat de in de tenlastelegging vermelde goederen een legale herkomst hebben, zodanig ondersteund dat de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat zij van misdrijf afkomstig zijn, niet gerechtvaardigd is.” Ook uit de ontnemingsrapportage blijkt niet dat het gestelde wederrechtelijk verkregen voordeel ‘drugsgerelateerde inkomsten’ (moet) betreffen.
het voorhanden hebben- dus niet: omzet genererende ‘handel in drugs’ - van de relatief beperkte hoeveelheid drugs of het wapenbezit waarvoor de [betrokkene] is veroordeeld, [betrokkene] op geld waardeerbaar voordeel heeft opgeleverd. De justitiële documentatie van [betrokkene] vermeldt, uitgezonderd de onderhavige straf- en ontnemingszaak, verder geen justitiële contacten. Er moet dus van worden uitgegaan dat de aangetroffen vermogensbestanddelen zijn voortgevloeid uit delicten die bij de belastingwet strafbaar zijn gesteld, zoals de opgelegde navorderingsaanslag met beschikking vergrijpboete bevestigt. In zodanig geval bepaalt artikel 74 AWR Pro dat artikel 36e Sr geen toepassing vindt.
Beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
NJ2022/135 m.nt. Reijntjes het volgende heeft vooropgesteld over art. 74 AWR Pro:
NJ2022/135 m.nt. Reijntjes vooropgesteld. Vervolgens heeft het hof deze rechtsregel toegepast en geoordeeld dat, nu het door de betrokkene behaalde voordeel niet (uitsluitend) op een of meer fiscale delicten is gebaseerd, art. 74 AWR Pro niet in de weg staat aan de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Daarmee heeft het hof geen blijk gegeven van een onjuiste lezing van HR 23 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1703,
NJ2022/135 m.nt. Reijntjes. Ook getuigt dit oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting. [3]
4.Het tweede en het derde middel
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
€ 939.605,76bedraagt.
(939.605,76 - 1.489.022,84 =) - € 549.417,08. Hieruit volgt dat sprake is van onbekende ontvangsten. Men kan immers niet meer uitgeven dan men aan geld beschikbaar heeft, tenzij sprake is van een andere, onbekende contante ontvangstenbron. Van deze onbekende ontvangstenbron van € 549.417,08 kan worden aangenomen dat deze ten minste gelijk is aan het wederrechtelijk verkregen voordeel.”
Stb. 2011, 171):
5.Het vierde middel
Werkelijke contante uitgaven