ECLI:NL:PHR:2026:622

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
21 juni 2026
Zaaknummer
24/01260
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2B OpiumwetArt. 2C OpiumwetArt. 10a OpiumwetArt. 10 lid 3 OpiumwetArt. 10 lid 4 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over medeplegen bewerken, verwerken en aanwezig hebben van heroïne en voorbereidingshandelingen

De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf wegens medeplegen van het opzettelijk bewerken, verwerken en aanwezig hebben van ongeveer 681 gram heroïne en medeplegen van voorbereidingshandelingen met versnijdingsmiddelen. Het cassatieberoep richtte zich op drie klachten: het ontbreken van een keuze tussen alternatieve feiten in de bewezenverklaring, de hoeveelheid heroïne in de bewezenverklaring en de kwalificatie van meerdaadse samenloop.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht een bewezenverklaring van alternatieven heeft gegeven omdat het strafrechtelijk belang daarvan niet verschilt en de feiten in elkaars verlengde liggen. De klacht over de hoeveelheid heroïne faalt omdat het hof niet heeft bewezenverklaard dat de volledige 681 gram uit heroïne bestond, maar een materiaal bevattende heroïne. De klacht over meerdaadse samenloop wordt verworpen omdat het hof terecht onderscheid maakte tussen het bewerken en verwerken van heroïne en het voorhanden hebben van versnijdingsmiddelen, die verschillende gedragingen betreffen.

De Hoge Raad merkt ambtshalve op dat de uitspraak meer dan 24 maanden na het instellen van cassatie is gedaan, wat een schending van het redelijke termijnrecht oplevert en tot strafvermindering moet leiden. De conclusie van de procureur-generaal strekt tot vernietiging van de strafduur en vermindering daarvan, met verwerping van het cassatieberoep voor het overige.

Uitkomst: Cassatieberoep verworpen, maar strafduur verminderd wegens overschrijding redelijke termijn.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/01260
Zitting23 juni 2026
CONCLUSIE
P.T.C. van Kampen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte

1.Het cassatieberoep

1.1
De verdachte is bij arrest van 25 maart 2024 door het gerechtshof Den Haag (rolnr. 22-002614-22) wegens – kort gezegd – het medeplegen van het opzettelijk bewerken en verwerken en aanwezig hebben van een hoeveelheid heroïne (onder 1) en medeplegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in art. 10a Opiumwet (onder 2) veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, met aftrek van voorarrest. [1]
1.2
Deze zaak hangt samen met de zaak tegen [medeverdachte 1] (24/01299), waarin ik vandaag ook zal concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. De advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo hebben één middel van cassatie voorgesteld.

2.Het middel

2.1
Het middel valt in drie deelklachten uiteen.
De eerste deelklacht
2.2
De eerste klacht houdt in dat het hof in de bewezenverklaring onder 1 geen keuze heeft gemaakt tussen het tenlastegelegde “bewerken en verwerken” en het tenlastegelegde “aanwezig hebben”.
2.3
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat
“hij in of omstreeks de periode van 19 mei 2022 tot en met 20 mei 2022 te [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 681 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;”
2.4
Daarvan heeft het hof bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 19 mei 2022 tot en met 20 mei 2022 te [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen opzettelijk heeft bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 681 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I”
2.5
Het hof heeft dit bewezenverklaarde gekwalificeerd als “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod”. Onder het kopje “Toepasselijke wettelijke voorschriften” heeft het hof zowel art. 55 Sr Pro (eendaadse samenloop) als art. 57 Sr Pro (meerdaadse samenloop) genoemd. Gelet op hetgeen onder 2 bewezen is verklaard en de overwegingen van het hof, kan ervan worden uitgegaan dat het hof eendaadse samenloop heeft aangenomen ten aanzien van hetgeen onder 1 is bewezenverklaard. Ook de stellers van het middel tot cassatie gaan daarvan uit.
2.6
Het opzettelijk “bewerken en verwerken” van heroïne is strafbaar gesteld in art. 2 onder Pro B Opiumwet en kent een strafmaximum van acht jaren (art. 10 lid 4 Opiumwet Pro). Het opzettelijk “aanwezig hebben” van heroïne is strafbaar gesteld in art. 2 onder Pro C Opiumwet en kent een strafmaximum van zes jaren (art. 10 lid 3 Opiumwet Pro).
2.7
De stellers van het middel menen dat het hof had moeten kiezen tussen “bewerken en verwerken” en “aanwezig hebben” en dat het hof – door die keuze niet te maken – de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten.
2.8
Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de bewezenverklaring van alternatieven toelaatbaar is voor zover de keuze uit de in de tenlastelegging voorkomende alternatieven voor de strafrechtelijke betekenis van het feit van geen belang is [2] (en elk van de alternatieven door bewijsmiddelen wordt geschraagd). [3] Zo’n belang is in ieder geval aanwezig als de tenlastelegging zich kenmerkt door de beschuldiging dat de verdachte óf het ene óf het andere feit heeft begaan. Hetzelfde feitencomplex kan bijvoorbeeld niet zowel diefstal als verduistering opleveren. [4] Daarnaast is zo’n belang aanwezig indien aan de alternatieven ongelijke strafmaxima zijn verbonden. [5] Zo was in een zaak die leidde tot een arrest van 5 april 2011 sprake van een tenlastelegging die zag op het plegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in art. 46 Sr Pro die deels alternatief geformuleerd was, namelijk ten aanzien van het misdrijf dat was voorbereid. Dat was “een diefstal met geweld in vereniging en/of een afpersing met geweld in vereniging en/of een opzettelijke vrijheidsberoving in vereniging”. Het hof had hier volgens de Hoge Raad een keuze moeten maken uit deze alternatieven, omdat aan deze alternatieven op grond van art. 46 lid 2 Sr Pro andere strafmaxima waren verbonden. [6]
2.9
In de onderhavige zaak heeft het hof de tenlastelegging – gelet op de bewezenverklaring van zowel het “bewerken en verwerken” als het “aanwezig hebben” en de daarop gebaseerde (meervoudige) kwalificatie – kennelijk opgevat als een cumulatieve tenlastelegging. [7] Die uitleg van de tenlastelegging is wat mij betreft niet zonder meer verenigbaar met de bewoordingen van de tenlastelegging en meer in het bijzonder niet met het daarin opgenomen onderdeel “in elk geval”, dat de in de tenlastelegging genoemde gedragingen uit art. 2 onder Pro B Opiumwet verbindt met de in de tenlastelegging genoemde gedraging uit art. 2 onder Pro C Opiumwet. Met de hierboven onder 2.3 weergegeven tenlastelegging wordt door de steller daarvan in eerste instantie aangestuurd op een bewezenverklaring van (opzettelijk) “bewerken en verwerken” van de heroïne, maar – als dat niet tot een bewezenverklaring kan leiden – dan toch in elk geval op een bewezenverklaring van het (opzettelijk) “aanwezig hebben” van de heroïne. De formulering “A, in elk geval B” duidt wat mij betreft onmiskenbaar op een primair/subsidiair opgestelde tenlastelegging. [8]
2.1
Door beide feiten bewezen te verklaren en vervolgens ook meervoudig te kwalificeren heeft het hof aan de bedoeling van de steller van de tenlastelegging dus niet volledig gestand gedaan. Die stuurde immers niet aan op een beoordeling door de rechter van het subsidiair tenlastegelegde lichtere feit (opzettelijk) “aanwezig hebben”, indien de rechter het primair tenlastegelegde zwaardere feit (opzettelijk) “bewerken en verwerken” bewezen zou verklaren.
2.11
Tot cassatie hoeft het voorgaande evenwel niet te leiden. Hier is sprake van een geval waarin het door het hof eveneens bewezenverklaarde (opzettelijk) “aanwezig hebben” van de heroïne reeds volledig besloten ligt in de bewezenverklaring van het feit waarvoor de steller van de tenlastelegging primair een veroordeling wenste, namelijk het (opzettelijk) “bewerken en verwerken” van de heroïne. Iemand die heroïne bewerkt en verwerkt heeft die heroïne immers ook aanwezig. De beide onder 1 bewezenverklaarde feiten sluiten elkaar – anders dan bij bijvoorbeeld een tenlastelegging van primair diefstal en subsidiair verduistering – niet uit, maar liggen juist in het verlengde van elkaar, zodat het maken van een keuze in die zin ook niet van belang is voor de strafrechtelijke betekenis van het bewezenverklaarde. Het hof heeft vervolgens – zoals ik hiervoor al opmerkte – ten aanzien van deze feiten onder 1 aangenomen dat sprake is van eendaadse samenloop. Op grond van art. 55 Sr Pro is het hof daarom bij de strafoplegging uitgegaan van de bepaling waarop de zwaarste hoofdstraf is gesteld en dat is art. 2 onder Pro B Opiumwet. In die zin bestaat er geen verschil met de situatie waarin het hof – zoals het cassatiemiddel voorstaat – slechts het primair tenlastegelegde (opzettelijk) “bewerken en verwerken” bewezen zou hebben verklaard.
2.12
De klacht mist derhalve een rechtens te respecteren belang en kan niet tot cassatie leiden.
De tweede deelklacht
2.13
De tweede klacht richt zich tegen de bewezenverklaring onder 1 en houdt in dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat 681 gram heroïne aanwezig is geweest dan wel is bewerkt of verwerkt. Uit de bewijsvoering volgt immers dat een zak met bruin poeder in beslag is genomen en dat deze zak 681 gram van de versnijdingsmiddelen coffeïne en paracetamol alsook heroïne bevatte, aldus de stellers van het middel.
2.14
De bewezenverklaring onder 1 is hiervoor onder 2.4 reeds geciteerd. De bewezenverklaring ziet op “ongeveer 681 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne”.
2.15
Aan de klacht ligt in de eerste plaats een onjuiste lezing van de bewezenverklaring ten grondslag. Het hof heeft immers niet bewezenverklaard dat sprake was van “681 gram heroïne”, maar dat sprake was van “ongeveer 681 gram van een materiaal bevattende heroïne”. Voor die bewezenverklaring hoeft dus niet de volledige 681 gram uit heroïne te bestaan. In de tweede plaats mist de klacht belang bij cassatie, omdat het hof ook “in elk geval een hoeveelheid” heeft bewezenverklaard. Daarbij heb ik in aanmerking genomen dat het hof in de strafmotivering slechts heeft overwogen dat de verdachte zich “schuldig [heeft] gemaakt aan het bewerken en het verwerken en het voorhanden hebben van
een hoeveelheidbevattende heroïne [mijn cursivering, AG PvK]”, en dus niet specifiek 681 gram.
2.16
Het middel faalt.
De derde deelklacht
2.17
De derde klacht houdt in dat het oordeel van het hof dat sprake is van meerdaadse samenloop tussen het onder 1 en onder 2 bewezenverklaarde (in de zin van art. 57 Sr Pro), niet zonder meer begrijpelijk is.
2.18
Ten laste van de verdachte is onder 1 en 2 bewezenverklaard dat:
“1. hij in de periode van 19 mei 2022 tot en met 20 mei 2022 te [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen opzettelijk heeft bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 681 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I
2. hij in de periode van 19 mei 2022 tot en met 20 mei 2022 te [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen, te weten het opzettelijk bewerken, verwerken, verkopen van heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door een grote hoeveelheid paracetamol en/of coffeïne (bestemd voor het versnijden en/of bewerken en verwerken van heroïne) voorhanden te hebben.”
2.19
De bewijsoverweging van het hof houdt – voor zover van belang – het volgende in (de voetnoten heb ik weggelaten):
“Op 11 en 12 mei 2022 zijn er bij de politie meldingen binnengekomen over een pand aan de [a-straat 1] te [plaats] (hierna: het pand). De ramen van het pand zouden sinds kort zijn afgeplakt met folie. De hoofdbewoner wordt niet gezien. Wel wordt gezien dat verschillende mannen in en uit het pand lopen. In de avonden wordt het geluid van een machine waargenomen en in de ochtend en avond wordt gezien dat er goederen worden geleverd en opgehaald. Op 19 mei 2022 komt er via Meld Misdaad Anoniem een melding binnen over de verduisterde ramen en het zien van mannen die in de nachtelijke uren bezig zijn in het pand.
[…]
In de woonkamer op de begane grond van het pand zien de verbalisanten direct overal bruin poeder liggen. Zij treffen aldaar geen personen aan. Op de eerste verdieping treffen zij in de slaapkamer aan de voorzijde van het pand (vertrek AH) op een bed twee personen aan. De verbalisanten zien dat deze mannen onder het bruine poeder zitten. Zij hebben geen schoenen aan en hun voetzolen zitten onder het bruine poeder. Verbalisanten zien dat heel de vloer bezaaid is met bruin poeder. De man (steeds vanaf het voeteneind gezien) rechts op het bed met een ontbloot bovenlijf blijkt te zijn de verdachte en de man links op het bed blijkt te zijn, na latere rectificatie, [medeverdachte 2] .
Verbalisanten zien dat de gehele vloer op de bovenverdieping bezaaid is met bruin poeder en er liggen diverse plastic zakken met bruin poeder. Naast het poeder op de grond en de zakken poeder in de doucheruimte (vertrek AI) zien de verbalisanten twee kunststof teilen staan. De vloer van de douche zit onder het bruine poeder, vermengd met vocht. De in deze ruimte aangetroffen zak met bruin poeder wordt in beslag genomen. Uit onderzoek door het NFI blijkt dat deze 681 gram van de versnijdingsmiddelen coffeïne en paracetamol, alsook heroïne bevat. In de slaapkamer aan de achterzijde van het pand (vertrek AF) worden meerdere zeven aangetroffen, alsmede een kunststof teil met bruin poeder. Ook in deze kamer is de grond bezaaid met bruin poeder. In een gat in de vloer wordt een grote hoeveelheid bruin poeder aangetroffen. In het vertrek worden drie telefoons, zakken versnijdingsmiddelen en bruin poeder aangetroffen en in beslag genomen. In de slaapkamer aan de voorzijde van het pand (ruimte AH) worden twee telefoons, waarvan één kapotte, en bruin poeder aangetroffen en in beslag genomen. Uit onderzoek door het NFI blijkt dat het bruine poeder dat in deze vertrekken op de grond is aangetroffen, een mengsel is bevattende coffeïne en paracetamol.
[…]
Het hof is van oordeel dat de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen voldoende redengevend zijn om tot een bewezenverklaring van feit 1en 2 te komen. Het hof overweegt daartoe als volgt.
De verdachte is tezamen met 3 medeverdachten aangetroffen in een pand. De bovenste verdieping van het pand was, gelet op de aldaar aangetroffen voorwerpen, alsmede op de laag bruin poeder op de vloer van de bovenste verdieping, onmiskenbaar ingericht voor het verwerken van verdovende middelen. In de ruimtes AF en AH lag zichtbaar bruin poeder en er lagen attributen, waaronder teilen en zeven, die geschikt zijn voor de verwerking van verdovende middelen.
Op basis van de gegevens die worden aangetroffen op de genoemde iPhone wordt geconcludeerd dat de verdachte zeer waarschijnlijk de gebruiker van dit toestel is. Twee andere telefoons, waarvan één aangetroffen in vertrek AF en één in vertrek AH, worden op dezelfde wijze toegeschreven aan de [medeverdachte 1] . Op de telefoons worden foto’s aangetroffen van op verdovende middelen gelijkende substanties en gesprekken met een inhoud die daarop duidt. De gesprekken bevatten meerdere verwijzingen naar verdovende middelen, zoals vermeldingen naar ‘zand’ en ‘pura’, en tevens naar het adres waar de verdachte is aangetroffen, te weten de [a-straat 1] .
De slaapkamer waarin de verdachte is aangetroffen (vertrek AH) grenst aan deze versnijdingsruimte. In de versnijdingsruimte is bovendien de telefoon van de verdachte aangetroffen, waaruit het hof opmaakt dat hij ook in die versnijdingsruimte is geweest.
Naast het bed in vertrek AH waarop de verdachte is aangetroffen was eveneens een teil met poeder aanwezig. In de badkamer, die uitsluitend toegankelijk is via vertrek AH, stond een teil met versnijdingsmiddelen en heroïne.
Daar komt bij dat de verdachte op het moment van aanhouding onder het bruine poeder zat en dat de aan hem te koppelen telefoon diverse video’s en gesprekken bevat die verband houden met verdovende middelen.
Het aantreffen van telefoons in vertrek AF bevestigt dat in ieder geval de verdachte en [medeverdachte 1] aanwezig zijn geweest in de versnijdingsruimte. Daarnaast zat de verdachte op het moment van aanhouding onder het bruine poeder. Dit bruine poeder zat ook op zijn blote voetzolen, wat niet te verklaren is door de uitleg van de verdachte dat hij zijn sokken eerst op het bed heeft uitgedaan. Gelet op deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de verdachte niet alleen wetenschap heeft gehad van aanwezigheid van de in de tenlastelegging opgenomen heroïne en versnijdingsmiddelen, maar hier ook de beschikkingsmacht over heeft gehad.
Naar het oordeel van het hof is bovendien sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen ten minste de verdachte en zijn [medeverdachte 1] , gelet op de inhoud van de aangetroffen telefoons, de omstandigheden waaronder de verdachte en medeverdachten zijn aangetroffen, het feit dat zij gelijktijdig in het pand aanwezig zijn geweest en het feit dat meerdere personen geplaatst kunnen worden in de versnijdingsruimte. Het hof komt derhalve tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan voorbereidingshandelingen en aan het bewerken en verwerken en voorhanden hebben van een materiaal bevattende heroïne.
2.2
In zijn arrest van 5 juni 2018 heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:
“3.3.1 In zijn arresten van 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1111 tot en met ECLI:NL:HR:2017:1115, heeft de Hoge Raad enige algemene overwegingen over de eendaadse samenloop en de voortgezette handeling gegeven. De overwegingen uit voornoemde arresten laten zich op hoofdlijnen als volgt samenvatten.
De eendaadse samenloop en de voortgezette handeling vervullen een wezenlijke functie bij het voorkomen van onevenredige aansprakelijkheid en bestraffing in geval van gelijktijdige berechting van sterk samenhangende strafbare feiten.
Voor de eendaadse samenloop komt het vooral aan op de vraag of de bewezenverklaarde gedragingen in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt. Voor de voortgezette handeling komt het erop aan of de verschillende bewezenverklaarde, elkaar in de tijd opvolgende gedragingen (ook met betrekking tot het "wilsbesluit") zo nauw met elkaar samenhangen dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt.
Het toepassingsbereik van deze regelingen is ruimer dan wellicht kon worden afgeleid uit eerdere rechtspraak waarin vooral de verschillen in de strekking van de betrokken strafbepalingen centraal stonden. Die ruimte voor eendaadse samenloop en voortgezette handeling vindt mede steun in het vooral met art. 55, eerste lid, Sr verwante art. 68 Sr Pro dat ook dubbele bestraffing wil voorkomen. Ook in dat verband is immers bij de beantwoording van de vraag of sprake is van “hetzelfde feit” - naast de aan de orde zijnde gedraging van de verdachte - de juridische aard van de aan de orde zijnde feiten relevant, waarbij geen identieke strekking van de desbetreffende strafbepalingen is vereist, maar waarbij vooral van belang is of hun strekking niet wezenlijk uiteenloopt.
Wat betreft de kwalificatie van het bewezenverklaarde in geval van eendaadse samenloop is het in beginsel aan de feitenrechter om de vraag te beantwoorden of hij in geval van eendaadse samenloop het bewezenverklaarde enkelvoudig kwalificeert (onder de zwaarste strafbepaling) dan wel of hij meervoudig kwalificeert en vervolgens de zwaarste strafbepaling toepast bij de straftoemeting. Denkbaar is dat de feitenrechter, teneinde onevenredige aansprakelijkheid te voorkomen, een enkelvoudige kwalificatie aangewezen acht. Bij een voortgezette handeling ligt dat echter niet in de rede.
3.3.2.
De Hoge Raad heeft in de hiervoor genoemde arresten tevens overwogen dat art. 55, eerste lid, en art. 56 Sr Pro in zijn recente rechtspraak zelden aan de orde komen en dat daarbij een belangrijke rol speelt dat hierop betrekking hebbende klachten doorgaans van onvoldoende belang zijn om cassatie te rechtvaardigen omdat - kort gezegd - de opgelegde straf ver onder het strafmaximum ligt dat zou gelden als met de steller van het middel van eendaadse samenloop of voortgezette handeling zou worden uitgegaan. Vanwege het belang dat het thema heeft met name in feitelijke aanleg, heeft de Hoge Raad de onder 3.3.1 samengevat weergegeven opmerkingen gemaakt over de uitleg en de toepassing van voornoemde wetsbepalingen, met de kanttekening dat de zeer beperkte toetsing in cassatie niet zal veranderen.
In verband met die toetsing in cassatie is van belang dat art. 55, eerste lid, en art. 56 Sr Pro weliswaar het in een concreet geval geldende strafmaximum (mede) bepalen, maar dat binnen de grenzen van dat strafmaximum de strafoplegging door uiteenlopende factoren wordt bepaald, waaronder de concrete ernst van het feit en de persoon van de verdachte. De feitenrechter is - binnen de grenzen van het ter zake geldende strafmaximum - vrij in de keuze van de straf en in de waardering van de factoren die hij daartoe van belang acht (vgl. HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7805). Dientengevolge brengt de enkele omstandigheid dat de rechter ten onrechte is uitgegaan van meerdaadse samenloop in plaats van eendaadse samenloop dan wel voortgezette handeling, nog niet met zich dat in die concrete zaak van onevenredige bestraffing sprake is. Een en ander laat onverlet dat de Hoge Raad in cassatie aangevoerde klachten kan bespreken – ook zonder dat zulks leidt tot vernietiging en terugwijzing – met het oog op het aanduiden van de voor de feitenrechter bestaande ruimte tot toepassing van art. 55, eerste lid, en 56 Sr.” [9]
2.21
Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat sprake is van meerdaadse samenloop tussen het onder 1 bewezenverklaarde (opzettelijk) bewerken en verwerken, in elk geval (opzettelijk) aanwezig hebben van heroïne, en het onder 2 bewezenverklaarde voorhanden hebben van een grote hoeveelheid paracetamol en/of coffeïne (bestemd voor het versnijden en/of bewerken en verwerken van heroïne) ter voorbereiding van een feit als bedoeld in art. 10 lid 4 en Pro/of 5 Opiumwet.
2.22
In HR 15 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:358 was de verdachte onder 1 veroordeeld voor het opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs en onder 2 voor het voorhanden hebben van diverse voorwerpen – waaronder een tas, een plastic doos en pindakaaspotten waarin telkens drugs waren verpakt – ter voorbereiding van een feit als bedoeld in art. 10 lid 4 en Pro/of 5 Opiumwet. De Hoge Raad achtte het oordeel van het hof dat sprake was van meerdaadse samenloop niet zonder meer begrijpelijk, “in aanmerking genomen dat de bewezenverklaarde feiten naar de kern genomen betrekking hebben op een zich op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex over een gezamenlijkheid van voorwerpen, waarbij de verdachte naar het oordeel van het hof de in zijn woning gevonden harddrugs aanwezig had om deze te verkopen met behulp van de daar eveneens gevonden andere voorwerpen, terwijl die harddrugs in die tas, die plastic doos en pindakaaspotten waren verpakt.” Daarnaast liep naar het oordeel van de Hoge Raad de strekking van art. 2 onder Pro C en art. 10a Opiumwet niet zodanig uiteen dat geen sprake zou kunnen zijn van één verwijt. [10]
2.23
De vergelijking met de onderhavige zaak gaat echter niet op. In de onderhavige zaak is onder 1 bewezenverklaard dat de verdachte opzettelijk “681 gram van een materiaal bevattende heroïne” heeft bewerkt en verwerkt en dat materiaal opzettelijk aanwezig heeft gehad. Onder 2 is daarnaast bewezenverklaard dat de verdachte een grote hoeveelheid paracetamol en coffeïne aanwezig heeft gehad, bestemd voor het versnijden, bewerken en verwerken van heroïne. De kennelijke opvatting van het hof dat het voorhanden hebben van een grote hoeveelheid paracetamol en/of coffeïne (bestemd voor het versnijden en/of bewerken en verwerken van heroïne) enerzijds en het daadwerkelijk bewerken en verwerken van heroïne anderzijds gedragingen zijn die naar hun aard van elkaar verschillen, kan ik op zichzelf goed volgen. Het verschil tussen beide feiten wordt in de onderhavige zaak verder aangezet doordat uit de bewijsvoering blijkt dat de bewezenverklaring van het bewerken en verwerken slechts ziet op een relatief beperkte hoeveelheid bevattende heroïne, terwijl de onder 2 bewezenverklaarde voorbereidingshandelingen bestaan uit het voorhanden hebben van een grote hoeveelheid paracetamol en/of coffeïne. Uit de bewijsvoering blijkt immers dat door het hele pand zakken en teilen met bruin poeder zijn aangetroffen, terwijl ook de gehele vloer bezaaid lag met dat bruine poeder waarvan het NFI heeft geconcludeerd dat het een mengsel van coffeïne en paracetamol betreft.
2.24
Daarmee verschilt de zaak ook van HR 14 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1559, waarin de verdachte eerst was veroordeeld voor een voorbereidingshandeling als bedoeld in art. 10a Opiumwet door het voorhanden hebben van een auto met een ingebouwde verborgen ruimte bestemd voor het vervoeren van cocaïne en vervolgens nog apart werd vervolgd voor het daadwerkelijk vervoeren van die cocaïne. Dat leverde volgens de Hoge Raad een vervolging voor “hetzelfde feit” op als bedoeld in art. 68 Sr Pro. [11] Daar deed zich echter de bijzondere situatie voor dat het bewijs van die bestemming van de voorbereidingshandeling uitsluitend was gebaseerd op het aantreffen van de cocaïne in de auto, terwijl de vervolging voor het vervoeren betrekking had op precies datzelfde aantreffen van de cocaïne in de auto. Vergelijkbaar is de situatie in HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2359, waarin de verdachte werd veroordeeld ter zake van (de meerdaadse samenloop van) voorbereiding van opzettelijk een ontploffing te weeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en (kort gezegd) voorbereiding van diefstal met braak (feit 1) en verboden wapenbezit als bedoeld in art. 26 lid 1 Wet Pro Wapens en Munitie (feit 2), terwijl het onder 2 bewezenverklaarde wapen dat de verdachte voorhanden heeft gehad een van de voorwerpen is waarmee hij de onder 1 bewezenverklaarde voorbereidingshandelingen heeft begaan (en de strekking van de toepasselijke strafbepalingen niet wezenlijk uiteenloopt). Zo’n geval doet zich – gelet op hetgeen ik hiervoor heb opgemerkt – in de onderhavige zaak niet voor.
2.25
Het oordeel dat sprake is van meerdaadse samenloop tussen het onder 1 en onder 2 bewezenverklaarde feit, is niet onbegrijpelijk.
2.26
De klacht faalt.

3.Slotsom

3.1
Het middel faalt. Nu de tweede deelklacht van het middel klaagt over de bewezenverklaring van een feit waarvan de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken, ligt afdoening op de voet van art. 81 lid 1 RO Pro ten aanzien van die klacht in ieder geval niet voor de hand. [12]
3.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen meer dan 24 maanden nadat cassatie is ingesteld. Dat betekent dat inbreuk is gemaakt op het in art. 6 lid 1 EVRM Pro neergelegde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Dat moet leiden tot strafvermindering.
3.3
Verder heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.4
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.De precieze kwalificatie van deze feiten luidt onder 1: “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod” en onder 2 “medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit”.
2.HR 5 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6691,
3.HR 22 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO8315.
4.Zie HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:227,
5.HR 5 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6691,
6.HR 5 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6691,
7.Zie voor een overzicht van de verschillende soorten tenlasteleggingen de conclusie van AG Machielse, ECLI:NL:PHR:2007:AZ8393, onder 3.7.
8.Vgl. Melai/Groenhuijsen e.a., art. 261 Sv Pro, aant. 17.5.
9.HR 5 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:831,
10.HR 15 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:358, rov. 2.4.
11.HR 14 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1559, rov. 2.7.
12.HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40,