ECLI:NL:PHR:2026:613

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
25/04458
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:7 WvggzArt. 5:8 WvggzArt. 5:9 WvggzArt. 5:10 WvggzArt. 5:17 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling aansluitende zorgmachtiging en rol van CCE-rapport onder Wvggz

Betrokkene heeft sinds 2014 aaneengesloten zorgmachtigingen onder de Wet Bopz en later de Wvggz. De rechtbank verleende een aansluitende zorgmachtiging voor de duur van een jaar, ondanks betwisting door de advocaat van betrokkene over de actualiteit en volledigheid van de medische verklaring, met name vanwege het ontbreken van een CCE-rapport in het dossier.

De advocaat en mentor van betrokkene stelden dat het CCE-rapport cruciale informatie bevat over de multiproblematiek van betrokkene, waaronder een beneden gemiddeld intelligentieniveau, geheugenproblemen en copinggedrag, en dat betrokkene niet in de huidige setting thuishoort. De rechtbank oordeelde echter dat het CCE-rapport niet in het geding was gebracht en dat de medische verklaring actueel en niet gebrekkig was, waarbij het psychotisch beeld als voorliggend werd vastgesteld.

De Hoge Raad bevestigt dat een CCE-rapport niet verplicht is voor de beoordeling van een zorgmachtiging onder de Wvggz en dat het op de betrokkene of zijn advocaat rust om het belang van een dergelijk rapport voldoende te onderbouwen. Nu dit niet is gebeurd, is het oordeel van de rechtbank niet onjuist of onbegrijpelijk. Ook is de rechtbank niet gehouden tot nader onderzoek naar het CCE-rapport. Het cassatieberoep wordt verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de aansluitende zorgmachtiging onder de Wvggz blijft van kracht voor de duur van één jaar.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/04458
Zitting19 juni 2026
CONCLUSIE
L.M. Coenraad
In de zaak
[betrokkene],
hierna: betrokkene,
advocaat: mr. G.E.M. Later,
tegen
de officier van justitie in het arrondissement Den Haag,
hierna: de officier van justitie.

1.Inleiding en samenvatting

1.1
In deze Wvggz-zaak is voor betrokkene een aansluitende zorgmachtiging verleend voor de duur van een jaar. De rechtbank heeft geoordeeld dat de stelling van de advocaat van betrokkene, dat uit het rapport van het Centrum voor Consultatie en Expertise (hierna ook: CCE) blijkt dat het psychotisch beeld niet bovenliggend is en Wzd-gerelateerde problemen de boventoon voeren, niet is komen vast te staan. Dit oordeel wordt in cassatie bestreden.
1.2
Ten eerste wordt geklaagd dat dit oordeel is gebaseerd op een niet-actuele en dus gebrekkige medische verklaring, omdat niet is gebleken dat de gegevens van het CCE-rapport daarin zijn meegenomen door de onafhankelijke psychiater. Naar ik begrijp, wordt verder geklaagd dat de rechtbank ook zelf geen nader onderzoek heeft gedaan in relatie tot het CCE-rapport alvorens tot het bestreden oordeel te komen. Tot slot lijkt, voortbouwend op de voorgaande klachten en mede in verband met de behandeling van betrokkene door Parnassia, te worden geklaagd over strijd met artikel 5 lid Pro 1, aanhef en onder e, EVRM in verbinding met artikel 3 EVRM Pro en artikel 2 EVRM Pro.
1.3
Ik meen dat de klachten niet slagen, nu in eerste aanleg namens betrokkene het belang van het CCE-rapport voor de medische verklaring en anderszins voor de beoordeling van het verzoek door de rechter onvoldoende is onderbouwd.

2.Feiten en procesverloop

2.1
Ten aanzien van betrokkene zijn sinds 17 juni 2014 aaneengesloten machtigingen onder de Wet Bopz en zorgmachtigingen onder de Wvggz verleend. [1]
2.2
Betrokkene verblijft in een Wvggz-accommodatie van Parnassia.
2.3
Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 29 augustus 2025, heeft de officier van justitie de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) verzocht om een aansluitende zorgmachtiging voor de duur van twee jaar.
2.4
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 september 2025. Daarbij zijn gehoord: de advocaat van betrokkene, de arts, en de mentor (tevens stiefvader) van betrokkene. Betrokkene is niet ter zitting verschenen. [2] Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.
2.5
Het proces-verbaal vermeldt, voor zover relevant, het volgende (onderstrepingen van mij):

De arts
De inhoud van de medische verklaring is actueel. Er is een aanvraag gedaan voor een zorgmachtiging van twee jaar. Echter vinden wij het meer gepast om de machtiging te verlenen voor één jaar, om betrokkene meer perspectief te bieden. We zien bij betrokkene een chronisch psychotisch beeld, dat verergert door drugsgebruik.
(…)
Het is een moeilijke situatie. Betrokkene trekt zich veel terug op zijn kamer en is moeilijk te activeren. Hij heeft geen ziektebesef of -inzicht en vindt daarom behandeling en zorg niet nodig. Hij heeft ook wanen over zijn medicatie. In het CCE-rapport staan zaken die wij ter harte nemen. Er is een duidelijk psychotisch beeld, maar ook ADHD en autisme. Ik denk dat het floride psychotische beeld voorliggend is, maar het speelt allemaal door elkaar. Ik denk dat het goed is om met elkaar in contact te blijven en kritisch naar de behandeling te kijken. Echter is behandeling in de basis wel nodig. Toen ik betrokkene twee weken geleden zag, had hij nog plannen om in een kraakpand te wonen en bij het vreemdenlegioen te gaan. De diagnoses die de advocaat erbij noemt, maken het extra van belang dat betrokkene zorg krijgt. Er is wel echt sprake van problematiek onder de Wvggz. (…)
De advocaat
Betrokkene wil niet bij de zitting aanwezig zijn. Hij heeft geen vertrouwen in wat er in de stukken is opgeschreven. Ik heb net nog met hem gesproken en ik heb eerder ook al met hem gesproken. Ik ken betrokkene sinds 2010. Toen ik hem in september bezocht, heb ik hem nog nooit zo wanhopig meegemaakt. Ik heb toen contact gehad met zijn mentor en gevraagd waarom het CCE niet betrokken is, omdat er geen vooruitgang zit in zijn situatie. Toen hoorde ik dat het CCE in 2024 al betrokken was. Ik heb het rapport toen opgevraagd en was erg geschrokken. Ik zie dit rapport nergens terug in de stukken, terwijl daarin juist dingen staan die verklaren waarom betrokkene zich niet welbevindt. Er is bij hem sprake van een beneden gemiddeld intelligentieniveau, geheugenproblemen, copinggedrag en mogelijk ook autisme. De conclusie daarin is dat betrokkene niet in deze accommodatie thuishoort. Het gaat steeds slechter met hem en hij wil dit niet meer.
Nu het CCE-rapport niet is betrokken in de stukken, vind ik dat gebrekkig, zeker gezien de wanhoop waarin hij verkeert. Uit het rapport blijkt dat de psychotische stoornis onderliggend is en dat de psychose wordt versterkt door drugsgebruik, dat betrokkene inzet als copingmechanisme omdat hij niet op de juiste plek zit. Het rapport is heel duidelijk in wat betrokkene nodig heeft en dat hij niet in deze setting thuishoort. Hij heeft een gestructureerde omgeving nodig. Het belangrijkste vind ik dat in het rapport de psychiatrische problematiek als onderliggend wordt aangewezen. U zegt dat het voorliggend is, maar dat betwist ik.Op de huidige afdeling wordt veel verantwoordelijkheid voor het gedrag van betrokkene bij hemzelf gelegd, maar hij kan dat niet. Dat staat ook in het CCE-rapport. Daarin staat ook waar hij thuishoort, hoe hij behandeld moet worden en wat hij nodig heeft. Als u dan zegt wij gaan met de geneesheer-directeur praten en kijken of hij meer vrijheden kan krijgen, dan klopt dat niet. Betrokkene moet een herdiagnose krijgen.
Ik vraag om het verzoek af te wijzen vanwege het gebrek in de medische verklaring. Als u het verzoek toch toewijst, dan verzoek ik dat dit voor een korte termijn gebeurt, met een vinger aan de pols. Ik zeg niet dat betrokkene geen zorg nodig heeft, maar het gaat erom of dit Wvggz of Wzd moet zijn. Hij heeft zorg nodig op de juiste plek.
De mentor
Het CCE-rapport is de afgelopen twee jaar niet gebruikt. Ik moest een kopie van het rapport meenemen, omdat het hier niet aanwezig was. Er staan hele pittige dingen in. Betrokkene is heel duidelijk dat hij een andere kant op wil. Het is van groot belang dat er snel stappen worden ondernomen. Hij is er klaar mee en wil euthanasie. Wij snappen hem.”
2.6
Op verzoek van betrokkene is het proces-verbaal op 19 november 2025 verbeterd, in die zin dat de volgende zinnen (onderstrepingen van mij):
“Ik vraag om het verzoek af te wijzen vanwege het gebrek in de medische verklaring. Als u het verzoek toch toewijst, dan verzoek ik dat dit voor een korte termijn gebeurt, met een vinger aan de pols.”
zijn vervangen door:

Ik vraag om het verzoek af te wijzen vanwege het gebrek in de medische verklaring, omdat het CCE-rapport niet bij de beoordeling is betrokken. Als u het verzoek toch toewijst, dan verzoek ik om een toewijzing voor de duur van drie maanden, zodat er gelegenheid is voor een nieuwe beoordeling door een onafhankelijk psychiater die kennis kan nemen van het CCE-rapport.”
2.7
Bij beschikking van 18 september 2025 [3] (hierna ook: de bestreden beschikking) heeft de rechtbank de aansluitende zorgmachtiging verleend voor de duur van een jaar en bepaald dat deze geldt tot en met 18 september 2026.
2.8
De rechtbank heeft, voor zover in cassatie relevant, het volgende overwogen (onderstreping van mij):

Standpunten ter zitting
De advocaat heeft ter zitting aangevoerd dat de medische verklaring gebrekkig is, omdat het CCE-rapport daarin ontbreekt, terwijl dit rapport volgens haar cruciale informatie bevat. Zij stelt dat het CCE heeft geconcludeerd dat betrokkene een beneden-gemiddeld intelligentieniveau heeft, geheugenproblemen ervaart en copinggedrag vertoont. Volgens de advocaat hoort betrokkene niet in de huidige setting en kan de benodigde zorg hem daar niet worden geboden. Zij betwist de stelling van de arts dat het psychotisch beeld voorliggend is. Uit het CCE-rapport blijkt volgens haar dat de psychiatrische problematiek onderliggend is en dat de psychose wordt versterkt door drugsgebruik, dat betrokkene inzet als copingmechanisme omdat hij niet op de juiste plek zit. De advocaat stelt dat er geen vooruitgang in de situatie is en dat betrokkene inmiddels wanhopig is. Volgens haar dient een herdiagnose plaats te vinden. De advocaat verzoekt afwijzing van het verzoek wegens het gebrek in de medische verklaring. Indien de rechtbank toch een machtiging verleent, verzoekt zij dit slechts voor korte duur te doen, met vinger aan de pols, gelet op de huidige zorgelijke situatie van betrokkene.
De arts heeft ter zitting toegelicht dat de medische verklaring actueel is. Bij betrokkene wordt een chronisch psychotisch beeld gezien dat wordt verergerd door middelengebruik. Hij beleeft plezier aan naar buiten gaan. Daarom is gekozen voor een beleid waarbij hij beperkte zelfstandige vrijheden krijgt, die dusdanig zijn afgestemd dat zijn middelengebruik geen verdere decompensatie veroorzaakt. Hij weigert vanuit zijn psychotische overtuigingen somatische medicatie en beschadigt zichzelf door zich met sigaretten te branden. Verder heeft de arts toegelicht dat het nodig is zorg te verlenen en dat dit niet op vrijwillige basis kan. Betrokkene heeft namelijk geen ziektebesef of -inzicht en vindt behandeling daarom niet nodig. Ook heeft hij wanen over medicatie. De arts geeft aan dat het psychotisch beeld voorliggend is, maar benadrukt dat ook ADHD en autisme een rol spelen.
Ten aanzien van het CCE-rapport heeft de arts verklaard dat de daarin genoemde bevindingen worden meegenomen. Desalniettemin acht hij het van belang kritisch naar de behandeling te blijven kijken en hierover in overleg te blijven. (…)
De mentor heeft ter zitting toegelicht dat het van groot belang is dat er snel stappen worden ondernomen en dat betrokkene er klaar mee is.
Beoordeling
Op 3 oktober 2024 is door de rechtbank een zorgmachtiging verleend voor de duur van twaalf maanden tot en met 3 oktober 2025.
Uit de overgelegde stukken blijkt dat betrokkene lijdt aan schizofreniespectrum- en andere psychotische stoornissen, ADHD, ASS en een stoornis in het gebruik van cocaïne. In de medische verklaring zijn de schizofreniespectrum- en andere psychotische stoornissen als bovenliggende problematiek benoemd, hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van het onderhavige verzoek door de arts is beaamd. De stelling van de advocaat van betrokkene, dat uit het – niet in het geding gebrachte – CCE-rapport blijkt dat het psychotisch beeld niet bovenliggend is en WZD-gerelateerde problemen de boventoon voeren, komt aldus niet vast te staan.
(…)
De rechtbank zal de machtiging verlenen voor de duur van twaalf maanden, omdat een kortere machtiging te veel onrust zou opleveren en deze termijn betrokkene perspectief biedt.”
2.9
Bij procesinleiding, binnengekomen bij de griffie op 5 december 2025, heeft betrokkene – tijdig – cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank. De officier van justitie heeft geen verweer gevoerd.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het middel is gericht tegen de onder 2.8 geciteerde, onderstreepte overwegingen. De algemene klacht luidt dat het hierin gegeven oordeel van de rechtbank onjuist dan wel onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is. Uit de toelichting op het middel leid ik de volgende drie concrete klachten af. [4]
3.2
De
eerste klachthoudt in dat het bestreden oordeel is gebaseerd op een niet-actuele en dus gebrekkige medische verklaring, omdat niet is gebleken dat de gegevens van het CCE-rapport daarin zijn meegenomen door de onafhankelijk psychiater. Uit dit rapport blijkt dat de Wzd-gerelateerde problematiek van betrokkene bovenliggend is, aldus de klacht. Daarbij wordt aangevoerd dat de opmerking van de rechtbank dat het CCE-rapport niet in het geding is gebracht, onvoldoende is om voorbij te gaan aan de klemmende argumenten die zijn aangevoerd ten aanzien van de medische verklaring.
3.3
Naar ik begrijp, wordt in de
tweede klachtgeklaagd dat de rechtbank ook zelf geen nader onderzoek heeft gedaan in relatie tot het CCE-rapport alvorens tot het bestreden oordeel te komen.
3.4
Tot slot lijkt in de
derde klacht, voortbouwend op de voorgaande klachten en mede in verband met de behandeling van betrokkene door Parnassia, te worden geklaagd over strijd met artikel 5 lid Pro 1, aanhef en onder e, EVRM in verbinding met artikel 3 EVRM Pro en artikel 2 EVRM Pro. Daarbij wordt gewezen op mogelijk verkeerde vooronderstellingen – naar ik begrijp, ten aanzien van de voorliggende problematiek van betrokkene – waarvan de behandeling uitgaat. Ook wordt aangevoerd dat over euthanasie gesproken wordt vanwege de wijze waarop betrokkene behandeld wordt.
3.5
Bij de bespreking van de klachten stel ik het volgende voorop.
Informatie waarop de rechter zijn beslissing kan baseren en de waardering ervan
3.6
Artikel 6:4 lid 1 Wvggz Pro bepaalt dat de rechter een zorgmachtiging verleent, indien naar zijn oordeel is voldaan aan de criteria voor verplichte zorg, bedoeld in artikel 3:3 Wvggz Pro en het doel van verplichte zorg, bedoeld in artikel 3:4, onder b tot en met e, Wvggz.
3.7
Op grond van artikel 5:17 leden Pro 2 en 3 Wvggz moet de officier van justitie in een verzoekschrift voor een zorgmachtiging onder meer motiveren waarom hij van oordeel is dat aan de criteria voor [5] verplichte zorg is voldaan, en daartoe de nodige stukken bij het verzoekschrift voegen, waaronder de medische verklaring en een zorgplan. Uitgangspunt is dat de officier van justitie zorg draagt voor een zo volledig mogelijk verzoekschrift waarmee de rechter op basis van een zo breed mogelijk beeld van de betrokkene een beslissing kan nemen. [6]
3.8
De rechter heeft, naast de informatie uit het verzoekschrift en de daarbij gevoegde stukken, de mogelijkheid om zich ter zitting te laten voorlichten. Bij de behandeling ter zitting moet de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene worden getoetst. Op grond van onder meer artikel 6:1 leden Pro 5-8 Wvggz kan de rechter onderzoek door deskundigen bevelen, deskundigen en getuigen oproepen, bepaalde personen – zoals de geneesheer-directeur, de psychiater die de medische verklaring heeft opgesteld of de zorgverantwoordelijke – verplichten te verschijnen, en ook andere personen verzoeken om informatie te verschaffen. Hieruit volgt dat de informatie waarop de rechter zijn beslissing om een machtiging te verlenen kan baseren, niet is beperkt tot het verzoekschrift en de daarbij gevoegde stukken, en dat daartoe ook andere informatie kan behoren, waaronder de informatie die de rechter ter zitting heeft verkregen. De rechter mag zijn beslissing alleen op die informatie baseren als de betrokkene zich daarover voldoende heeft kunnen uitlaten (art. 19 Rv Pro). [7]
3.9
De rechter is vrij in de waardering van de verkregen informatie, ook als de betrokkene die informatie gemotiveerd heeft betwist. De aard van de Wvggz-procedure brengt mee dat de rechter in dat geval niet tot nadere bewijslevering behoeft over te gaan. De negende afdeling (‘Bewijs’) van de tweede titel van het eerste boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in zoverre niet van overeenkomstige toepassing (art. 6:1 lid 10 Wvggz Pro in verbinding met art. 284 lid 1 Rv Pro). Als de rechter aan zijn beslissing tot verlening van een machtiging informatie ten grondslag legt die de betrokkene voldoende gemotiveerd heeft betwist, moet hij zijn beslissing op dat punt motiveren. [8]
3.1
De rechter die een zorgmachtiging verleent, dient te motiveren dat voor de vormen van verplichte zorg waarvoor de machtiging wordt verleend, is voldaan aan de criteria voor en het doel van verplichte zorg. Daarbij geldt dat de rechter mag volstaan met een verwijzing naar de medische verklaring en de overige aan het verzoek ten grondslag liggende stukken indien daaruit voldoende duidelijk blijkt dat is voldaan aan de criteria voor en het doel van de verplichte zorg. [9] Indien echter de betrokkene bezwaar maakt tegen een bepaalde vorm van zorg, of de duur daarvan, zal de rechter zijn beslissing op dat punt moeten motiveren. De rechter behoeft alleen in te gaan op een dergelijk bezwaar indien het voldoende is toegelicht. [10]
Medische verklaring
3.11
De medische verklaring moet worden opgesteld door een van de zorgaanbieder onafhankelijke psychiater, die ten minste één jaar geen zorg heeft verleend aan betrokkene (art. 5:7 Wvggz Pro).
3.12
De wet bevat een aantal voorschriften voor de
inhoudvan de medische verklaring. Uit artikel 5:8 lid 1 Wvggz Pro volgt dat uit de medische verklaring de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene moet blijken en of uit het gedrag van betrokkene als gevolg van zijn psychische stoornis ernstig nadeel voortvloeit, dit alles ten behoeve van de voorbereiding van een verzoekschrift voor een zorgmachtiging aan de rechter. Artikel 5:9 lid Pro 1, aanhef en onder a-c, Wvggz schrijft voor dat de psychiater in de medische verklaring in ieder geval zijn bevindingen vermeldt inzake de symptomen die betrokkene vertoont en een (voorlopige) diagnose van de psychische stoornis van betrokkene, de relatie tussen de stoornis en het gedrag dat tot het ernstig nadeel leidt en de zorg die noodzakelijk is om het ernstig nadeel weg te nemen.
3.13
De wet bevat de volgende voorschriften ten aanzien van de
bronnenwaarop de onafhankelijk psychiater zich kan baseren bij het opstellen van de medische verklaring. Op grond van artikel 5:9 lid 2 Wvggz Pro draagt de geneesheer-directeur ervoor zorg dat de psychiater zo mogelijk overleg pleegt met de zorgverantwoordelijke of de huisarts.
Verder verstrekt de geneesheer-directeur de onafhankelijk psychiater een eventuele zelfbindingsverklaring, gegevens over voor de betrokkene eerder afgegeven machtigingen en relevante politie- en justitiële gegevens over de betrokkene (art. 5:10 Wvggz Pro in verbinding met art. 5:4 lid Pro 1, onder b en c Wvggz).
CCE-rapport in verplichte zorgzaken
3.14
Het Centrum voor Consultatie en Expertise (CCE) is een organisatie die kennis en ervaring biedt over complexe en vastlopende zorgsituaties. [11] Daarbij kan het gaan om consultatie bij een stagnerende behandelsituatie in de geestelijke gezondheidszorg (ggz). De website van het CCE vermeldt dat het centrum in 2024 betrokken was bij 462 consultaties in de ggz. Een consultatie kan worden aangevraagd door zorgverleners, cliënten en hun naasten. Voorwaarde voor consultatie is dat alle betrokkenen willen meewerken. [12]
3.15
Een voorhanden CCE-rapport behoort niet tot de stukken waarvan de onafhankelijk psychiater op grond van de Wvggz kennis kan nemen ten behoeve van het opstellen van de medische verklaring (art. 5:10 Wvggz Pro in verbinding met art. 5:4 lid Pro 1, onder b en c, Wvggz). Een CCE-rapport valt ook niet onder de stukken die de officier van justitie moet voegen bij zijn verzoek om een zorgmachtiging (art. 5:17 lid 3 Wvggz Pro). Een CCE-rapport is dus niet vereist voor de beoordeling van de vraag of voldaan is aan de criteria voor en het doel van verplichte zorg onder de Wvggz. [13]
3.16
Een zoekslag in de gepubliceerde rechtspraak leert dat het CCE of CCE-rapporten niet veelvuldig genoemd worden in Wzd- en Wvggz-zaken. [14] Ook in de literatuur over verplichte zorg trof ik geen relevante verwijzingen naar of informatie over de rol of het belang van het CCE of van CCE-rapportages in het kader van verplichte zorgzaken.
Multiproblematiek
3.17
Als een betrokkene zowel een psychische stoornis in de zin van de Wvggz als een psychogeriatrische aandoening, verstandelijke handicap of een daarmee gelijkgestelde ziekte of aandoening in de zin van de Wzd heeft, wordt gesproken van multiproblematiek. De vraag rijst dan onder welk regime deze persoon behandeld moet worden: binnen de kaders van de Wvggz of van de Wzd. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat in een dergelijk geval de zorgbehoefte van de betrokkene de doorslaggevende factor is: [15]
“Vooropgesteld zij dat een bewuste keuze is gemaakt om de Wvggz en de Wzd toe te spitsen op de verschillende doelgroepen. De patiënt of cliënt en zijn of haar zorgbehoefte staan centraal. De vraag is waar een patiënt of cliënt het beste op zijn of haar plek is. Ook bij multiproblematiek zal vaak sprake zijn van problematiek of een stoornis die op dat moment op de voorgrond staat en daarmee bepaalt welke zorgvraag leidend is en welk regime van toepassing is.
Een belangrijke factor die hierbij meespeelt is continuïteit van zorg in een vertrouwde omgeving. Beide wetten voorzien daarom ook in de mogelijkheid om bijkomende problematiek uit het andere (Wvggz- of Wzd-)domein te behandelen. Bijvoorbeeld: een cliënt met een verstandelijke beperking of een psychogeriatrische aandoening, die hierdoor onder de Wzd valt, maar die daarnaast ook een psychische stoornis heeft of ontwikkelt, kan in principe onder de Wzd blijven zolang de psychische stoornis niet voorliggend wordt en de instelling zichzelf in staat acht om kwalitatief goede zorg te kunnen geven. Mocht de psychische stoornis op een gegeven moment centraal komen te staan in de problematiek en daarmee voorliggend worden, dan dient het regime van de Wvggz te gaan gelden. Om de praktijk handvatten te bieden bij multiproblematiek, is een handreiking samenloop gepubliceerd op www.dwangindezorg.nl.”
3.18
Het antwoord op de vraag welke problematiek van de betrokkene op het moment van beoordeling op de voorgrond staat en daarmee diens actuele zorgbehoefte bepaalt, dient volgens de Hoge Raad te berusten op een vaststelling door een ter zake kundige arts. [16]
Bespreking van de klachten
3.19
Ik keer terug naar de bespreking van de klachten. Deze kunnen mijns inziens niet slagen, zoals ik hierna zal toelichten.
3.2
In de
eerste klachtwordt geklaagd dat het oordeel van de rechtbank is gebaseerd op een niet-actuele en dus gebrekkige medische verklaring.
3.21
Ik begrijp het bestreden oordeel van de rechtbank aldus: de stelling van de advocaat van betrokkene dat uit het – niet in het geding gebrachte – CCE-rapport blijkt dat het psychotisch beeld niet bovenliggend is en de Wzd-gerelateerde problematiek de boventoon voeren, is niet komen vast te staan, nu uit de (ik lees: wel) overgelegde stukken blijkt dat betrokkene lijdt aan schizofreniespectrum- en andere stoornissen, ADHD, ASS en een stoornis in het gebruik van cocaïne en uit de medische verklaring blijkt dat het psychotische beeld voorliggend is, hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is beaamd door de arts.
3.22
In dit oordeel van de rechtbank ligt mijns inziens besloten dat de medische verklaring actueel en ook anderszins niet gebrekkig is, waarmee de rechtbank voorbijgaat aan het in eerste aanleg namens betrokkene gevoerde verweer dat de medische verklaring gebrekkig is, omdat het CCE-rapport daarin niet betrokken is.
3.23
Het kennelijke oordeel van de rechtbank dat de medische verklaring niet gebrekkig is, ondanks dat het CCE-rapport daarin niet betrokken, is mijns inziens niet onjuist. Een CCE-rapport behoort in de eerste plaats niet tot de informatie waarop de onafhankelijk psychiater zich volgens de wet moet baseren (zie hiervoor onder 3.13 en 3.15).
3.24
Het voorgaande neemt niet weg dat een dergelijk rapport wel informatie kan bevatten die relevant kan zijn voor het beoordelen van de actuele situatie van een betrokkene door de onafhankelijk psychiater. Het ligt dan echter op de weg van die betrokkene of zijn advocaat om het verweer dat de medische verklaring gebrekkig en niet-actueel is, voldoende toe te lichten door de relevantie van het CCE-rapport voor het onderzoek door de onafhankelijk psychiater nader te onderbouwen (vgl. hiervoor onder 3.9). Naar mijn mening ontbreekt in deze zaak deze nadere onderbouwing van het verweer, zoals ik hierna onder 3.25-3.30 zal toelichten.
3.25
Het CCE-rapport komt in de bestreden beschikking niet voor in de lijst met bijlagen van het verzoekschrift. [17] Uit het proces-verbaal blijkt ook niet dat de advocaat of de mentor het CCE-rapport tijdens de mondelinge behandeling heeft overgelegd of dat aldaar een aanbod is gedaan om het rapport na de mondelinge behandeling alsnog in te brengen. De rechtbank heeft overwogen dat het CCE-rapport niet in het geding is gebracht, hetgeen in cassatie niet is bestreden. Ik ga er dus van uit dat het CCE-rapport niet in het geding is gebracht. [18]
3.26
Het enige waaruit de namens betrokkene gestelde inhoud van het CCE-rapport indirect af te leiden is, zijn de stellingen van de advocaat en van de mentor van betrokkene ter zitting. Namens betrokkene wordt door zijn advocaat gewezen op de aanwezigheid van, naast autisme, een benedengemiddeld intelligentieniveau, geheugenproblemen en copinggedrag, hetgeen uit het CCE-rapport zou blijken. Dit zijn op zichzelf geen diagnoses maar eerder symptomen. Daarbij is zijdens betrokkene niet gesteld welke problematiek specifiek een psychogeriatrische aandoening, verstandelijke handicap of een daarmee gelijkgestelde ziekte of aandoening in de zin van de Wzd oplevert en waarom deze ten opzichte van de Wvggz-problematiek voorliggend zou zijn, en dat dit (ook) is vastgesteld door een ter zake kundige arts (zie hiervoor onder 3.18). Onder verwijzing naar het CCE-rapport wordt door de advocaat verder gesteld dat betrokkene niet in de huidige accommodatie en setting thuishoort. Deze stellingen worden niet ondersteund door een concrete onderbouwing, de gedingstukken en hetgeen overigens ter zitting over en weer is verklaard.
3.27
Ook wijs ik erop dat niet blijkt dat de rechtbank namens betrokkene is geïnformeerd over de precieze datum van het CCE-rapport. Slechts genoemd wordt dat het CCE-rapport uit 2024 is. In 2024 is door de rechtbank een aansluitende zorgmachtiging voor betrokkene verleend voor de periode van 3 oktober 2024 tot en met 3 oktober 2025. [19] Dat roept de vraag op of het CCE-rapport ten tijde van het verlenen van die voorgaande zorgmachtiging al bekend was, en zo ja, of en in welke mate bij deze voorgaande zorgmachtiging rekening is gehouden met het rapport. Ook daaromtrent is niets gesteld namens betrokkene.
3.28
De medische verklaring is opgesteld op 26 augustus 2025. Dat is dus bijna acht maanden na afloop van het jaar 2024, het jaar waarin het CCE-rapport is opgesteld. Aangezien uit de medische verklaring de actuele gezondheidstoestand van betrokkene moet blijken, was ook gelet op de tijd die tussen het CCE-rapport en de medische verklaring is verstreken een nadere onderbouwing van de relevantie van het CCE-rapport aangewezen.
3.29
Bij dit alles komt ook dat namens betrokkene niet is gesteld op verzoek van wie het CCE om consultatie is gevraagd, wat de hulpvraag aan het CCE was, wat de concrete uitkomst van het onderzoek was, in hoeverre alle betrokken partijen zich konden vinden in deze uitkomst en of zij naar aanleiding daarvan bepaalde afspraken of uitgangspunten zijn overeengekomen.
3.3
Mede gelet op het feit dat het CCE en CCE-rapportages geen wettelijke basis hebben en ook niet veelvuldig aan de orde komen in Wvggz-zaken, had het mijns inziens op de weg van (de advocaat van) betrokkene gelegen om de rechtbank over al het voorgaande te informeren bij het doen van een beroep op het CCE-rapport en bij het onderbouwen van het belang daarvan voor de medische verklaring. Nu een dergelijke nadere onderbouwing ontbreekt, is het verweer dat de medische verklaring niet actueel en dus gebrekkig is, onvoldoende toegelicht en kon de rechtbank daaraan zonder nadere motivering voorbij gaan (zie hiervoor onder 3.9).
3.31
Het kennelijke oordeel van de rechtbank dat de medische verklaring niet gebrekkig is, getuigt daarmee niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dit oordeel is ook niet onbegrijpelijk, nu de grond voor de gestelde gebrekkigheid niet is komen vast te staan.
3.32
Gelet op het voorgaande slaagt de eerste klacht niet. De rechtbank kon de medische verklaring in haar oordeel betrekken.
3.33
Naar ik begrijp, wordt in de
tweede klachtgeklaagd dat de rechtbank ook zelf geen nader onderzoek heeft gedaan in relatie tot het CCE-rapport alvorens tot het bestreden oordeel te komen.
3.34
De rechtbank was mijns inziens niet gehouden zelf nader onderzoek te doen naar de inhoud en de relevantie van het CCE-rapport, alvorens te kunnen oordelen dat de stelling van de advocaat van betrokkene dat uit het CCE-rapport blijkt dat niet het psychotisch beeld, maar de Wzd-gerelateerde problematiek van betrokkene bovenliggend is, niet vaststaat.
3.35
Daarbij wijs ik er ten eerste op dat een CCE-rapport niet tot de stukken behoort waarvan de Wvggz voorschrijft dat de rechtbank die in zijn beoordeling moet betrekken (zie hiervoor onder 3.7 en 3.15). Een dergelijk rapport kan echter wel informatie bevatten die relevant kan zijn voor het beoordelen van het verzoek door de rechter, maar ook dan ligt het weer op de weg van (de advocaat van) betrokkene om het belang van het rapport voor de beoordeling door de rechter voldoende te onderbouwen. Grotendeels om de hiervoor 3.25-3.30 genoemde redenen was de rechtbank mijns inziens evenmin gehouden om zelf nader onderzoek te doen naar de inhoud van het CCE-rapport en de relevantie ervan voor haar beslissing.
3.36
Daar komt bij dat de wel in het geding gebrachte stukken de rechtbank ook geen aanleiding hoefden te geven om nader onderzoek te doen naar het CCE-rapport. Het verzoekschrift van de officier van justitie en de daarbij gevoegde stukken – waaronder de, geldige, medische verklaring, het zorgplan en de zorgkaart – noemen het CCE-rapport niet en/of geven geen blijk van de gestelde inhoud daarvan. Bovendien blijkt uit het zorgplan van 25 augustus 2025 dat de mentor, hoewel hij ter zitting het CCE-rapport noemt, wel achter de zorgmachtiging staat: [20]

d. Wat is de beleving en duiding vanuit de voor de continuïteit van zorg relevante familie en/of naasten en/of vertegenwoordiger (indien van toepassing)?
Mentor kan volgen dat de psychose van betrokkene wordt verergerd door drugsgebruik (en daaruit volgend nadeel zoals een toegekomen lijdensdruk, verwaarlozing en risico op automutilatie). Mentor ziet echter dat naar buiten gaan (en dan drugs gebruiken) zijn enige plezier is. Mentor ziet geen verbetering van het beeld over de tijd. Als mentor vraagt hij zich [af] of het gebruik niet toch meer getolereerd zou moeten worden. Hij staat achter de zorgmachtiging, mits bij de uitvoer hiervan ook aandacht wordt besteed aan hoe betrokkene meer plezier kan ervaren/ meer invulling aan zijn leven kan geven.”
3.37
De medische verklaring en het zorgplan vermelden dat sprake is van de diagnoses schizofrenie, autisme spectrum stoornis, ADHD en een stoornis in het gebruik van middelen (cocaïne). [21] Daarbij worden in de medische verklaring schizofreniespectrum- en andere psychotische stoornissen als belangrijkste stoornis aangekruist. In de medische verklaring is door de onafhankelijke psychiater dus niet vastgesteld dat sprake is van multiproblematiek, in die zin dat sprake is van zowel Wvggz-problematiek als Wzd-problematiek, en dus ook niet welke problematiek voorliggend is. Uit het proces-verbaal blijkt dat de arts de actualiteit van de medische verklaring ter zitting onderschrijft. Ook bevatten de overige stukken van het geding geen indicatie dat sprake zou zijn van multiproblematiek en dat daarbij Wzd-problematiek voorliggend zou zijn.
3.38
In dit verband wijs ik er ook op dat betrokkene sinds 8 juni 2020, en dus sinds de inwerkingtreding van de Wvggz en de Wzd, aaneengesloten zorgmachtigingen onder uitsluitend de Wvggz krijgt. [22]
3.39
Bij deze stand van zaken was de rechtbank niet gehouden eerst nader onderzoek te doen naar de inhoud en de relevantie van het CCE-rapport, alvorens tot het bestreden oordeel te kunnen komen. De tweede klacht kan niet slagen.
3.4
Overigens merk ik op dat uit het proces-verbaal, vanwege de vorm waarin het is opgemaakt, niet is af te leiden of en zo ja, in hoeverre de rechter ter zitting is ingegaan op of heeft doorgevraagd over het CCE-rapport. Aldus kan uit het proces-verbaal niet afgeleid worden in hoeverre hetgeen de arts, de advocaat en de mentor over of naar aanleiding van het CCE-rapport hebben verklaard in antwoord op vragen van de rechtbank is geweest. Het proces-verbaal is immers opgemaakt in een vorm waarin de vragen van de rechtbank niet vermeld worden. Een proces-verbaal dat meer een letterlijke weergave is van het verhandelde ter zitting, inclusief de vragen van de rechter, verdient derhalve de voorkeur.
3.41
In de
derde klachtlijkt, voortbouwend op de voorgaande klachten, te worden geklaagd over strijd met artikel 5 lid Pro 1, aanhef en onder e, EVRM in verbinding met artikel 3 EVRM Pro en artikel 2 EVRM Pro. Voor zover de klacht voortbouwt op de voorgaande klachten, faalt de klacht reeds, nu de voorgaande klachten niet slagen. Voor zover in deze klacht het oordeel van de rechtbank wordt aangevallen in verband met de behandeling van betrokkene door Parnassia op basis van eventuele verkeerde vooronderstellingen ten aanzien van de voorliggende problematiek van betrokkene, kan deze klacht evenmin slagen. Gelet op het voorgaande is van dergelijke verkeerde vooronderstellingen immers niet gebleken. De klacht mist in zoverre dus feitelijke grondslag.
3.42
In dit verband wil ik overigens nog wel op het volgende wijzen. Blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling heeft de arts verklaard dat in het CCE-rapport zaken staan die ter harte genomen zullen worden, waarbij het goed is om met elkaar in contact te blijven en kritisch naar de behandeling te kijken. Ook stelt de arts voor dat het meer gepast is om de machtiging te verlenen voor één jaar in plaats van voor de verzochte twee jaar, om betrokkene meer perspectief te bieden. De rechtbank heeft zich in de bestreden beschikking hiervan rekenschap gegeven door in de bestreden beschikking deze verklaringen van de arts weer te geven en de duur van de zorgmachtiging te beperken tot twaalf maanden om betrokkene perspectief te bieden.
3.43
Hierbij aansluitend hecht ik eraan op te merken dat uit de gedingstukken blijkt van de wanhoop van betrokkene en zijn mentor, die ik zeer invoelbaar vind. Tegen de achtergrond van die wanhoop heb ik de klachten in cassatie mede begrepen. Dat mijn conclusie tot verwerping van die klachten strekt, neemt niet weg dat ik met de behandelend arts en de rechtbank oog heb voor de zorgen rond en behoeften van betrokkene.
Slotsom
3.44
Nu geen van de klachten slaagt, kan het middel niet tot cassatie leiden.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Zo volgt uit het historisch overzicht, in cassatie overgelegd als productie 12.
2.De rechtbank heeft in de bestreden beschikking vastgesteld dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen en dat de mondelinge behandeling daarom zonder aanwezigheid van betrokkene kon plaatsvinden. Deze vaststelling wordt in cassatie niet bestreden.
4.Zie in het bijzonder de toelichting in de procesinleiding, onder 1.4 en 1.5.
5.Vgl. artikel 6:4 lid 1 Wvggz Pro.
6.HR 12 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1883,
7.HR 12 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1883, r.o. 3.3, onder verwijzing naar
8.HR 12 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1883, r.o. 3.4, onder vergelijkende verwijzing naar HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:625, r.o. 3.2.
9.HR 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1798,
10.HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:625, r.o. 3.2, onder verwijzing naar HR 8 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1475,
11.Aldus de website www.cce.nl.
12.Zo is de lezen in de folder van het CCE over het consultatieproces, te raadplegen via https://cce.nl/sites/cce.nl/files/2024-12/%21consultatieproces_-_folder.pdf.
13.Ook onder de Wzd is een CCE-rapport niet vereist voor de beoordeling van een verzoek door de rechter. Voor de volledigheid merk ik op dat het CCE in de parlementaire geschiedenis van de Wzd wel als mogelijke externe deskundige in geval van zeer complexe zorgsituaties wordt genoemd. Zie
14.Ik heb gezocht met combinaties van de zoektermen “Wvggz” resp. “Wzd” en “CCE” of “Centrum voor Consultatie en Expertise”. Dat leverde niet meer dan enkele uitspraken uit de feitenrechtspraak en enkele conclusies op, waarbij het CCE of een CCE-rapport bovendien slechts zijdelings wordt genoemd.
16.HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1271,
17.Het bijlagenoverzicht waarnaar in het verzoekschrift zelf wordt verwezen, is in cassatie niet overgelegd.
18.Voor de volledigheid merk ik op dat het CCE-rapport ook geen deel uitmaakt van het in cassatie overgelegde procesdossier.
19.Zo blijkt uit het historisch overzicht (productie 12 bij de procesinleiding). Deze beschikking is in cassatie niet overgelegd. Ook de overige beschikkingen waarin eerdere machtigingen werden verleend maken geen onderdeel uit van de in cassatie overgelegde stukken.
20.Productie 6 bij de procesinleiding, p. 2-3, onder 3.d.
21.In de medische verklaring op p. 2 (productie 5 bij de procesinleiding) en in het zorgplan ook op p. 2 (productie 6 bij de procesinleiding).
22.Zo volgt uit het historisch overzicht, in cassatie overgelegd als productie 12 bij de procesinleiding. Voor de inwerkingtreding van de nieuwe zorgwetten kreeg betrokkene aaneengesloten machtigingen onder de Wet Bopz, zie ook hiervoor onder 2.1.