Conclusie
1.Inleiding
CG/Bezirkshauptmannschaft Landeck) (verder ook: Landeck-arrest of Landeck) waarin uitleg wordt gegeven aan onderdelen van die Richtlijn en het arrest van de Hoge Raad van 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409,
NJ2025/116 m.nt. Reijntjes en voorafgaande conclusie van A-G Harteveld (verder ook: arrest post-Landeck of post-Landeck).
2.De procesgang omtrent de prejudiciële vragen en de inhoud van die vragen
Procesgang
1. Is er bij het maken van een kopie van een smartphone - of bij een poging daartoe - in alle gevallen sprake van (volledige en ongecontroleerde) toegang tot persoonsgegevens die het risico van een ernstige of zelfs zeer ernstige inmenging in de grondrechten van de betrokkene met zich meebrengt, waarvoor volgens het arrest van het Hof van Justitie van 4 oktober 2024 (zaak C-548/21, CG t. Bezirkshauptmannschaft Landeck) een voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris is vereist of kan met de hiervoor genoemde werkwijze worden geoordeeld dat dat risico voldoende wordt ingeperkt zodat voor het maken van een kopie geen machtiging is vereist?
vraag 1bevestigend omdat – kort gezegd – voor het maken van een kopie van de gegevens op een smartphone toegang tot de smartphone noodzakelijk is en in geval van toegang tot een smartphone het risico van een (zeer) ernstige inmenging in de grondrechten van de gebruiker zou bestaan. Uit HvJ EU 4 oktober 2024 (zaak C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830,
CG/Bezirkshauptmannschaft Landeck) zou volgen dat in geval van toegang tot de smartphone zelfs al bij de (mislukte) poging tot toegang voorafgaande toetsing door een onafhankelijk orgaan is vereist en daaruit volgt dat het risico van inmenging in grondrechten volgens het HvJ EU niet afhankelijk is van al dan niet volledige kennisname van privacygevoelige gegevens. Nu het maken van een kopie het mogelijk maakt dat opsporingsdiensten niet alleen de gegevens vastleggen en bewaren maar ook kennisnemen van de gegevens en deze uitwisselen, is het risico van (zeer) ernstige inmenging in de grondrechten volgens de rechter-commissaris een gegeven. Het maken van een kopie zou (immers) reeds met zich brengen dat een grote hoeveelheid gegevens wordt verwerkt door de opsporing, zodat is voldaan aan het criterium dat een min of meer volledig beeld van bepaalde aspecten van iemands privéleven kan worden verkregen. In dit verband merkt de rechter-commissaris nog op dat in de memorie van toelichting bij de “Vaststelling van het nieuwe Wetboek van Strafvordering (Wetboek van Strafvordering)” [4] het volledig kopiëren van de inhoud van een digitale gegevensdrager of geautomatiseerd werk (een forensische kopie) als voorbeeld van een onderzoekshandeling geldt waarbij op voorhand redelijkerwijs voorzienbaar is dat een min of meer volledig beeld van bepaalde aspecten van iemands privéleven kan worden verkregen, tenzij de gegevensdrager weinig informatie bevat en dat dit niet anders wordt wanneer na het maken van een kopie slechts van een beperkt gedeelte van de overgenomen gegevens wordt kennisgenomen.
vraag 2en
vraag 3overweegt de rechter-commissaris van oordeel te zijn dat in naar behoren gemotiveerde spoedeisende gevallen het achteraf verlenen van een machtiging is toegestaan en dat – nu een definitie van spoedeisend geval in het Landeck-arrest en in het arrest HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409,
NJ2025/116 m.nt. Reijntjes ontbreekt – onder “spoedeisend geval” (voorlopig) dient te worden verstaan “een acute, reële mogelijkheid dat gegevens verloren gaan of gewijzigd kunnen worden en/of het leven, de veiligheid of gezondheid van mensen ernstig in gevaar kan worden gebracht.”
vraag 4stelt de rechter-commissaris aan de orde of het regiem van art. 359a Sv volstaat om te voldoen aan het door het HvJ EU vereiste van eenzelfde hoog beschermingsniveau, te meer daar toegang tot de smartphone persoonsgegevens kan blootleggen die door hun aard bijzonder gevoelig zijn wat betreft grondrechten en fundamentele vrijheden en waarvoor strengere voorwaarden voor de rechtmatigheid van de verwerking gelden. Indien voor het maken van een kopie van een smartphone een machtiging van de rechter-commissaris is vereist zonder dat het ontbreken van die rechterlijke toestemming gevolgen heeft voor de vraag of er ook onderzoek mag worden gedaan naar de gegevens op die smartphone, is er van het kunnen verzekeren in bovenbedoelde zin geen sprake, aldus de rechter-commissaris.
3.Richtlijn (EU) 2016/680
persoonsgegevens’: alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon („de betrokkene”); als identificeerbaar wordt beschouwd een natuurlijke persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificatiemiddel zoals een naam, een identificatienummer, locatiegegevens, een online identificatiemiddel of van een of meer elementen die kenmerkend zijn voor de fysieke, fysiologische, genetische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit van die natuurlijke persoon;
verwerking’: een bewerking of een geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens of een geheel van persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd via geautomatiseerde procedés, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, structureren, opslaan, bijwerken of wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, bekendmaking door middel van doorzending, verspreiden of op andere wijze ter beschikking stellen, aligneren of combineren, afschermen, wissen of vernietigen van gegevens;
NJ2025/116 m.nt. Reijntjes), r.o. 4.4.1 en 4.4.2 met een overzicht van bepalingen uit Richtlijn (EU) 2016/680 en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest).
4.Het arrest Landeck van het Hof van Justitie van de Europese Unie
CG/ Bezirkshauptmannschaft Landeck) heeft de volgende achtergrond. Op 23 februari 2021 hebben ambtenaren van het douanekantoor Innsbruck (Oostenrijk) bij een drugscontrole een aan CG geadresseerd pakket met daarin 85 gram cannabis in beslag genomen. Dit pakket is voor onderzoek overgedragen aan het politiebureau van St. Anton am Arlberg (Oostenrijk). Op 6 maart 2021 hebben twee politieagenten van dit bureau een huiszoeking gedaan bij CG, waarbij zij hem hebben ondervraagd over de afzender van dit pakket en zijn woning hebben doorzocht. Tijdens deze huiszoeking hebben de politieagenten CG verzocht om toegang tot de verkeersgegevens van zijn mobiele telefoon. Nadat deze laatste dit had geweigerd, hebben die politieagenten deze mobiele telefoon (met inbegrip van een simkaart en een SD-kaart) in beslag genomen en CG het proces-verbaal van de inbeslagneming overhandigd. Vervolgens is deze telefoon, met het oog op de ontgrendeling ervan, overgedragen aan een expert van het Bezirkspolizeikommando Landeck (regionale politie Landeck, Oostenrijk). Aangezien deze er niet in slaagde om de betrokken mobiele telefoon te ontgrendelen, is die telefoon aan het Bundeskriminalamt (federale recherche, Oostenrijk) in Wenen gezonden, waar een nieuwe poging is gedaan om die telefoon te ontgrendelen. De inbeslagneming van de mobiele telefoon van CG alsmede de latere pogingen om die telefoon uit te lezen, hebben plaatsgevonden op eigen initiatief van de betrokken politieagenten, zonder dat zij daarvoor toestemming hadden gekregen van het openbaar ministerie of een rechter. Op 31 maart 2021 heeft CG beroep ingesteld bij het Landesverwaltungsgericht Tirol (bestuursrechter in eerste aanleg van de deelstaat Tirol, Oostenrijk), de verwijzende rechter ten overstaan waarvan CG de rechtmatigheid betwist van de inbeslagneming van zijn mobiele telefoon. Deze telefoon werd op 20 april 2021 aan CG teruggegeven. CG is niet onmiddellijk in kennis gesteld van de pogingen om zijn mobiele telefoon uit te lezen. Hij heeft hier pas kennis van gekregen toen de politieagent die deze mobiele telefoon in beslag had genomen en daarna met de digitale analyse was begonnen, als getuige werd verhoord in het kader van de bij de verwijzende rechter aanhangige procedure. Ook zijn die pogingen niet in het strafdossier gedocumenteerd. [5] Het onderliggende strafbare feit waarvan de betrokkene werd verdacht betrof een licht feit dat met een gevangenisstraf van ten hoogste één jaar wordt bestraft.
NJ2025/116 m.nt. Reijntjes, de zienswijze van het openbaar ministerie en de voorgestelde regeling voor het nieuwe Wetboek van Strafvordering. Bij het navolgende overzicht maak ik regelmatig verklarende opmerkingen (steeds aangekondigd met: Aantekening), soms ook in het licht van het arrest HvJ EU 2 maart 2021, C-746/18, ECLI:EU:C:2021:152,
NJ2022/140 (
H.K./Prokuratuur) (verder: Prokuratuur-arrest of Prokuratuur).
omde op die telefoon opgeslagen persoonsgegevens op te vragen en te raadplegen, een verwerking initiëren in de zin van artikel 3, punt 2, van richtlijn 2016/680, ook als die diensten er om technische redenen niet in slagen om toegang te krijgen tot die gegevens” (cursivering
PHvK, ook hierna). Het HvJ EU (ov. 69-70) steunt hierbij op art. 2 lid 1 Richtlijn Pro 2016/680, volgens welke bepaling deze richtlijn van toepassing is “op de verwerking van
persoonsgegevensdoor bevoegde autoriteiten met het oog op de doeleinden van artikel 1, lid 1”, te weten met name “de voorkoming, het onderzoek, de opsporing of de vervolging van strafbare feiten”, en op art. 3 onder Pro 2 Richtlijn 2016/680, waarin het begrip “verwerking” is gedefinieerd als “een bewerking of een geheel van bewerkingen met betrekking tot
persoonsgegevensof een geheel van
persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd via geautomatiseerde procedés, zoals het […] opvragen, raadplegen” of het “verspreiden of op andere wijze ter beschikking stellen”. Volgens het HvJ EU heeft de Uniewetgever een ruime strekking willen geven aan het begrip “verwerking” en dus aan de materiële werkingssfeer van die richtlijn, waarbij erop wordt gewezen dat de in die bepaling genoemde handelingen niet limitatief zijn (ov. 71).
Aantekening: Het HvJ EU stelt wat betreft het door politiediensten initiëren van een verwerking enkel vast dat daarvan sprake is voor het geval waarin het manipuleren plaatsvindt met het doel om (in de Franse taalversie: “à des fins” en in de Engelse: “with a view to”) de op die telefoon opgeslagen “persoonsgegevens op te vragen en te raadplegen”. Dit roept om twee redenen de vraag op of bij het maken van een kopie/image van een smartphone sprake is van zodanige verwerking.
Aantekening: Hieruit leid ik ten eerste af dat op het moment de autoriteiten toegang tot gegevens proberen te krijgen, op dat moment bepalend is met welk doel die toegangsneming gebeurt. De autoriteiten zijn dan als de toegangsverkrijging slaagt bij wat zij vervolgens verder kunnen doen aan dat doel gebonden en mogen dus niet buiten dat doel gaan ook al zou dat feitelijk wel mogelijk zijn. Het kan daarbij dan dus om een beperkt doel gaan, dat bijvoorbeeld niet toestaat dat inhoudelijk naar gegevens wordt gekeken. Het HvJ EU sluit niet uit dat vervolgens – bijvoorbeeld op grond van een rechterlijke machtiging – verdere bevoegdheden worden verleend. Ook deze bevoegdheden zullen weer door het doel ervan zijn beperkt vanwege het doelbindingsbeginsel. Daarnaast valt uit de overweging van het HvJ EU op te maken dat voor zover uitoefening van een bepaalde bevoegdheid – ook wanneer die slaagt – de autoriteiten nog niet in staat zal stellen om de betrokken gegevens onmiddellijk te verzamelen, op te vragen of te raadplegen (bijvoorbeeld omdat er daartoe een technische belemmering is ingesteld) niet in de beoordeling hoeft te worden betrokken. De doelbinding hoeft slechts beperkend te werken ten aanzien van hetgeen door de bevoegdheidsuitoefening eventueel mogelijk wordt gemaakt.
Aantekening: De implicatie hiervan lijkt andersom ook dat wanneer de toegang nog niet tot zodanige schending kan leiden of wanneer zodanige schending dan daadwerkelijk kan worden vermeden, niet de mate van bescherming is vereist die van toepassing is wanneer zodanige schending niet kan worden vermeden. Het bepalen van doel van de gegevensverzameling vanaf het moment waarop de bevoegde autoriteiten proberen om toegang te krijgen tot persoonsgegevens – zoals het HvJ EU dus vereist – en het vanaf dat moment toepassen van de doelbinding, impliceert een beperking van de bevoegdheden die er zijn wanneer het toegang nemen tot de gegevens slaagt. Ik leid hieruit – mede gelet op de uiteenzetting onder 4.8 – af dat wanneer het doelbindingsbeginsel nationaal van toepassing wordt geacht en ook wordt toegepast, dit relevant is voor de beoordeling of er een risico is op een ernstige inbreuk. Daarvoor is bovendien van belang – zoals hierna onder 4.13 aan de orde komt – of de bevoegdheidsregeling de volledige toegang beperkt.
Aantekening: Grondrechten hebben dus geen absolute gelding, maar moeten – zoals het HvJ EU overweegt – worden beschouwd in relatie tot hun functie in de samenleving en moeten worden afgewogen tegen andere grondrechten (ov. 85).
Aantekening: Hierin valt te lezen wat in het kader van de Nederlandse strafvordering doorgaans als het subsidiariteitsbeginsel wordt aangemerkt. Vanuit dat beginsel heeft het veiligstellen van materiaal met het oog op eventueel onderzoek als minder ingrijpend te gelden dan het onmiddellijk tot onderzoek aan het materiaal overgaan.
Aantekening: Hieruit valt af te leiden dat wanneer een regeling geen volledige toegang geeft, geen sprake hoeft te zijn van een ernstige of zelfs bijzonder ernstige inmenging. Hoe ver de inbreuk reikt is afhankelijk van de gegevens waartoe toegang wordt genomen, hetgeen volgens het HvJ weer afhangt van de inhoud van de betrokken mobiele telefoon en de door die politiediensten gemaakte keuzes (ov. 92). Het HvJ stelt de voorwaarde van voorafgaande rechterlijke toetsing niet als er geen risico op een ten minste ernstige inmenging is (vgl. ov. 102 en daarover nader 4.15). Het HvJ EU (ov. 95) neemt aan dat dit risico er is bij een regeling die volledig toegang biedt, maar impliceert niet dat het risico zich ook zonder meer voordoet bij bevoegdheidsregelingen die slechts beperkte toegang verschaffen (zie hierna ook onder 4.15-4.16).
het nemen van toegang tot gegevens(in het bijzonder wat betreft het inhoudelijk raadplegen daarvan) is beperkt. Het HvJ EU gaat in dat opzicht dus uit van een
concrete benadering. Dat dit het geval is blijkt in zekere zin ook nog daaruit dat het HvJ EU geen rechterlijke machtiging vereist voor de inbeslagneming van een smartphone (zie onder 4.4). Wanneer echter beslissend zou worden geacht dat het feitelijk in zijn algemeenheid mogelijk is om inhoudelijk toegang tot het geheel van gegevens te nemen, valt lastig in te zien waarom voor zodanige inbeslagneming geen voorafgaande rechterlijke toetsing is vereist, aangezien reeds bij inbeslagneming feitelijk de mogelijkheid ontstaat om (te pogen) gegevens in de telefoon te bekijken.
aard van de gegevens, lijkt het arrest Landeck te impliceren dat ervan moet worden uitgegaan dat de gegevens op een mobiele telefoon het mogelijk maken om (zeer) nauwkeurige conclusies te trekken over het privéleven van de betrokkene. Het
uitgangspunt is dus een abstracte benadering(in de zin van: wat in het algemeen geldt) van de aard gegevens. Dit ligt voor de hand omdat een concrete beoordeling doorgaans pas mogelijk is nadat de gegevens inhoudelijk zijn bekeken. Ondertussen is echter niet geheel uitgesloten dat in bijzondere gevallen uit feiten en omstandigheden voldoende overtuigend blijkt dat een smartphone geen gegevens bevat op grond waarvan voormelde nauwkeurige conclusies kunnen worden getrokken. In dat geval lijkt een rechterlijke toetsing niet noodzakelijk.
Aantekening: Uit deze overwegingen volgt dat onderzoek aan onder meer smartphones ook evenredig en gerechtvaardigd kan zijn bij minder zware strafbare feiten. Hieruit blijkt dat het HvJ EU het nemen van toegang tot gegevens op een mobiele telefoon anders inschaalt dan inmengingen die voortvloeien uit de bewaring van verkeers- en locatiegegevens waarbij informatie kan worden verkregen over bijvoorbeeld de communicaties van een gebruiker van een elektronische-communicatiemiddel en op grond waarvan precieze conclusies kunnen worden getrokken over de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen. Het toegang nemen tot zulke gegevens is volgens het HvJ EU in Prokuratuur wel slechts mogelijk in geval van “zware criminaliteit” (en het voorkomen van ernstige bedreigingen van de openbare veiligheid [20] ).
Aantekening: Ik leid uit ov. 102 en 104 af dat die voorafgaande toetsing door een rechter niet hoeft plaats te vinden wanneer het genoemde risico niet (reëel) bestaat (dit wordt eveneens geïmpliceerd door ov. 107). [21] A-G Harteveld begrijpt het Landeck-arrest zo dat het bij dit risico erom gaat of “naar redelijke verwachting is te voorzien” dat het onderzoek een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer meebrengt. [22]
Aantekening: Het HvJ EU erkent met de optie van “beperking” dat een juridische restrictie van de toegang mogelijk is (een gelimiteerde machtiging door een rechter behelst immers slechts een juridische en niet een feitelijke begrenzing) en dat zodanige beperking kan meebrengen dat het met inachtneming daarvan nemen van toegang evenredig en gerechtvaardigd kan zijn. Ook het hiervoor onder 4.8-4.9 besproken doelbindingsbeginsel, waarvan het HvJ EU de toepassing vereist, is een juridische en niet een feitelijke beperking. Uit een en ander volgt dat de gelding van een juridische beperking kan betekenen dat mag worden aangenomen dat er geen risico is op een dusdanig ernstige inmenging dat voorafgaande rechterlijke toetsing is vereist.
5.Het arrest post-Landeck van de Hoge Raad
NJ2025/116 m.nt. Reijntjes heeft de Hoge Raad naar aanleiding van het Landeck-arrest van het HvJ EU zijn rechtspraak over het onderzoek aan elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken bijgesteld. Op die aanpassingen zal hier verder niet worden ingegaan. Voor de onderhavige kwestie zijn de overwegingen van de Hoge Raad die gaan over de toegang tot de gegevens op een mobiele telefoon van belang. Daarvan volgt nu een overzicht en nadere verklaring (ook hier steeds aangekondigd met: Aantekening).
Aantekening: Met deze overwegingen zet de Hoge Raad uiteen wanneer bij toegang tot een smartphone mogelijk sprake is van ernstige of bijzondere ernstige inbreuk op de rechten in art. 7 en Pro 8 Handvest. Volgens de Hoge Raad “kan” de toegang tot de genoemde gegevens tot een ernstige of zelfs zeer ernstige inbreuk op grondrechten leiden, maar dat is dus niet per se zo (hetgeen meebrengt dat het toegang nemen nog niet onmiddellijk de plicht tot voorafgaande rechterlijke toetsing doet ontstaan; zie hierna onder 5.5). Of dat wel of niet het geval is, kan er kennelijk van afhankelijk zijn of “nadere vereisten” gelden.
La Quadrature du Net II), ov. 130-134, waaruit volgens de Hoge Raad voortvloeit dat als de inmenging in de betrokken grondrechten die de toegang van een overheidsinstantie tot persoonsgegevens met zich meebrengt niet als ernstig kan worden aangemerkt, het niet nodig is dat het vereiste van een voorafgaande toetsing door een rechter of een onafhankelijk bestuursorgaan wordt toegepast. Als voorbeelden van onderzoek waarbij de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als beperkt kan worden aangemerkt noemt de Hoge Raad (r.o. 5.2.2) onderzoek dat slechts strekt tot het identificeren van de gebruiker alsmede onderzoek dat een opsporingsambtenaar in het kader van zijn taakuitoefening doet waarbij hij een bij een verdachte aangetroffen elektronische gegevensdrager of geautomatiseerd werk bekijkt en daarbij enkele beperkte waarnemingen doet over het feitelijk gebruik daarvan op dat moment of direct daaraan voorafgaand, bijvoorbeeld door na te gaan welke contacten de gebruiker van een telefoon kort tevoren heeft gelegd.
Aantekening: Uit deze overwegingen van de Hoge Raad valt op te maken (1) dat voorafgaande rechterlijke toetsing achterwege kan blijven als de toegang van de bevoegde nationale autoriteiten tot persoonsgegevens niet het risico van ten minste een ernstige inmenging in de grondrechten van de gebruiker met zich brengt, (2) dat binnen die voorwaarde ook sprake kan zijn van het verrichten van enig onderzoek aan de data, (3) dat de Hoge Raad dus niet abstract tot uitgangspunt neemt dat bij het nemen van toegang tot een mobiele telefoon een risico op ten minste een ernstige inbreuk bestaat doch dat voor de risicobeoordeling van belang is welke (juridische, organisatorische/technische en feitelijke) beperkingen bij het nemen van toegang tot de telefoon van toepassing zijn (zie ook hierna onder 5.4 en hiervoor onder 5.2), maar dat (3) dit niet betekent dat moet vaststaan dat het onderzoek daadwerkelijk tot zodanige ernstige inmenging zal leiden nu de verplichting tot een voorafgaande rechterlijke toetsing reeds intreedt wanneer voornoemd risico bestaat.
Aantekening: Ook hieruit (dus naast de onder 5.2 genoemde “nadere vereisten”) kan worden afgeleid dat voor het bepalen van het bij toegangsneming bestaande risico op een inmenging die van zodanige ernst is dat voorgaande toetsing is vereist, mede van belang kan zijn aan welke waarborgen en beperkingen die toegangsneming juridisch en organisatorisch/technisch onderhevig is. Niet bepalend is dus welk risico er in zijn algemeenheid met het nemen van toegang tot een smartphone is of kan zijn, maar welk risico er is gelet op onder meer het juridische en organisatorische/technische kader waarbinnen die toegangsneming plaatsvindt en het doel ervan. De Hoge Raad verstaat het Landeck-arrest dus kennelijk zo dat het HvJ EU juridische en organisatorische/technische beperkingen relevant acht voor de beoordeling van het risico (vgl. hiervoor onder 4.16). In die zin gaat de Hoge Raad uit van wat in concreto het geval is in plaats van wat in het algemeen geldt.
PHvK). De Hoge Raad overweegt dat van een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer al geen sprake meer is als op voorhand is te voorzien dat door het onderzoek inzicht wordt verkregen in verkeers- en locatiegegevens of in andersoortige gegevens (zoals foto’s, de browsergeschiedenis, de inhoud van via die smartphone uitgewisselde communicatie, en gevoelige gegevens) (r.o. 5.2.4). Dan zal – aldus de Hoge Raad in nog steeds r.o. 5.2.4 – wel vooraf door de rechter-commissaris moeten worden beoordeeld of de inbreuk die door “dat onderzoek” wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker, is gerechtvaardigd mede gelet op de ernst van het strafbare feit waarop de verdenking betrekking heeft en het belang van het onderzoek aan de elektronische gegevensdrager of het geautomatiseerde werk voor de waarheidsvinding. Ten tweede is geen voorafgaande rechterlijke toetsing vereist wanneer het wel om onderzoek gaat dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer maakt of risico daarop met zich brengt, maar het een spoedeisend geval betreft waarin met dat onderzoek niet kan worden gewacht totdat toetsing door de rechter heeft plaatsgevonden (r.o. 5.2.3).
Aantekening: Hiermee wordt nogmaals duidelijk dat de Hoge Raad het Landeck-arrest van het HvJ EU zo verstaat dat de enkele omstandigheid van (een poging tot) het nemen van toegang tot een mobiele telefoon waarop zich persoonsgegevens bevinden, terwijl die gegevens zich ervoor lenen om (zeer) nauwkeurige conclusies over het privéleven van de gebruiker te trekken, als zodanig nog niet betekent dat aan die toegang een voorafgaande beoordeling door een rechter dient plaats te vinden. Zulks is niet vereist indien de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer die het gevolg zal zijn van het (beoogde) te verrichten dataonderzoek als beperkt kan worden beschouwd of wanneer het om een spoedeisend geval gaat. De hierboven geciteerde woorden “dat onderzoek” (r.o. 5.2.4) hebben kennelijk betrekking op inhoudelijk onderzoek aan de gegevens die op (de kopie van) de smartphone staan, zodat het arrest alleen voor zulk onderzoek – en dus niet reeds voor het nemen van toegang tot een smartphone waarbij een kopie/image van de inhoud wordt gemaakt – de eis van een voorafgaande rechterlijke toetsing stelt. [26]
6.Uitleg door het openbaar ministerie van de arresten Landeck en post-Landeck
standpuntaan de rechter-commissaris overgelegd. [27] Daarnaast heeft het openbaar ministerie in de procedure bij de Hoge Raad op 23 april 2026
Schriftelijke opmerkingenover de prejudiciële vragen gemaakt. [28] Het navolgende is zowel op dat schriftelijk standpunt als op die schriftelijke opmerkingen gebaseerd.
vraag 1kort gezegd van opvatting dat het maken van een kopie van een smartphone – of een poging daartoe – moet worden beschouwd als een “bevriezingsmaatregel” die niet het risico van een ernstige of zelfs zeer ernstige inmenging in de grondrechten van de betrokkene met zich brengt en waarvoor daarom geen voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris is vereist zoals bedoeld in het Landeck-arrest van het Hof van Justitie van 4 oktober 2024 (zaak C-548/21). Het openbaar ministerie beantwoordt de eerste vraag dus ontkennend.
vraag 2en
vraag 3niet relevant. Niettemin is het openbaar ministerie van opvatting dat wanneer de Hoge Raad zou oordelen dat er bij het maken van de kopie wel sprake is van toegang tot gegevens die het risico van een ernstige of zelfs zeer ernstige inmenging in de grondrechten van betrokkene met zich brengt, dan in de meeste gevallen een voorafgaande toetsing achterwege zal kunnen blijven omdat er sprake is van een spoedeisend geval.
vraag 4, maakt het openbaar ministerie enkele opmerkingen over het rechtsgevolg van het ontbreken van een rechterlijke machtiging voor het maken van een forensische kopie ingeval die zou worden vereist. Onder meer wordt er daarbij op gewezen dat als de rechter-commissaris een onrechtmatigheid constateert, hij, voordat hij zich daaromtrent uitspreekt, de betrokken belangen tegen elkaar dient af te wegen.
Aantekening: Het openbaar ministerie merkt de grond van spoedeisendheid weliswaar niet als onbruikbaar aan, maar het lijkt daarin niet een wenselijke optie voor de praktijk te zien om het maken van kopieën/images van smartphones zonder voorafgaande rechterlijke machtiging systematisch op te baseren. Dat ligt anders voor de grond van een beperkte inbreuk.
Aantekening: Ik begrijp deze uiteenzetting van het openbaar ministerie zo dat de vraag of de mogelijkheid bestaat om zeer nauwkeurige conclusies te trekken (zodat er een risico is op een ernstige of zeer ernstige inmenging in de grondrechten van de betrokkene) niet moet worden beoordeeld louter op basis van de aard van de gegevens waar toegang toe wordt verkregen, maar dat het bestaan van die mogelijkheid ervan afhankelijk is in hoeverre onderzoekskeuzes, de onderzoekswijze en het juridische onderzoekskader ruimte laten voor onderzoek dat tot zodanige conclusies kan leiden. Die zienswijze lijkt in lijn te zijn met Landeck (zie onder 4.9, 4.13 en 4.16) en post-Landeck (zie onder 5.4).
Aantekening: Ook volgens het openbaar ministerie zal de beoordeling niet te abstract mogen zijn. Niet bepalend is welk risico er in zijn algemeenheid met het nemen van toegang tot een smartphone is of kan zijn (in de zin van het feitelijk hebben van gelegenheid), maar welk risico er is gelet op onder meer het juridische en organisatorische/technische kader waarbinnen het nemen van die toegang plaatsvindt en met welk doel (zie ook onder 6.7).
Aantekening: Met het voorgaande voert het openbaar ministerie in feite twee argumenten aan voor het kunnen maken van een kopie/image van een smartphone zonder voorafgaande rechterlijke toetsing: (1) er is daarbij een aanzienlijk belang, zowel in strafvorderlijk opzicht als vanuit het oogpunt van slachtoffers, en (2) de inbreuk op grondrechten waarvan bij het maken van een kopie/image sprake is kan worden aangemerkt als beperkt erop gelet dat in soortgelijke situaties van “bevriezing” ook geen voorafgaande rechterlijke toetsing wordt vereist. Punt 2 impliceert dat de bevoegdheid tot het maken van een kopie/image zonder voorafgaande rechterlijke toetsing toelaatbaar kan zijn, terwijl punt 1 zo kan worden verstaan dat het belang daarbij dusdanig groot is dat het evenredig is om deze bevoegdheid algemeen te erkennen. Voor dit laatste is ook het volgende van belang.
Aantekening: Het openbaar ministerie impliceert hier dat de mogelijkheid van dataonderzoek aan smartphones in potentie voor strafbare feiten in het algemeen van belang is en niet alleen voor zware strafzaken. Maar wanneer men wil verzekeren dat zulk onderzoek ook daadwerkelijk bij minder zware strafbare feiten bruikbaar kan zijn, zullen opsporingsambtenaren algemeen over de bevoegdheid dienen te beschikken om een kopie/image van inbeslaggenomen smartphones te laten maken zonder een voorafgaande rechterlijke machtiging. Uitgaande van de juistheid van deze stelling impliceert Landeck – nu het HvJ EU daarin inderdaad erkent dat Richtlijn 2016/680 niet mag worden aangemerkt als een categorische belemmering voor dataonderzoek aan telefoons in minder zware zaken (zie onder 4.14) – dat een kopie/image van een smartphone moet kunnen worden gemaakt zonder rechterlijke machtiging.
bevriezingsmaatregeleen forensische kopie (of: image) wordt gemaakt. Het openbaar ministerie is van opvatting dat daarvoor geen rechterlijke machtiging nodig is en beschouwt een Landeck-vordering alleen als een vordering tot het verlenen van een machtiging voor het
onderzoekaan de door het maken van een kopie/image veiliggestelde gegevens. In de opvatting van het openbaar ministerie heeft een dergelijke vordering geen betrekking op het bij wijze van bevriezingsmaatregel maken van een forensische kopie/image van de gegevens op een gegevensdrager en impliceert een dergelijke vordering dus ook niet dat daarmee achteraf alsnog een machtiging voor het maken van een kopie/image wordt verzocht. [32]
(kopiëren)
(duiden)
(selecteren)
onderzoekaan de gegevens (
rechterlijke machtiging)
onderzoek: onderzoeken van de geselecteerde data
(onderzoeken)
PHvK) feitelijk in staat zijn om kennis te nemen van de gegevens, maar dat die mogelijkheid er in hun taakomschrijving en op grond van het ingerichte kader in juridische zin niet is. Volgens het openbaar ministerie is er daarmee dan ook geen sprake van ongecontroleerde en volledige toegang of van een situatie waarbij het louter afhankelijk is van de keuzes van de opsporingsambtenaar of toegang wordt verschaft tot gegevens die een ernstig risico vormen voor de grondrechten van betrokkene.
PHvK) [35] veiligstellen van de gegevens wordt er in de Schriftelijke opmerkingen van 23 april 2026 nog op gewezen dat de forensische software die wordt gebruikt niet de mogelijkheid kent om slechts specifieke informatie te kopiëren en de rest niet. Er wordt zoveel als mogelijk een één-op-één-kopie gemaakt van de aanwezige data teneinde die gegevens forensisch op een zo goed mogelijke manier te borgen. Daarbij wordt opgemerkt dat de metadata van veel gegevens – zoals van WhatsApp-gesprekken – niet op dezelfde plek staan opgeslagen als de database met de inhoudelijke gesprekken zelf. Het kunnen doen van forensisch onderzoek naar de herkomst, de betrouwbaarheid en de relevantie van gegevens vergt daarom vaak dat veel verschillende stukjes informatie met elkaar worden gecombineerd. Eerst na het maken van de kopie kan een automatische of handmatige selectie worden gemaakt van de gegevens die ook in een digitaal onderzoeksrapport worden gekopieerd en daarin kan ook een beperking worden aangebracht in de gegevens die inzichtelijk worden voor de opsporingsambtenaar die het onderzoek verricht.
Aantekening: De Schriftelijke opmerkingen van 23 april 2026 houden in dat het kopiëren, duiden en selecteren (stappen 1, 2 en 3) in de regel – dit moet, mede gelet op de hierna gegeven toelichting op het proces, worden begrepen als: “voor zover mogelijk” [37] – automatisch met behulp van technische hulpmiddelen plaatsvinden. In het geval waarin tijdens dit proces (aanvullende) menselijke handelingen nodig zijn omdat de techniek bijvoorbeeld niet feilloos werkt, worden deze verricht door medewerkers die géén deel uitmaken (“Chinese/data walls”) van het opsporingsteam dat de data later (na een voor het inhoudelijk onderzoek verkregen machtiging van de rechter-commissaris; stap 4) inhoudelijk zal onderzoeken (stap 5).
onderzoekenvan de geselecteerde data (stap 5), omdat volgens het openbaar ministerie [38] (ik begrijp: alleen dan) “het risico bestaat dat het onderzoek van deze gegevens een ernstige of bijzonder ernstige inmenging kan meebrengen in de grondrechten van de gebruiker”. De (geautomatiseerde) toegang tot de op de mobiele telefoon aanwezige gegevens wordt door het openbaar ministerie onder alle omstandigheden niet gezien als een toegang tot persoonsgegevens waardoor het risico op een ernstige of zeer ernstige inbreuk op grondrechten van betrokkene bestaat waarvoor een (voorafgaande) machtiging van de r-c is vereist. Dit zou dan dus ook gelden indien het komt tot aanvullend menselijk handelen bij het omzetten van de data in voor mensen leesbare en analyseerbare gegevens (duiden, stap 2) en het selecteren van de data (selecteren, stap 3).
7.Rapport Commissie Koops over het maken van een kopie
“[i]ndien met technisch-organisatorische maatregelen verzekerd kan worden dat gegevens uit een image adequaat afgeschermd blijven, uitsluitend voor het onderhavige onderzoek onderzocht kunnen worden, en de gegevens na afloop van de zaak vernietigd (in de zin van onherstelbaar ontoegankelijk gemaakt) worden.” [40] Een onderzoeksbevel (van de officier van justitie) [41] – dat destijds door de commissie werd geadviseerd voor het maken van een image als onderzoekshandeling [42] – zou in die situatie alleen nodig zijn voor het (stelselmatig) onderzoek van de gegevens, waaronder de kennisname door de opsporingsambtenaar.
Privacy by Design-constructies aanwezig zijn bij de opsporingsdiensten).
als bevriezingsmaatregelvoorzieningen zijn getroffen waardoor geen onderzoek aan de gegevens op de image kan worden uitgevoerd, in die gevallen voor het maken van de image geen voorafgaande toestemming (van de officier van justitie en/of rechter-commissaris) is vereist. Een bevel is – behoudens de in voetnoot 45 genoemde gevallen – wel vereist voor het “ontdooien” van de bevroren image, dat wil zeggen het vervolgens gebruiken van de image voor onderzoeksdoeleinden. Kortom, er kan volgens de commissie geen onderzoek (anders dan oppervlakkig onderzoek dat nodig is voor de bevriezing zelf) aan de bevroren gegevens plaatsvinden op basis van de
bevriezingsbevoegdheid.
8.Voorgestelde regeling voor het nieuwe Wetboek van Strafvordering
Landeck-arrest van het HvJ EU en het beoogt daarmee de regeling uit de eerste vaststellingswet [47] te vervangen.
Artikel 2.1.1
Aantekening: Voor de regeling wordt de zwaarte van het nemen van toegang dus bepaald door de algemene potentiële (feitelijke) mogelijkheid tot kennisneming en/of overneming van gegevens.
Aantekening: Het eerste spoor omvat het vereiste van een rechtelijke machtiging, het tweede spoor erkent uitzonderingen daarop (zie hierna onder 8.6 e.v.). Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat het wetsvoorstel steunt op de veronderstelling dat een voorafgaande rechterlijke machtiging is vereist als de toegang tot de gegevens in zijn algemeenheid kan leiden tot een ernstige beperking van de grondrechten van de betrokkene. De opvatting in de memorie van toelichting lijkt daarbij van een dubbel abstracte invalshoek te getuigen: ten eerste abstract in de zin dat moet worden aangenomen dat de mobiele telefoon gegevens bevat op grond waarvan nauwkeurige conclusies kunnen worden getrokken over het privéleven van de betrokken (omdat concrete toetsing of dit inderdaad het geval is pas mogelijk is bij kennisneming van de gegevens) en ten tweede abstract omdat er geen rekening mee dient te worden gehouden of het nemen van toegang juridisch en organisatorisch/technisch aan beperkingen en voorwaarden is gebonden (het risico van het nemen van toegang wordt dus geheel in zijn algemeenheid bepaald, in de zin van: feitelijk gelegenheid).
Aantekening: Deze uitzonderingen vormen zoals opgemerkt het tweede spoor van het tweesporenstelsel.
Aantekening: Deze zelfstandige bevoegdheid van opsporingsambtenaren is in die zin algemeen dat deze bijvoorbeeld niet is verbonden aan de voorwaarde dat sprake moet zijn van een spoedsituatie. Zie verder ook de aantekening onder 8.5.
Aantekening: Volgens het voorgaande is bij toepassing van de bevriezingsbevoegdheid (het maken van een kopie van de gegevens die afzonderlijk wordt bewaard) sprake van het nemen van toegang tot gegevens waarbij het risico bestaat dat nauwkeurige conclusies kunnen worden getrokken over het privéleven van de betrokkene en dat de toegang daarmee kan leiden tot een ernstige beperking van de grondrechten van de betrokkene zodat toetsing door de rechter-commissaris is vereist (zie ook onder 8.5). Omdat het echter om een spoedeisend geval gaat, hoeft die toetsing niet vooraf plaats te vinden, maar de regeling vereist zodanige toetsing wel achteraf (zie hierna). Voor de veronderstelling dat de bevriezingsbevoegdheid welhaast per definitie voormeld risico meebrengt, is steun in de literatuur te vinden, [53] maar daarmee wijkt het wetsvoorstel af van de pre-Landeck analyse van de Commissie-Koops (zie onder 7.1) en van de besproken opvatting van het openbaar ministerie (zie onder 6.7-6.8).
Bevel toegangverschaffen
tot gegevensin mobiele telefoon uitsluitend om die gegevens
over te nemen [54]
maken kopie/image).
afgeschermd bewaren)
Vordering tot een machtigingdoor de rechter-commissaris strekkende tot overnemen van de gegevens
(kopie/image)en eventueel ook strekkende tot het i.h.k.v. het opsporingsonderzoek kunnen kennisnemen van de overgenomen gegevens (
verdere toegang)
Rechterlijke evenredigheidstoetsingvan bevel overnemen gegevens (toetsing achteraf) + verdere toegang gegevens (bij vordering strekkende tot kennisneming) (toetsing vooraf)
kennisnemenvan de gegevens
vernietiginggegevens
Gegevens: elke weergave van feiten, begrippen of instructies, op een overeengekomen wijze, geschikt voor overdracht, interpretatie of verwerking door personen of geautomatiseerde werken.
Kennisnemen van gegevens: het waarnemen van gegevens door een persoon, waarbij de gegevens zich tonen in voor menselijke interpretatie vatbare vorm.
Overnemen van gegevens: het kopiëren van gegevens uit een externe bron.
Toegang tot gegevens: het rechtstreeks kunnen kennisnemen of overnemen van gegevens.
Aantekening: De memorie van toelichting houdt niet in waarom bij de in art. 2.7.39 lid 1 genoemde gronden voor toepassing van de bevriezingsbevoegdheid zonder meer sprake is van “spoedeisende gevallen” in de zin van het Landeck-arrest. De benadering van de regeling impliceert dat spoedeisendheid niet wezenlijk van concrete feiten en omstandigheden afhankelijk is, maar dat dit tamelijk standaard aan de orde is wanneer het om een inbeslaggenomen gegevensdrager als een smartphone gaat. [55]
Aantekening: Het vereiste in art. 2.7.39 lid 3 dat de achteraftoetsing “zo spoedig mogelijk” geschiedt, wijkt enigszins af van het vereiste uit het Landeck-arrest, dat inhoudt dat “die toetsing op korte termijn dient plaats te vinden” (ov. 104).
Aantekening: Hiermee is duidelijk dat de bevriezingsbevoegdheid niet kan worden toegepast onder uitzondering 1. Verder valt op dat hier het nemen van toegang tot gegevens categorisch wordt uitgesloten. Dit is in afwijking van de benadering in het arrest post-Landeck van de Hoge Raad. Daarin wordt het immers toegestaan dat opsporingsambtenaren onderzoek doen (hetgeen het nemen van toegang impliceert) aan de gegevens op elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken als de met dat onderzoek samenhangende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als beperkt kan worden beschouwd.
PHvK– het wenselijk is dat de opsporingsambtenaar deze (onder omstandigheden zelfstandige) bevoegdheid zoveel mogelijk in overleg met de officier van justitie uitoefent.
Aantekening: De regeling en de memorie van toelichting houden niet in hoe de noodbevoegdheid van art. 2.7.40 lid 1 zich verhoudt tot de bevriezingsbevoegdheid van art. 2.7.39 lid 1. Gezien het systeem van de regeling lijkt de bevriezingsbevoegdheid ingeval zich de noodsituatie van art. 2.7.40 voordoet, toch te moeten worden toegepast op basis van art. 2.7.39 lid 1. Dat neemt niet weg dat wanneer de noodsituatie van art. 2.7.40 van toepassing is, deze bepaling op zichzelf niet uitsluit dat gegevens worden bevroren wanneer het vanwege een in die bepaling genoemde bedreiging nodig is om verlies of wijziging van de gegevens of bemoeilijking van de toegang daartoe te voorkomen.
9.Kader ten behoeve van de beantwoording van de prejudiciële vragen
ernst van de inbreuk(ook wel: inmenging) voorafgaande rechterlijke toetsing is vereist en hoe die ernst moet worden bepaald, en ten tweede bij welk
risicoop een zodanig ernstige inbreuk voorafgaande rechterlijke toetsing is vereist en hoe dat risico moet worden vastgesteld.
ernstigis (zie onder 4.15). Daarvan is volgens het HvJ EU sprake indien door de toegang tot de op een mobiele telefoon opgeslagen persoonsgegevens nauwkeurige conclusies kunnen worden getrokken over het privéleven van de betrokkene (zie onder 4.13). Hieruit volgt dat geen sprake is van een ten minste ernstige inbreuk op grondrechten als de gegevens waarvan daadwerkelijk kennis wordt genomen zodanige conclusies niet mogelijk maken. De daadwerkelijke inbreuk op grondrechten bij toegangsneming tot een mobiele telefoon kan feitelijk dus variëren van beperkt tot zeer ernstig. Een beperkte inbreuk vereist op zichzelf bezien geen voorafgaande rechterlijke toetsing.
aard van de gegevens(zie onder 4.13) is van belang dat gegevens op een mobiele telefoon het in de regel mogelijk maken om zeer nauwkeurige conclusies te trekken over het privéleven van de betrokkene en over diens ras of etnische afkomst, politieke opvattingen en/of religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen. Het HvJ EU lijkt daarom tot uitgangspunt te nemen dat onbeperkte toegang tot de gegevens op een mobiele telefoon in het algemeen als een ernstige of zelfs zeer ernstige inbreuk op de grondrechten van de betrokkene zal leiden. Dit betekent dat het risico van de inbreuk voor zover het de aard van de gegevens betreft doorgaans in abstracto zal moeten worden bepaald. Alleen wanneer uit feiten en omstandigheden voldoende overtuigend blijkt dat een smartphone geen gegevens bevat op grond waarvan nauwkeurige conclusies over het privéleven van betrokkene kunnen worden getrokken, kan worden aangenomen dat het om gegevens gaat waarbij in geen geval voorafgaande rechterlijke toetsing noodzakelijk is.
toegang tot de gegevens. Deze juridische beoordeling vindt aanzienlijk concreter plaats. Zowel het Landeck-arrest (zie onder 4.9, 4.13 en 4.16) als het arrest post-Landeck (zie onder 5.4) impliceert dat juridische waarborgen – zoals bevoegdheidsbeperkingen, doelbinding en procedurele waarborgen – aan het nemen van toegang tot en/of onderzoeken van gegevens, bij de beoordeling van het risico in bepaalde situaties kunnen worden betrokken. Nu zulke juridische begrenzingen door de toetsende rechter kunnen worden bepaald, is er geen reden om aan te nemen dat deze niet evenzeer vooraf in regelgeving zouden kunnen worden vastgelegd. Het is dan ook begrijpelijk dat het HvJ EU ook beperkingen en waarborgen in regelgeving relevant acht (zie onder 4.16). Daarnaast kunnen ook organisatorische/technische waarborgen – zoals het enkel of zoveel mogelijk geautomatiseerd verwerken van gegevens, het afgeschermd en goed beveiligd opslaan ervan (“data walls”) en het toepassen van “Chinese walls” tussen afdelingen waardoor er geen personen in de gelegenheid worden gesteld om nauwkeurige conclusies te trekken over het privéleven van de betrokkene – als relevante beperkingen gelden. Zo overweegt de Hoge Raad in post-Landeck dat het mede afhangt van de keuzes met betrekking tot de aard en de inrichting van het te verrichten onderzoek of de toegang tot een mobiele telefoon (of een andere elektronische gegevensdrager) het risico oplevert van een ernstige of zeer ernstige inmenging in de grondrechten van de gebruiker (r.o. 5.1.2 en daarover ook onder 5.4). Nu zeker juridische beperkingen een feitelijk risico niet absoluut uitsluiten, kan uit Landeck en post-Landeck worden afgeleid dat dit ook niet wordt vereist (zie ook nadrukkelijk 5.3). Waar het kennelijk bij de juridische beoordeling van het risico om gaat – zo volg ik A-G Harteveld – is of “naar redelijke verwachting is te voorzien” dat het onderzoek een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zal meebrengen. [61] Voor die verwachting is mede relevant welke juridische en organisatorische/technische beperkingen en waarborgen voor bepaalde bevoegdheden van toepassing zijn. Een en ander brengt mee dat geen voorafgaande rechterlijke toetsing en machtiging zijn vereist indien door feitelijke onmogelijkheden alsmede juridische en organisatorische/technische beperkingen en waarborgen voldoende is verzekerd dat het nemen van toegang tot smartphones niet onevenredig zal plaatsvinden.
10.Toepassing van het kader op het kopiëren, indexeren en selecteren van gegevens
11.Beantwoording van de prejudiciële vragen
enkel maken van een kopie/image (acquisitie)van de digitale inhoud van een smartphone, voldoende kan worden ingeperkt zodat daarvoor geen voorafgaande rechterlijke toetsing en machtiging is vereist en evenmin een rechterlijke toetsing en machtiging achteraf (zie nader onder 10.3-10.6).
duiden c.q. indexerenvan de gegevens op de verkregen kopie, met dien verstande dat het daarvoor – anders dan voor het enkel maken van een kopie/image – veiligheidshalve lijkt te zijn aangewezen om als aanvullende waarborg een bevel van de officier van justitie te vereisen (zie nader onder 10.7-10.10). Een rechterlijke toetsing en machtiging is ook hier niet vereist, vooraf noch achteraf.
selecteren (filtering)van de gegevens op de verkregen kopie. Ervan uitgaande dat inhoudelijke kennisneming door personen van de gegevens tot het selectieproces kan behoren, kan daarbij sprake zijn van een ernstige inbreuk op de privacygrondrechten van de betrokkene en is er daarbij dan in elk geval een risico daarop. Dit betekent dan dat selectie een voorafgaande rechterlijke toetsing en machtiging vereist. Alleen indien een meer dan beperkte inhoudelijke kennisneming van gegevens algemeen van het selectieproces zou worden uitgesloten – zo dat mogelijk en wenselijk is – zal voor selectie niet in voorafgaande rechterlijke toetsing en machtiging hoeven te worden voorzien.
12.Is er dwingende reden voor het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU?
Acte éclairéen betreft de situatie dat door het HvJ EU in het verleden al een duidelijk antwoord op de vraag is geformuleerd dan wel een antwoord op de vraag kan worden gevonden aan de hand van vaste rechtspraak van het HvJ EU in vergelijkbare gevallen. In een dergelijk geval vervalt de
verplichtingtot het stellen van een vraag, maar blijft de
bevoegdheiddaartoe wel bestaan. Het is bijvoorbeeld niet uitgesloten dat aan het HvJ EU wordt gevraagd of het zich nog steeds kan vinden in een eerder gegeven interpretatie. De uitzondering onder (iii) betreft de zogenaamde
Acte clair, waarbij geldt dat het bestaan hiervan niet te snel mag worden aangenomen, omdat rekening moet worden gehouden met de verschillende taalversies van de Verdragen, de eigen terminologie van het EU-recht en de context van de bepaling waarom het gaat. [77]
uitleggeven aan Richtlijn (EU) 2016/680, in het bijzonder aan art. 4 lid 1 aanhef Pro en onder c daarvan. Vervolgens heeft de Hoge Raad in het arrest post-Landeck uiteengezet hoe de uitleg van het HvJ EU in Landeck moet worden
toegepastbinnen het Nederlandse strafvorderlijke stelsel. De door de rechter-commissaris aan de Hoge Raad gestelde prejudiciële vragen richten zich voor zover het om het Landeck-arrest gaat, op de
toepassingvan dat arrest op gevallen waarin binnen de context van de Nederlandse strafvordering het maken van een kopie/image van de digitale inhoud van een smartphone speelt.
13.Afronding
Voornamen :
Geboren :
Wonende te :
□ slachtoffer(s)
□ getuige(n)
□ anders, namelijk [ ]
□ onbekend
□ Locatiegegevens
□ Mediabestanden (audio, video, afbeeldingen, etc.)
□ Documenten en gemaakte notities (Excel, Word, PowerPoint, pdf, notitieblokken, etc.)
□ Aanwezige agenda ’s
□ Gegevens van contactpersonen (waaronder contactlijsten)
□ lnternet(zoek)geschiedenis
□ Loggegevens (waaronder gekoppelde apparaten)
□ Anders, namelijk [ ]
□ Alle gegevens aanwezig in de gegevensdrager(s) of geautomatiseerde werk(en)
□ Zonder beperking in periode;