ECLI:NL:PHR:2026:703

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
24/03714
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Ontslag van rechtsvervolging
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 138 SrArt. 461 SrArt. 10 EVRMArt. 11 EVRMArt. 94 Gw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt ontslag van rechtsvervolging voor vreedzame demonstratie op besloten bouwterrein

Op 20 mei 2021 vond een demonstratie plaats van Extinction Rebellion op het bouwterrein van een onderneming op de campus van een universiteit. De demonstranten, waaronder de verdachte, beklommen een bouwkeet en een hijskraan en hingen spandoeken op. De politie gaf de demonstranten de kans het terrein vrijwillig te verlaten, waarna zij werden aangehouden en vervolgd wegens erfvredebreuk en het zonder toestemming betreden van verboden terrein.

De verdediging voerde aan dat het demonstratierecht, beschermd door artikel 10 en Pro 11 EVRM, was geschonden en dat het strafrechtelijk optreden disproportioneel was. Het hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat de demonstratie vreedzaam was, het gedrag van de verdachte niet als laakbaar kon worden beschouwd en dat het strafrechtelijk optreden en vervolging een ontoelaatbare inbreuk vormden. Het hof ontsloeg de verdachte van alle rechtsvervolging.

De advocaat-generaal stelde cassatieberoep in, stellende dat het hof het laakbaar gedrag en de proportionaliteit van het optreden onvoldoende had meegewogen. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep, bevestigde het toetsingskader van het EVRM en het hof, en oordeelde dat het hof de belangenafweging zorgvuldig had gemaakt. De demonstratie was vreedzaam, de verstoring van het bouwbedrijf beperkt, en het strafrechtelijk optreden disproportioneel. Het ontslag van alle rechtsvervolging blijft in stand.

Uitkomst: De verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging wegens het vreedzame karakter van de demonstratie en disproportioneel strafrechtelijk optreden.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/03714
Zitting7 juli 2026
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 26 september 2024 de verdachte ter zake van het primair en subsidiair bewezen verklaarde ontslagen van alle rechtsvervolging.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 24/03711, 24/03712 en 24/03713. Ook in die zaken zal ik vandaag concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld door A.M. Hermelink, advocaat-generaal bij het ressortsparket Arnhem-Leeuwarden. G.K. Schoep, advocaat-generaal bij het ressortsparket Den Haag, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Namens de verdachte heeft W.H. Jebbink, advocaat in Amsterdam, een schriftuur houdende tegenspraak ingediend.

2.De zaak

2.1
Aan het arrest van het hof ontleen ik de volgende relevante feiten en omstandigheden. Op 20 mei 2021 vond er een demonstratie plaats van een groep actievoerders van Extinction Rebellion op het bouwterrein van [A] , een onderneming van [B] , op de campus van de [universiteit] . De actievoerders demonstreerden tegen de bouw van het kantoor vanwege de rol die – volgens de actievoerders – [B] heeft in het creëren en in stand houden van het voedselsysteem, onder andere door (financiële) beïnvloeding van belangrijke pilaren van de Nederlandse democratie zoals het onderwijssysteem en in het bijzonder de [universiteit] . Er werden leuzen geroepen en spandoeken en vlaggen opgehangen. Drie demonstranten, waaronder de verdachte, zaten/stonden op het dak van een bouwkeet en een aantal demonstranten is in een op het bouwterrein aanwezige hijskraan geklommen en heeft daar een spandoek opgehangen. De actievoerders zijn rond 05:30 uur het bouwterrein opgelopen. Rond 07:00 uur zijn er politieagenten naar het bouwterrein gestuurd. Met een woordvoerster die zich buiten het bouwterrein bevond is afgesproken dat de actievoerders die zich op het terrein bevonden tot 10:30 uur de kans hadden om vrijwillig het terrein te verlaten en dat de politie daarna een bekeuring wegens huisvredebreuk zou uitreiken. Verder is medegedeeld dat als de bouwwerkzaamheden langer stil moeten liggen, de actievoerders zouden worden aangehouden. Omstreeks 11:00 uur kwam het arrestatieteam ter plaatse. De actievoerders die zich op de bouwkeet en de hijskraan bevonden (en – zo begrijp ik – dus niet vrijwillig wilden vertrekken), zijn door de politie aangehouden en naar het cellencomplex in Arnhem gebracht.
2.2
Namens de verdachte en medeverdachten is een verweer strekkende tot ontslag van alle rechtsvervolging gevoerd, op de grond dat de aanhouding en vervolging in strijd is met het demonstratierecht zoals neergelegd in art. 10 en Pro 11 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Het hof heeft in de zaken van de verdachte en twee andere medeverdachten op de bouwkeet (de zaken 24/03712 en 24/03713) een schending van art. 10 en Pro 11 EVRM aangenomen en de verdachten ontslagen van alle rechtsvervolging. De medeverdachte die zich op de hijskraan bevond (de zaak 24/03711) is door het hof veroordeeld tot een geldboete.

3.Het middel

3.1
Het middel komt met twee deelklachten op tegen de beslissing van het hof om de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.
3.2
De eerste deelklacht luidt dat het oordeel van het hof dat het handelen van de verdachte niet als laakbaar gedrag kan worden beschouwd, van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans, gelet op hetgeen het hof heeft vastgesteld en de advocaat-generaal bij het hof naar voren heeft gebracht, niet toereikend gemotiveerd en/of niet zonder meer begrijpelijk is. In dat verband wordt onder meer gesteld dat:
(i) het hof heeft miskend dat ook de bij de beoordeling van hetgeen als laakbaar gedrag kan worden beschouwd de locatie van de demonstratie, in het verband waarvan het strafbare feit heeft plaatsgevonden, van belang is;
(ii) het hof heeft miskend dat het handelen van de verdachte in de kern het resultaat is geweest van een gezamenlijk optreden van de gehele groep demonstranten waarmee de normale gang van zaken op het bouwterrein opzettelijk werd verstoord;
(iii) het hof heeft miskend dat ook zonder dat sprake is van laakbaar gedrag sprake kan zijn van een gerechtvaardigd strafrechtelijk optreden door middel van aanhouding, ophouden voor verhoor, vervolging en/of bestraffing in de context van een demonstratie;
(iv) de feitelijke grondslag van het oordeel van het hof strijdig is met de bewezenverklaring en het oordeel dat het handelen van de verdachte niet als laakbaar kan worden beschouwd, gelet op hetgeen door de advocaat-generaal bij het hof is aangevoerd, niet zonder meer begrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd;
(v) het oordeel van het hof dat geen sprake is van een ernstige verstoring van de dagelijkse gang van zaken voor het bouwbedrijf in elk geval ontoereikend gemotiveerd en/of niet zonder meer begrijpelijk is;
(vi) het hof ten onrechte niet heeft gereageerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de advocaat-generaal bij het hof, doordat het in het midden heeft gelaten of aan de demonstranten, waaronder de verdachte, is medegedeeld dat als de bouwwerkzaamheden langer stil moesten liggen, de actievoerders zouden worden aangehouden.
3.3
De tweede deelklacht houdt in dat het oordeel van het hof dat het strafrechtelijk ingrijpen geheel achterwege had moeten worden gelaten, van een onjuiste rechtsopvatting getuigt en/of niet toereikend gemotiveerd en/of niet zonder meer begrijpelijk is, omdat daarin ligt besloten dat ook de vervolging van de verdachte achterwege had moeten worden gelaten en ook dat de verdachte, doordat hij is vervolgd door middel van een dagvaarding, is onderworpen aan de dreiging van een sanctie en de verdachte daarmee ‘subject to a sanction’ was. In dat verband wordt onder meer gesteld dat:
(i) het oordeel van het hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, omdat een persoon ‘subject to a sanction’ is door oplegging van een straf en niet, zoals het hof kennelijk heeft geoordeeld, door vervolging door middel van een dagvaarding;
(ii) het hof bij zijn beoordeling van de noodzakelijkheid van het strafrechtelijk ingrijpen, anders dan de advocaat-generaal bij het hof, niet kenbaar het belang van het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten in zijn afweging heeft betrokken;
(iii) het hof bij zijn beoordeling van de noodzakelijkheid van het strafrechtelijk ingrijpen ten onrechte niet kenbaar in zijn beoordeling heeft betrokken de vraag of vervolging, berechting en/of eventuele strafoplegging (of het afzien daarvan) niet zo ingrijpend (zouden) zijn dat daarvan een ‘chilling effect’ uitgaat op personen die gebruik willen maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vreedzame vergadering;
(iv) het hof ten onrechte niet heeft gereageerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de advocaat-generaal bij het hof omtrent het ‘chilling effect’ van een op te leggen sanctie;
(v) in elk geval het (kennelijke) oordeel van het hof dat het strafrechtelijk ingrijpen door de politie in zijn geheel achterwege had moeten worden gelaten niet zonder meer begrijpelijk is.

4.De terechtzitting in hoger beroep

4.1
Het proces-verbaal van de terechtzitting houdt – voor zover hier van belang – als door de verdachte afgelegde verklaring in:
“Verdachte verklaart:
Wij kwamen naar de campus van de [universiteit] om te demonsteren tegen de bouw van een gebouw voor een multinational op het terrein van onze universiteit. [A] en [B] hebben een grote invloed op ons milieu. Daarnaast demonstreerden wij ook specifiek tegen de groeiende invloed van grote bedrijven en het grote geld op onze universiteit. Het zijn publieksinstituten. Het grote geld wordt van private partijen gehaald. Er zijn verschillende casussen bekend, waarbij onderzoeksresultaten worden geschrapt omdat deze niet goed uitkwamen voor het bedrijf die voor het onderzoek had betaald. Deze onderzoeken zijn van belang. De grote bedrijven willen winst maken, maar denken niet aan de studenten en mensen in de wereld. Het gaat om de integriteit van de academie en om het milieu. De demonstratie was bovenal om een politiek statement te maken. Het was een demonstratie tegen het groeiende geld. Wij hadden geen andere methodes, wij zitten niet in het bestuur van de universiteit. Wij kunnen niet heel veel meer doen dan demonstreren om onze stem te laten horen.
U, voorzitter, vraagt waarom het noodzakelijk was om te demonstreren en waarom het op deze manier moest. Het is niet het eerste waarvoor je kiest. Op het moment dat je je ergens tegen wil verzetten en je gehoord wil worden, dan moet kracht bij de demonstratie worden gezet. Wij wilden niet dat er gebouwd werd. Wij wilden niet dat er een multinational kwam. Dit was een meer directe en krachtigere manier om te demonstreren tegen de bouw.
U, voorzitter, vraagt mij of wij een andere manier al hadden geprobeerd. Tegen [A] zelf niet. Deze demonstratie was wel onderdeel van een langer durende campagne. Er is sprake van een uitkoop van de universiteit door de groeiende invloed van multinationals. Er is geen sprake van een reeks aan acties op dit of tegen dit specifieke bouwterrein.
U, voorzitter, vraagt mij of wij van tevoren afspraken hebben gemaakt wat er allemaal wel en wat er allemaal niet zou gaan gebeuren. Dat is enerzijds een lastige vraag. Het is lang geleden. Ik kan vooral algemeenheden geven. Extinction Rebellion gaat alleen voor vreedzame en geweldloze acties. Bovenal houden wij rekening met de veiligheid van mensen. Wij willen mensen niet direct kwaad doen, maar ook niet indirect. Indirect willen wij milieurampen voorkomen; dat is de kern van Extinction Rebellion. De bezetting heeft plaatsgevonden toen het terrein nog niet was geopend en dat was om te voorkomen dat er een directe confrontatie kon ontstaan. Dat wilden wij voor onszelf en de mensen die daar werkten voorkomen. Het is een onterecht vooroordeel dat wij eng of gevaarlijk of onvoorspelbaar zijn. Wij hebben beheerst gehandeld. Normaal hebben wij acties met een check-in. Wij vragen iedereen of hij/zij weet waar hij/zij aan begint en of hij/zij zich daar goed bij voelt. De veiligheid wordt altijd geregeld. Geweldloosheid is een cruciaal onderdeel van onze acties.
(…)
Volgens mij hebben wij afgesproken dat ieder het houdt bij zijn of haar eigen zaak en intenties. Ik verwacht dat dat de afspraak is geweest. De afspraak is wel altijd vreedzaamheid. Wij weten dat de politie wel eens gewelddadig kan zijn, daarom hebben wij actietrainingen. Wij raden iedereen aan een dergelijke training te volgen. Iedereen die acte voert, moet begrijpen wat er kan gebeuren. Bijvoorbeeld het weg slepen van mensen of het uit elkaar halen van mensen, zodat er geen onverwachte reactie van de actievoerder komt. Dit is om te zorgen dat wij ons geweldloos gedragen ten opzichte van de politie.
U, voorzitter, vraagt mij hoe ik op de actie terug kijk. In principe hebben wij ons wat betreft de interactie met de politie aan het boekje gehouden. Zeker op het dak hebben wij ons op geen enkele manier verzet. Daar kregen wij ook niet veel kans toe. Dat was goed. De boodschap was uitgedragen. Wij hebben de lokale pers duidelijk gemaakt waarom wij actie voerden. Er zijn ook gesprekken geweest met de universiteit. Dus er is enige vorm van resultaat geboekt. De bedoeling was ook het bewustzijn van de problemen vergroten.
U, raadsman, vraagt mij hoelang ik zou zijn gebleven als de politie mij niet had weg gehaald. Totdat ik het koud zou krijgen of honger zou krijgen. Wij wilden daar een statement maken en dat hebben wij gedaan. Wij hadden geen avondeten bij en zeker geen spullen om te overnachten. Wij hebben van tevoren geen eindtijd afgesproken. Het was wel voor iedereen duidelijk dat wij niet zouden gaan overnachten.”
4.2
Het door de advocaat-generaal voorgedragen requisitoir houdt onder meer in (met weglating van de voetnoten):

Ad D.
Er zou ontslag van alle rechtsvervolging moeten volgen omdat het strafrechtelijk ingrijpen en de vervolging een inbreuk vormen op de rechten van verdachte neergelegd in de artikelen 10 en 11 EVRM.
Vaststaat dat de rechten van artikel 10 en Pro 11 EVRM geen absolute rechten zijn. Ze kunnen worden beperkt.
Het toetsingskader van het EVRM/EHRM is als volgt:
1. Is er sprake van een vreedzame demonstratie?
2. Wordt het recht op demonstreren beperkt door de overheid?
Dit hoeft geen algeheel verbod te zijn, ook maatregelen (voor, tijdens en achteraf) waar een afschrikwekkend effect van uitgaat richting personen die van plan zijn deel te nemen aan een demonstratie, vallen onder inmenging. Het uitgangspunt is dat een beperking van het recht een schending van art 10/11 EVRM oplevert, tenzij sprake is van een rechtvaardiging voor die beperking.
3. Is de beperking toegestaan op grond van lid 2 van beide artikelen?
a. Voorzien bij wet
b. Dient een gerechtvaardigd doel opgenomen in lid 2
c. Noodzakelijk in een democratische samenleving
Het toetsingskader toegepast op deze casus:
Vreedzaam:
Uit jurisprudentie van het EHRM blijkt dat een protestactie geen vreedzame vergadering is als: a. sprake is van gewelddadig gedrag; b. indien de protestactie een gewelddadig karakter kent of c. als de deelnemers de grondslagen van een democratische samenleving verwerpen. Bij a en b is het plaatsvinden van gewelddadig gedrag niet vereist: een gewelddadige intentie van de demonstranten is voldoende om de demonstratie niet meer als vreedzaam aan te merken.
Recent (21 november 2023) heeft het Europees hof in EHRM Laurijsen/NL benadrukt dat bescherming van vreedzame demonstraties alleen niet geldt bij demonstraties waar organisatoren en deelnemers gewelddadige bedoelingen hebben. Dat laatste mag niet te snel worden aangenomen; de demonstratievrijheid van een individu houdt niet op wanneer er tijdens een demonstratie sporadische gewelddadigheden of strafbare feiten worden gepleegd, terwijl betrokkene zich
zelfvreedzaam heeft opgesteld. (in deze zaak merkt het Europees Hof op dat klagers zelf niet verdacht werden van het plegen van geweld en de omstandigheden leverden niet op dat kon worden afgeleid dat de deelnemers gewelddadige bedoelingen hadden. HR had daarom moeten betrekken of het aandeel van klagers bij bijeenkomst wel/niet vreedzaam was geweest). In onderhavige zaak is reeds opgemerkt dat elke verdachte handelingen heeft verricht die te kwalificeren zijn als medeplegen lokaalvredebreuk.
Bij het medeplegen van de lokaalvredebreuk vindt geen gewelddadig gedrag plaats en een gewelddadige intentie blijkt ook niet uit het dossier. Integendeel, verdachten verklaren juist dat ze 'passief demonstreren.’
Kortom: de demonstratie in onderhavige zaak is vreedzaam en daarom komt aan verdachten in beginsel bescherming toe van artikelen 10 en 11 EVRM.
Beperking demonstratierecht
Het tweede punt over de beperking dient bevestigend te worden beantwoord: het recht tot demonstratie wordt beperkt in onderhavige zaak. Die beperking kwam geleidelijk, omdat verdachten ‘s ochtends vroeg nog hun demonstratierecht hebben kunnen uitoefenen. De verdachten zijn uiteindelijk aangehouden, meegenomen naar het bureau en een aantal uren van hun vrijheid beroofd en vervolgens strafrechtelijk vervolgd.
Er is in dat geval sprake van een beperking, omdat de verdachten vanaf de aanhouding tot en met hun heenzending hun recht op demonstratie niet (meer) konden uitoefenen. Verder is in eerste aanleg een straf (VW GS 2 wkn + GB) opgelegd en in hoger beroep kan dat wederom of kan een andere sanctie worden opgelegd. Door de strafrechtelijke vervolging kan een afschrikwekkend effect uitgaan naar anderen dat deelname aan een demonstratie kan leiden tot aanhouding en strafrechtelijke vervolging. Het recht tot demonstratie wordt op deze wijze ook op indirecte wijze beperkt.
Is de beperking in deze zaak toegestaan?
De daarop volgende vraag is: is de beperking in onderhavige zaak gerechtvaardigd? De beperking (de aanhouding, ophouden en vervolging van verdachte wegens verdenking van strafbaar feit is bij wet voorzien (a). De beperking diende een gerechtvaardigd doel uit lid 2 van artikel 10 en Pro 11 EVRM, zoals ‘ter voorkoming van wanordelijkheden en strafbare feiten en ter bescherming van de rechten en vrijheden van anderen’. De beperking is ook van belang voor de bescherming van anderen, te weten het eigendomsrecht van de eigenaar ( [A] en [C] B.V) (b). De vraag of sprake is van een beperking die noodzakelijk was in een democratische samenleving is lastiger te beantwoorden (c). Bij de beoordeling of de beperking noodzakelijk was in de democratische samenleving moet worden gekeken of de beperking beantwoordt aan een “dringende sociale behoefte” (pressing social need) en in het bijzonder of die beperking evenredig was aan dat doel (proportionaliteit) en of de redenen om de beperking te rechtvaardigen “relevant en voldoende” (relevant and sufficiënt) waren. De lidstaten hebben beoordelingsruimte (margin of appreciation) om dit te beoordelen.
Noodzakelijk in democratische samenleving
Bij de beantwoording van de vraag of een beperking van het recht op vrijheid van vreedzame vergadering in een democratische samenleving noodzakelijk is, kan mede betekenis toekomen aan de omstandigheid dat “private property” (privé-eigendom) in het geding is. Op het moment dat verdachten na herhaaldelijke vordering hebben geweigerd om het terrein te verlaten is duidelijk dat [A] een beroep deed op haar huisrecht en dat er sprake is van lokaalvredebreuk. Verdachten waren namelijk het bouwterrein binnengedrongen waarbij 3 verdachten bovenop de bouwkeet zaten en 3 verdachten in – het horizontale deel – van de 40 meter hoge hijskraan waren geklommen. Zij gingen niet weg toen de politie vorderden dat zij het terrein moesten verlaten. Ondertussen lagen de bouwwerkzaamheden stil en bevonden verdachten zich op (grote) hoogtes wat gevaarlijke situaties met zich brengt. De politie mocht op dat moment ingrijpen door verdachten aan te houden en hen uit het pand te verwijderen. Het beperken van het demonstratierecht door verdachten aan te houden, is dan ook noodzakelijk om de grondrechten, te weten eigendomsrecht, van anderen te beschermen en andere wanordelijkheden te voorkomen.
In het kader van beoordelen van demonstraties waar voorafgaand geen (benodigde) toestemming voor is gevraagd bij de autoriteiten, maakt het EHRM duidelijk dat de vrijheid om deel te nemen aan een vreedzame bijeenkomst zo belangrijk is, dat iemand niet kan worden bestraft voor deelname aan een demonstratie die niet is verboden, zolang die persoon bij die gelegenheid zelf geen laakbare daad begaat. De vraag is dan wat een laakbare daad is. Dat is in ieder geval niet een geringe mate van overlast, volgens het EHRM, nu dat inherent is aan betogingen. Wel laakbaar is een “opzettelijke ernstige verstoring van het gewone leven en van activiteiten die rechtmatig door anderen worden uitgevoerd, welke verstoring ernstiger is dan veroorzaakt door normale uitoefening van het recht op vreedzame bijeenkomst op openbare plaats”. Dergelijk gedrag zou oplegging van strafrechtelijke sancties kunnen rechtvaardigen, ook zonder dat er sprake is van gewelddadigheden of aanzetten daartoe.
Het gaat hier niet om een normale, vreedzame demonstratie op een openbare plaats, waar enige verstoring automatisch bij hoort. In deze zaak gaat het niet om beperkte hinder, maar zelfs om een gevaarlijke situatie. Verdachten staan boven op een bouwkeet en een hijskraan waar veiligheidsrisico's aan verbonden zijn, de bouwwerkzaamheden liggen stil hetgeen meerdere personen - waaronder de eigenaar - economisch treft, de cabine van de hijskraan is besmeurd, vier borgpennen waren verwijderd van de contragiek van de kraan wat volgens de machinist zeer gevaarlijk is. Daarbij is nog niet eens betrokken dat de verdachten op de kraan vastgeketend waren, het zeer lastig was om ze los te krijgen en dat het luik dichtgehouden werd waardoor de politie er niet bij kon en zelf buitenom moest klimmen om naar de verdachten te komen. Al met al een hinderlijke én gevaarlijke situatie ofwel laakbaar.
In Hof Arnhem-Leeuwarden 28 juni 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4342 waar de deuren en ramen van de Rabobank werden beplakt met posters (vernieling) oordeelde het hof dat geen sprake was van een laakbare daad, omdat de hinder beperkt was, de posters eenvoudig te verwijderen waren en geen sprake was van een gevaarlijke situatie. Dat is in onderhavige zaak echt anders, deze situatie is wél gevaarlijk én was niet tijdelijk.
In Hof Amsterdam 14 mei 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1489 waren verdachten in een bootje naar een VOC-schip van het Scheepvaartmuseum in Amsterdam gevaren en waren in strijd met het verbod op toegang in het VOC-schip geklommen en hebben een spandoek opgehangen. Op vorderingen van de politie zijn zij vertrokken. Het hof oordeelde in die zaak dat de inbreuk op de rechten van anderen en het ongemak zo gering zijn dat het gedrag niet laakbaar is. Vergeleken met onderhavige zaak is dit ook anders, omdat de verdachten in bovenstaande zaak na de vordering zijn vertrokken en geen sprake was van een gevaarlijke situatie.
Gelet op het laakbare gedrag van verdachten is de beperking van de demonstratie in beginsel gerechtvaardigd. De beperking dient óók proportioneel te zijn. Bij de proportionaliteitstoets dient een evenwicht te worden gevonden tussen de legitieme doelen en de vereisten van de vrijheid van demonstratie/vergadering. In onderhavige zaak verschenen de eerste meldingen van de demonstranten vroeg in de ochtend. Politieagenten kwamen ter plaatse en gingen – al dan niet via de woordvoerster – met verdachten in gesprek waarbij zij de kans kregen om vrijwillig het terrein te verlaten. Verdachten weigerden dit en verlieten – na herhaaldelijke vorderingen – niet het bouwterrein. De aanleiding voor het strafrechtelijke optreden en de vervolging van de verdachten zijn dan ook niet gelegen in het deelnemen aan het protest, maar in het tijdens die protestactie/demonstratie plegen van een strafbaar feit.
Daarnaast is bij de proportionaliteitstoets ook van belang dat verdachten op andere alternatieve manieren hadden kunnen protesteren. Verdachte [medeverdachte 1] verklaart ter terechtzitting dat het beklimmen een essentieel onderdeel was van de demonstratie, omdat voorgaande ‘nette demonstraties’ niet het gewenste effect hadden. Ten eerste is dat niet vast te stellen (uit het dossier blijkt niet dat zij eerder met de bedrijven en bestuur hebben gecommuniceerd) en ten tweede houdt het recht op demonstratie in dat je mag demonstreren en niet het recht om je standpunt te effectueren/het gewenste resultaat te behalen. In onderhavige zaak hadden de demonstranten vóór het bouwterrein (zoals de andere demonstranten) kunnen demonstreren. Door de demonstratie op deze manier te laten verlopen, komen de gedragingen van de verdachten eigenlijk neer op het hinderen van de eigenaar en de werklui van het bouwterrein. Voorts was het voor verdachten óók mogelijk om – na daartoe gevorderd te zijn – het gebouw te verlaten en de demonstratie elders en in de buurt van het gebouw voort te zetten.
Door het laakbare gedrag is het ingrijpen door de politie in beginsel gerechtvaardigd. De politie is ter plaatse gekomen, is met verdachten – via woordvoerster – in gesprek gegaan, heeft meerdere malen gevorderd om het terrein te verlaten en heeft ook (blijkens pv [verbalisant 1] ) gezegd als ze vrijwillig verlaten er enkel een boete voor art. 461 Sr Pro opgelegd zou worden. Nadat bleek dat verdachten het terrein niet wilden verlaten, is de politie pas rond kwart voor 12 en 1 uur (letterlijk) naar verdachten toe geklommen om ze aan te houden en van het terrein te verwijderen. De verdachten gaven de politie geen keus, mede gelet op de mogelijkheid dat verdachten op de hijskraan slaapzakken bij zich hadden.
Eenmaal op de bouwkeet en hijskraan heeft de politie nog geprobeerd in gesprek te komen met verdachten, maar tevergeefs. Toen de agenten richting de verdachten op de hijskraan wilden, bleek het luik dicht te zitten waardoor zij grote risico's moesten nemen en buiten de kraan om (op 40 meter hoogte) verder moesten klimmen om bij de verdachten te komen. In tegenstelling tot wat verdachten beweren (dat zij enkel zichzelf in gevaar brengen) brachten ze ook anderen met hun actie in gevaar. Eenmaal boven op de kraan zaten de verdachten vastgeketend en kostte het veel moeite om hen los te maken. Zoals de politierechter opmerkt ‘dat het aanhouden van actievoerders onder deze omstandigheden met enige dwang of geweld gepaard gaat, geeft geen blijk van disproportioneel geweld. Een aanwijzing dat alleen de nodige dwang is uitgeoefend is dat, zodra de mensen op de bouwkeet te kennen geven wél mee te werken, de handboeien worden verwijderd’. Het handelen van de politie is dan ook professioneel en proportioneel geweest.
Het proportionele handelen van de politie wordt lastig(er) wanneer de verdachten na de aanhouding naar het politiebureau worden gebracht en ze daar worden opgehouden. Het meenemen en ophouden heeft als doel gehad het afnemen van een verhoor, het identificeren en achterhalen van de persoonsgegevens van de verdachten en het uitreiken van een dagvaarding. Het ter plaatse identificeren van de verdachten was niet mogelijk, enkel bij verdachte [medeverdachte 2] . Verdachte [medeverdachte 2] is toch meegenomen, naar ik aanneem om een verhoor af te nemen en om onderzoek niet te doorkruisen.
Van de mogelijkheid om een verdachte zijn of haar strafzaak in vrijheid te laten afwachten, kan immers in de regel pas gebruik worden gemaakt indien men beschikt over de persoonsgegevens van deze verdachte.
In HR 19 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1742, r.o. 2.4.2.: overweegt de Hoge Raad: ‘
Tot slot heeft het hof “alles afwegende” – waarbij het hof kennelijk ook heeft betrokken dat de oorzaak van de duur van het voorarrest van de verdachte mede was gelegen in de weigering van de verdachte om haar persoonsgegevens op te geven – geoordeeld dat volstaan moet worden met een geheel voorwaardelijke geldboete van € 350, waarmee het hof heeft gewaarborgd dat de bestraffing proportioneel is en niet zo ingrijpend is dat daarvan een “chilling effect” uitgaat op personen die door deelname aan een protestactie gebruik willen maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting en van hun recht op vrijheid van vergadering.’
In andere jurisprudentie over demonstratiezaken is te zien dat de inbreuk op het demonstratierecht als te vergaand en het optreden van de politie als disproportioneel wordt bestempeld als de politie op minder vergaande wijze had kunnen optreden. Zo wordt er genoemd: a. ‘het ter plaatse identificeren van verdachten’. Dat kon in deze zaak niet. b. ‘het verwijderen en ontzeggen van de toegang’. Als in dit geval daarmee was volstaan kwamen verdachten weg met het plegen van een strafbaar feit, terwijl dat feit laakbaar was. c. ‘in hoeverre het noodzakelijk is om demonstranten nog een nacht in politiecel te laten verblijven nadat hun persoonsgegevens zijn vastgesteld waaronder begrepen het maken van een foto’.
De politie had in casu niet minder vergaand kunnen optreden en volgens de wet is het ophouden voor onderzoek (56a lid 4) geoorloofd in belang van het onderzoek én om de identiteit te achterhalen. Het politieoptreden was derhalve gerechtvaardigd.
Bij de proportionaliteitstoets dient niet enkel gekeken te worden naar het politieoptreden, maar ook naar de aard en zwaarte van eventueel op te leggen straffen.
Wanneer de aan de demonstranten opgelegde sancties strafrechtelijk van aard zijn, vereisen ze een bijzondere rechtvaardiging. Een vreedzame demonstratie mag in principe niet onderworpen worden aan de dreiging van een strafrechtelijke sanctie, en met name ontbering van vrijheid. Zolang de demonstratie louter vreedzaam is, mag daar dus niet zomaar een strafrechtelijke sanctie op worden gesteld. Die balans valt dus de andere kant op wanneer de individuele demonstrant in kwestie een laakbare daad (reprehensible act) pleegt tijdens de demonstratie/betoging. In onderhavige zaak maken verdachten zich schuldig aan laakbaar gedrag en is het de vraag of de vervolging en de – eventuele – bestraffing van verdachte ook nog evenredige maatregelen zijn, en dus toegestane beperkingen van het recht op demonstratie. Aan de ene kant is het belang van het demonstratierecht in een democratische samenleving groot, is het strafbare feit an sich gering, maar aan de andere kant zijn de omstandigheden en gevolgen van de strafbare gedragingen groot, laakbaar en gevaarlijk. Daarbij gaat het politieoptreden ver omdat verdachten zijn opgehouden (met overschrijding) op het politiebureau, maar dat politieoptreden is gerechtvaardigd gelet op het gevaar voor verdachten én de agenten zelf en het weigeren van het kenbaar maken van persoonsgegevens van verdachten.
Conclusie: de beperking van het demonstratierecht in deze zaak was proportioneel en gerechtvaardigd. Er is derhalve geen schending van artikelen 10 en 11 EVRM.
Ten overvloede wil ik opmerken dat de verdediging in de pleitnota (p. 10-13) EHRM zaken noemt en meeneemt in het EVRM kader. In het arrest van de Hoge Raad uit 2022 noemt de Hoge Raad veel van deze zaken ook (zoals Steels and Others / VK; Acik/Turkije; Taranenko/Rusland) en merkt hierbij op dat de omstandigheden (en gedragingen) verschillen van onderhavige zaak.”
4.3
De door de raadsman van de verdachte voorgedragen pleitnota houdt ten aanzien van het verzoek tot ontslag van alle rechtsvervolging in (met weglating van de voetnoten):

Ontslag van alle rechtsvervolging
Inleiding
3. Ik verzoek uw hof om in geval van een bewezenverklaring artikel 138 Sr Pro of artikel 461 Sr Pro buiten toepassing te laten.
4. Indien het overheidsoptreden na afloop van een demonstratie niet ‘
necessary in a democratic society’is ten opzichte van de in artikel 10 lid 2 en Pro/of 11 lid 2 EVRM genoemde doelen, dan levert dit strijd op met artikel 10 en Pro/of 11 EVRM. Indien dan toch wordt vervolgd, [1] zal de strafrechter naar Nederlands recht op grond van artikel 94 Grondwet Pro de strafbepaling(en) waarop de dagvaarding berust buiten toepassing dienen te laten. Een geslaagd beroep op artikel 11 EVRM Pro brengt met zich mee dat het bewezenverklaarde niet strafbaar is. Dit leidt tot ontslag van alle rechtsvervolging.
5. Om te bepalen of de artikelen 10 EVRM en/of 11 EVRM is [2] geschonden, moeten twee stappen worden doorlopen. De eerste is of de gedragingen van cliënten onder de reikwijdte van artikel 10 lid 1 EVRM Pro en artikel 11 lid 1 EVRM Pro vallen. Als die vraag positief moet worden beantwoord, is de tweede vraag of de tegen de gedragingen genomen overheidsmaatregelen toelaatbaar zijn. Daartoe moet worden getoetst aan de artikelen 10 lid 2 en 11 lid 2 EVRM.
De tenlastegelegde gedragingen vallen onder de reikwijdte van artikel 10 en Pro 11 EVRM
6. De eerste vraag is of de protestactie van cliënten beschermd wordt door de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vreedzame vergadering.
7. Bekend is dat volgens het EHRM de vergadervrijheid een van de fundamenten van een democratische samenleving is. Daarom mag het begrip ‘vreedzame vergadering’ niet restrictief worden uitgelegd. Ook demonstraties, statische protesten, sit-ins, bezettingen en blokkades vallen daar onder. Het VN-Mensenrechtencomite noemt in dit verband ook ‘
collective civil disobedience’-acties.
8. Ook protesten die niet plaatsvinden op een openbare plaats in de zin van de Wet openbare manifestaties worden beschermd door deze fundamentele rechten.
9. Het is een door artikel 11 EVRM Pro beschermd
rechtvan de demonstrant om de tijd, plaats en vorm van demonstratie te bepalen. Expliciet mag dus de demonstrant zelf kiezen hoe

the message may have the strongest impact’.
10. Aldus het EHRM:
‘(T)he purpose of an assembly is often linked to a certain location and/or time, to allow it to take place within sight and sound of its target object and at a time when the message may have the strongest impact (..).’
11. Het in demonstratierechtzaken veelgehoorde OM-standpunt dat de demonstranten ook anders of elders hadden kunnen demonstreren is niet alleen een dooddoener, maar geeft blijk van een miskenning van de betekenis van het demonstratierecht.
12. Het zoeken van aandacht van het publiek en de media door de manier van protesteren hangt direct samen met het recht van de demonstrant om zelf te bepalen hoe de boodschap ‘
the strongest impact’ heeft. Het zoeken van deze aandacht is een door het EHRM – maar ook het HvJ-EU – expliciet erkend belang van demonstranten. De Nationale ombudsman stelt:
‘(A)ctivisten hebben media nodig om hun mening te laten horen. Daar zijn protestacties nou net voor bedoeld.’ [3]
13. Artikel 11 EVRM Pro beschermt uitsluitend vreedzame bijeenkomsten. Vreedzaam in dit verband omvat daarom ‘
conduct that may annoy or give offence, and even conduct that temporarily hinders, impedes or obstructs the activities of third parties.’ Iedere vorm van betoging veroorzaakt volgens het EHRM namelijk onvermijdelijk ontwrichting van het dagelijkse leven.
14. Het VN-Mensenrechtencomité heeft over het recht op vreedzame vergadering, neergelegd in artikel 21 IVBPR Pro bepaald (voetnoten weggelaten):
‘“Violence” in the context of article 21 typically entails the use by participants of physical force against others that is likely to result in injury or death, or serious damage to property. Mere (..) disruption of (..) daily activities do not amount to “violence”’.
De protestactie van cliënten
15. Cliënten hebben hun protest op het terrein van [A] gehouden om hun mening te uiten over de rol die volgens hen grote voedselcorporaties spelen in klimaatverandering en biodiversiteits-verlies. Hun actie was gericht tegen de bouw van het kantoor van [A] vanwege de rol die volgens cliënten [B] heeft in het creëren en in stand houden van het huidige voedselsysteem, onder andere door (financiële) beïnvloeding van belangrijke pilaren van de Nederlandse democratie, zoals het onderwijssysteem en in het specifiek de [universiteit] . Er werden leuzen geroepen en diverse spandoeken en vlaggen waren opgehangen met onder meer de teksten ‘End exploitative food systems!’ en ‘
Welcome to the destruction site', waarbij verwezen werd naar de directe en indirecte destructieve effecten van de bouw van het pand van [A] op de campus.
16. De protestactie valt als sit-in of bezetting onder de bescherming van de artikelen 10 en 11 EVRM. Dat de actie tijdelijk de activiteiten van derden hinderde of onmogelijk maakte doet daaraan niet af.
17. De demonstratie was vreedzaam: deze werd uitgevoerd doordat cliënten op de kraan gingen zitten en op de bouwkeet, terwijl zij spandoeken en vlaggen hadden opgehangen. Er is op geen enkele wijze geweld gebruikt. Ook zijn geen vernielingen aangericht. Verder blijkt niet dat de actie gepaard is gegaan met [4] strafbare feiten of wanordelijkheden. Tot slot ontbrak bij cliënten ook een intentie tot geweld of ernstige verstoring van de openbare orde. Dat blijkt reeds uit de aard van de actie.
‘Necessity’-test
18. Nu dient te worden vastgesteld dat de actie van cliënten onder deze bescherming valt, zal vervolgens moeten worden onderzocht of de beperkingen die aan de demonstratievrijheid van cliënten zijn gesteld voldoen aan de eisen van de artikelen 10 lid 2 en 11 lid 2 EVRM. De demonstratievrijheid is immers niet absoluut. De overheid mag deze beperken. Echter uitsluitend indien voorzien bij wet, indien daarmee wordt voldaan aan een van de limitatief in de artikelen 10 lid 2 en 11 lid 2 EVRM opgesomde doelen en indien ‘
necessary in a democratic society’.
19. De verdediging betwist niet dat de jegens cliënten genomen maatregelen een basis in de wet hadden en dat sprake was van een of meer van de geformuleerde doelcriteria. Immers de universiteit en/of het bouwbedrijf, in ieder geval niet cliënten, is rechthebbende op de plaats, waar het protest plaatsvond.
20. Echter het bestaan van een legitiem doel is onvoldoende om te beslissen dat de tegen demonstranten genomen maatregelen rechtmatig zijn. Zo oordeelt – expliciet – het EHRM.
21. Als strikte voorwaarde daarnaast geldt dat een beperkende maatregel ‘
necessary in a democratic society’ moet zijn.
22. Dit noodzakelijkheidsvereiste is ingedeeld in een aantal aspecten. In de eerste plaats dient de beperkende maatregel geschikt te zijn om het gestelde doel te bereiken. In de tweede plaats dient er geen minder vergaande maatregel te zijn die hetzelfde doel kan bereiken. Dit zogenoemde subsidiariteitsvereiste komt erop neer dat wanneer duidelijk is dat de autoriteiten hadden kunnen volstaan met minder vergaande beperkingen, deze alternatieven gekozen hadden moeten worden. In de derde plaats dient het door de maatregel gediende belang op te wegen tegen de beperking: de beperking moet beantwoorden aan een ‘
pressing social need’, proportioneel zijn in relatie tot het nagestreefde doel en gebaseerd zijn op ‘
relevant and sufficient reasons’.
23. In Straatsburg wordt aan ‘
necessary’ een strikte betekenis gegeven. Dit vereiste mag niet worden ingevuld met ‘nuttig’, ‘redelijk’ of ‘wenselijk’.
24. In dit verband moeten ook overheidsmaatregelen, genomen na een demonstatie, worden beoordeeld. Dergelijke maatregelen achteraf zijn bijvoorbeeld: arrestatie, detentie op een politiebureau, strafrechtelijke vervolging en het opleggen van bestraffende maatregelen. [5]
25. Bij de beoordeling van de proportionaliteit van een strafrechtelijke maatregel moet tot slot het ontmoedigende, ‘
chilling’, effect daarvan in ogenschouw worden genomen.
26. Het EHRM oordeelt dat terughoudendheid is geboden voor het bestraffen van ‘
illegal conduct’ dat
verwevenis met een demonstratie. Maatregelen van strafrechtelijke aard vereisen in het bijzonder rechtvaardiging. Roorda, Brouwer en Schilder constateren dat strafrechtelijke vervolging, laat staat strafrechtelijke veroordeling van vreedzame demonstranten ‘in beginsel niet [is] toegestaan.’
27. Als de
‘necessity’-testniet wordt gehaald, vormt een relatief lage sanctie niet een compenserende factor.
28. Roorda, Brouwer en Schilder stellen dat bestraffing niet mogelijk is zolang de demonstrant geen
‘reprehensible’, laakbaar, gedrag vertoont tijdens de manifestatie.
29. Wat als
‘reprehensible’gedrag kan worden aangemerkt, wordt volgens het EHRM bepaald door
‘the extent of the “disruption of ordinary life”’die de demonstratie veroorzaakt.
30. Het veroorzaken van wanorde of ergernis, of het tijdelijk verhinderen of hinderen van de activiteiten van derden is nog niet
‘reprehensible’. Ook
‘disruption (..) of (..) economic activity’doet niet af aan de bescherming van het recht op vreedzame vergadering. Wel
‘reprehensible’kan zijn, aldus EHRM Glukhin tegen Rusland:
‘(T)he obstruction of traffic, damage to property or acts of violence’.
31. Uit EHRM
Açik and otherstegen Turkije, alsmede uit de zaak
Tuskia and Otherstegen Georgië volgt dat een legitieme verwijdering van demonstranten van een niet-publieke plaats niet zonder meer betekent dat daaropvolgende strafrechtelijke maatregelen
‘necessary in a democratic society’zijn. Ik benadruk dat in beide zaken de demonstranten weigerden zelf te vertrekken. [6]
32. Op 19 december 2023 oordeelde de Hoge Raad het
‘reprehensible’dat de verdachte, tijdens een demonstratie tegen Shell, ‘nep-olie’ over de trappen van het hoofdkantoor had gesprenkeld en aldus een
gevaarlijke situatiein het leven had geroepen.
33. Uit HR 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:126 moet worden afgeleid dat ook
‘reprehensible’kan zijn het belemmeren van andermans recht als bedoeld in artikel 10 EVRM Pro. De Hoge Raad stelde vast dat de demonstranten een bouwbedrijf op een beurs in de RAI belemmerden in zijn promotieactiviteiten.
Of de Hoge Raad daarmee in de pas loopt met het EHRM moet ernstig worden betwijfeld. Deze zaak is er niet een van ‘obstruction of traffic, damage to property or acts of violence (..)’.
34. Maar als het louter gaat om een demonstratieve bezetting of sit-in, terwijl de demonstranten weigeren te vertrekken, valt de beoordeling anders uit, zo blijkt uit de conclusie van de A-G van 27 augustus 2024 in een zaak over Extinction Rebellion.
35. Voorbeelden zijn ook toenemend te vinden in de rechtspraak van hoven. Zo oordeelde uw hof in 2023 niet
‘reprehensible’de bezetting van het gebouw van een pensioenverzekeraar door 14 demonstranten die na vorderingen daartoe van de rechthebbende weigerden te vertrekken. De demonstranten, vervolgd wegens lokaalvredebreuk, werden daarom allen ontslagen van alle rechtsvervolging.
36. Hetzelfde oordeelde uw hof in juni dit jaar voor het plakken van ramen en deurdelen van een bank, vervolgd als vernieling: niet ‘laakbaar’. [7]
37. Het gerechtshof Amsterdam ontsloeg in 2023 vier demonstranten van alle rechtsvervolging voor lokaalvredebreuk wegens een demonstratie in een H&M-filiaal. Niet laakbaar, ofschoon daarbij
beperkte schadewas ontstaan. Beroepshalve is mij bekend dat de schade onder meer bestond uit lijmresten.
38. Ik wijs ook op de bestendige niet-vervolgingspraktijk van het OM rondom de A12-blokkades in Den Haag. Het gaat hier, aldus het OM, om geringe strafbare feiten en om vreedzame demonstranten, waardoor vervolging geen meerwaarde heeft. Omdat hier sprake is van vreedzaamheid en het ontbreken van laakbaar gedrag zoals vernieling, zou de rechter waarschijnlijk geen reden zien straf op te leggen, aldus het OM.
39. Bij de A12-acties is telkens enorme politiecapaciteit nodig. Maar uit de beoordeling van het OM blijkt – terecht – dat die factor geen rol kan spelen bij de vraag of sprake is van ‘
reprehensible' gedrag. Daarvoor is geen enkel aanknopingspunt te vinden in de rechtspraak van het EHRM of de oordelen van het VN-Mensenrechtencomité. De Nationale ombudsman stelt:
‘Je kunt activisten niet wagen thuis te blijven omdat een demonstratie een te zware last op de politie legt.’
40. In zijn in februari 2024 verschenen
position paperheeft de VN-speciale rapporteur inzake
Environmental Defenders under the Aarhus Conventionopgemerkt:
‘Due to the growing sense of urgency, and because of the inadequate response from governments to the environmental emergency, environmental defenders are (..) increasingly using forms of peaceful protest that may cause disruption in the public space, such as occupying construction sites (..). Despite being peaceful, these forms of protest, sometimes labelled as civil disobedience, attract considerable media attention, and are often wrongly described by the media and political figures as “anti-democratic” or even “violent”.
41. De partijen bij het Verdrag van Aarhus hebben, aldus dit rapport,
‘a binding obligation under article 3(8) of the Convention to ensure that environmental defenders are not penalized, persecuted, or harassed for exercising their rights under the Convention.’
42. Door onder meer
‘lengthy (..) court proceedings’en
‘disproportionate sentences’dragen volgens de rapporteur ook de gerechten bij aan
‘the repression and criminalization of environmental defenders engaged in peaceful protest and civil disobedience’.
43. De rapporteur concludeert onder meer:
‘States should ensure that peaceful protest and civil disobedience have the same safeguards as other forms of assembly, and that any restrictions imposed are kept to the minimum (..). This includes preventing and repealing measures and practices that may have a chilling effect on environmental activism and protests, such as (..) the arrest, detention and prosecution of peaceful protesters (..). States must also ban law enforcement techniques that involve inflicting pain on protesters (..).
44. Ik vraag tot slot nog aandacht voor rechtbank Oost-Brabant 6 november 2019, ECLI:NL:RBOBR:2019:6955. De politierechter legde wegens een vreedzame bezetting van een varkensstal aan ruim 60 demonstranten 300 euro geldboete en twee weken gevangenisstraf voorwaardelijk op. Deze zaak werd in onderhavige zaak in eerste aanleg in stelling gebracht door de officier van justitie. Inmiddels heeft de A-G bij het hof Den Bosch het advocatenteam laten weten dat gelet op de ontwikkelingen in de rechtspraak een zaak als deze in de huidige tijd niet vervolgd zou worden. De behandeling van het hoger beroep in die zaak start in november.
De zaak tegen cliënten
45. De autoriteiten hebben jegens cliënten op twee manieren ingegrepen. Ten eerste is hun demonstratie beëindigd door hen van het terrein te verwijderen. Daardoor kon [A] weer volop haar eigendom gebruiken of laten gebruiken zoals zij wilde.
46. Maar ten tweede hebben de autoriteiten ook strafrechtelijk ingegrepen. Cliënten zijn aangehouden, in het politiebureau gedetineerd en strafrechtelijk vervolgd. Zij hebben in eerste aanleg in het openbaar terecht gestaan en hun is een geldboete van 225 euro en twee weken voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd. Vervolgens heeft na het instellen van hoger beroep hun vervolging nog meer dan drie jaren geduurd.
47. In het geval van cliënten vormt dit strafrechtelijk ingrijpen een ontoelaatbare inbreuk op de artilen 10 en/of 11 EVRM. Deze maatregelen kunnen niet ‘
necessary in a democratie society’ worden geoordeeld.
48. De volgende elementen van de zaak zijn voor dit oordeel van belang. [8]
49. Cliënten hebben hun vreedzame actie zorgvuldig uitgevoerd. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de aanwezigheid van een woordvoerder. Daarmee beoogden cliënten de actie in goede banen te laten verlopen.
50. De actie was van beperkte duur: deze heeft slechts een halve dag geduurd.
51. De actie maakte geringe inbreuk op de rechten van [A] en de aldaar werkzame personen. De bouw heeft niet lang stilgelegen. Cliënten stellen dat de bouwwerkzaamheden gewoon doorgingen, behalve tijdens de verwijdering van personen van de kraan, die ongeveer een uur duurde. [9]
52. Het is veelzeggend dat [A] niet een vordering als benadeelde partij heeft ingediend of andere juridische vervolgstappen jegens cliënten heeft genomen. Niet is komen vast te staan dat er schade is. [10]
53. De kraanmachinist beweert dat de liftsleutel weg was, het dashbord in de cabine van de kraan was ondergesmeerd met een substantie die leek op chili con carne en dat splitpennen waren verwijderd uit vier borgpennen van de contragiek (p. 9 en p. 215). Hij suggereert dat cliënten en hun mededemonstranten voor dit alles verantwoordelijk zijn.
54. Daar is echter geen enkel bewijs voor. De liftsleutel werd door de politie niet aangetroffen in de fouillering van cliënten en hun mededemonstranten (zie p. 219). Cliënten hadden bepaald geen belang bij verwijdering van de splitpennen. Temeer omdat enkelen van hen bovenin de kraan zaten zodat voor die personen ernstig gevaar zou kunnen ontstaan. De machinist moest overigens toegeven dat hij enkele dagen voorafgaand aan de actie een controle op de pennen heeft uitgevoerd. Als we de machinist willen ondervragen over al deze suggesties geeft hij niet thuis: hij is niet bereid te getuigen, luidt het botweg.
55. Volgens verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] draaide tijdens de protestactie de kraan rond (p. 155). Daardoor zijn de cliënten op de kraan onnodig blootgesteld aan gevaar. Dat geldt echter ook voor de cliënten op de keet, omdat – volgens cliënten op roekeloze wijze – de kraankabel naar hen en boven hen werd bewogen.
56. Uit p. 214 blijkt dat de aanhoudende ambtenaren een methode ter uitvoering van de arrestatie hebben gekozen waarbij letsel kon worden veroorzaakt: ‘Hierop heeft een medewerker van het arrestatieteam een haakse slijper gepakt en hebben we duidelijk in zowel Engels als Nederlands verteld dat we de zogenaamde kokermouwen zouden doorslijpen en dat hierbij kans op enig letsel aanwezig was.’
57. Cliënten en [getuige 1] hebben in hun verklaringen nader toegelicht hoe onvoorzichtig het er bij de aanhoudingen op de kraan aan toe ging.
58. De personen, aangehouden op het dak van de bouwkeet zijn geboeid. De personen op de kraan ook. In het dossier kan geen enkele reden worden gevonden waarom dit nodig was. Daarom was dit onrechtmatig. Dat is in strijd met de Ambtsinstructie en het recht op bescherming van de lichamelijke integriteit als bedoeld in artikel 8 EVRM Pro. Onrechtmatig gebruik van handboeien is een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. [11]
59. Verder is de bejegening van de cliënten die door de politie op de keet zijn aangehouden – cliënten hebben hierover verklaard – in strijd met de beginselen van evenredigheid en de-escalatie en van proportionaliteit en subsidiariteit. Deze bejegeningswijze was – gezien het vreedzame karakter van de demonstraite – volstrekt onnodig. [12]
60. Aan cliënten is aangeboden dat wanneer zij de actie zouden staken, zij een geldboete zouden krijgen wegens ‘verboden toegang’. Dat is in het licht van de EHRM-rechtspraak op zichzelf reeds een disproportionele reactie op een vreedzame demonstratie.
61. Cliënten hebben zich geen van allen verzet bij de aanhouding. Zij hebben zich geweldloos en passief laten afvoeren, maar bleven vreedzaam.
62. Dat cliënten er niet happig op waren zich onmiddellijk te identificeren heeft als achtergrond dat volstrekt vreedzaam demonstreren in Nederland reeds voldoende reden geeft om op te worden genomen in de Contraterrorisme, extremisme en radicalisering-lijst (CTER-lijst) van de politie, terwijl dergelijke informatie als persoonsgegevens door Nederlandse instanties buiten Nederland worden verspreid, wat zeer nadelige gevolgen kan opleveren voor individuen, nagenoeg oncontroleerbaar en bijna onmogelijk terug te draaien blijkt. Dit is in 2023 uitgebreid beschreven in onder meer Follow The Money. Verder worden demonstranten kenbaar of onkenbaar geconfronteerd met informatie-inwinning door bijvoorbeeld Teams openbare orde inlichtingen van de politie terwijl ook daarvan de rechtmatigheid niet vaststaat. Amnesty International Nederland is zeer kritisch over deze gang van zaken. [13]
63. Volstaan had in dit geval kunnen en moeten worden met de verwijdering van cliënten en het hun ontzeggen van verdere toegang tot het terrein van [A] . Cliënten [14] echter aangehouden en vervolgens ruim vijf uren van hun vrijheid beroofd. In drie gevallen heeft het ophouden voor onderzoek zelfs langer geduurd dan wettelijk toegestaan. Dat vormt een schending van artikel 5 EVRM Pro.
64. Tot slot levert de duur van de vervolging in hoger beroep een schending op van het recht op berechting binnen een redelijke termijn zoals neergelegd in artikel 6 EVRM Pro. Ook is zo’n
‘lengthy procedure’in strijd met het Verdrag van Aarhus.
Conclusie
65. Gezien al deze omstandigheden zijn de aanhouding en/of de daaropvolgende detentie in het politiebureau en/of de strafrechtelijke vervolging en/of een schuldigverklaring van cliënten niet
‘necessary in a democratic society’. Deze maatregelen zijn in het licht van de vrijheid van demonstratie niet proportioneel. Ook waren minder ingrijpende maatregelen voorhanden. Dat geldt ook voor het feit waarvoor cliënten worden vervolgd: het primaire feit is immers een misdrijf, terwijl, ook had [15] kunnen worden volstaan met louter de zelfstandige vervolging wegens een overtreding. Van de strafrechtelijke vervolging en/of schuldigverklaring bovenop de arrestatie en detentie gaat een ontoelaatbaar
chilling effectuit.
66. Zelfs een schuldigverklaring zonder oplegging van straf vormt in dit geval een disproportionele reactie. Daaraan kleeft immers een aantekening in de justitiële documentatie, die gevolgen kan hebben voor toekomstige aanvragen van een Verklaring omtrent het gedrag. [16]
67. Aldus verzoek ik uw hof in de specifieke omstandigheden van dit geval de artikelen 138 Sr of 461 Sr buiten toepassing te laten wegens strijd met de artikelen 10 en/of 11 EVRM. In het verlengde daarvan verzoek ik u cliënten te ontslaan van alle rechtsvervolging.”

5.De bewezenverklaring

5.1
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
“hij op of omstreeks 20 mei 2021 te [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in het besloten lokaal en/of het besloten erf, gelegen op/aan de [a-straat 1] en in gebruik bij [C] BV en/of [A] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte en/of zijn mededader(s), in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 20 mei 2021 te [plaats] zonder daartoe gerechtigd te zijn zich heeft bevonden op een (besloten) terrein, zijnde grond toebehorende aan en/of in gebruik bij [C] BV en/of [A] , in elk geval aan en/of bij een ander of anderen dan aan en/of bij verdachte, van welke grond de toegang op een voor verdachte blijkbare wijze door de rechthebbende was verboden;”
5.2
Daarvan heeft het hof bewezen verklaard dat:
“primair
hij op 20 mei 2021 te [plaats] tezamen en in vereniging met anderen, het besloten erf, gelegen aan de [a-straat 1] en in gebruik [C] BW en/of [A] , wederrechtelijk is binnengedrongen,
en
subsidiair
hij op 20 mei 2021 te [plaats] zonder daartoe gerechtigd te zijn zich heeft bevonden op een (besloten) terrein, zijnde grond toebehorende aan en/of in gebruik bij [C] BV en/of [A] , in elk geval aan en/of bij een ander of anderen dan aan en/of bij verdachte, van welke grond de toegang op een voor verdachte blijkbare wijze door de rechthebbende was verboden.”
5.3
Een bewezenverklaring van zowel het primair als subsidiair tenlastegelegde wekt op het eerste gezicht bevreemding, maar laat zich – zo begrijp ik – als volgt verklaren. Het hof kondigt in het arrest aan dat – gelet op het uiteindelijke dictum – de primair en subsidiair ten laste gelegde feiten gelijktijdig worden besproken. Het dictum houdt in dat het hof weliswaar bewezen acht dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, maar dit niet strafbaar acht en de verdachte om die reden ontslaat van alle rechtsvervolging. Van een veroordeling wegens het primair ten laste gelegde was aldus geen sprake, zodat het hof – overeenkomstig de bewoordingen van de tenlastelegging – ook toekwam aan het subsidiair ten laste gelegde, ten aanzien van welk feit dezelfde beslissing volgde.

6.De beslissing tot ontslag van alle rechtsvervolging

6.1
Het hof heeft het volgende overwogen en beslist over de strafbaarheid van het bewezen verklaarde:

Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op grond van de feiten en omstandigheden die in het overgelegde schriftelijk requisitoir zijn opgenomen - kort gezegd - op het standpunt gesteld dat de beperking van het demonstratierecht proportioneel en gerechtvaardigd was en dat er derhalve geen sprake is van schending van de artikelen 10 en 11 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). Het primair tenlastegelegde feit is derhalve strafbaar.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft overeenkomstig de op schrift gestelde pleitnota - kort gezegd - bepleit dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat de tenlastegelegde gedragingen onder de reikwijdte van de artikelen 10 en 11 van het EVRM vallen en de actie van verdachte een vreedzame actie betrof. Het strafrechtelijk ingrijpen vormt een ontoelaatbare inbreuk op de artikelen 10 en 11 van het EVRM. De aanhouding van en de daaropvolgende detentie in het politiebureau en de strafrechtelijke vervolging en/of een schuldigverklaring van verdachte zijn niet ‘necessary in a democratic society’. De genomen maatregelen zijn in het licht van de vrijheid van demonstratie niet proportioneel. Daarnaast waren minder ingrijpende maatregelen voorhanden. Van de strafrechtelijke vervolging en schuldigverklaring bovenop de arrestatie en detentie gaat een ontoelaatbaar ‘chilling effect’ uit, aldus de raadsman.
Oordeel van het hof
Feiten en omstandigheden
Op 21 mei 2021 [17] vond er een demonstratie plaats van een groep actievoerders van Extinction Rebellion op het bouwterrein van [A] , een onderneming van [B] , op de campus van de [universiteit] . De actievoerders hebben gedemonstreerd tegen de bouw van het kantoor vanwege de rol die volgens de actievoerders [B] heeft in het creëren en in stand houden van het voedselsysteem onder andere door (financiële) beïnvloeding van belangrijke pilaren van de Nederlandse democratie zoals het onderwijssysteem en in het bijzonder de [universiteit] . Er werden leuzen geroepen en diverse spandoeken en vlaggen zijn opgehangen met onder meer de teksten ‘End exploitative food systems!' en ‘Welcome to the destruction site’. Rond 05:30 uur zijn de actievoerders het bouwterrein opgelopen en rond 07:00 uur heeft de politiemeldkamer verbalisanten naar het bouwterrein gestuurd. Drie demonstranten, waaronder verdachte, zaten/stonden op het dak van een bouwkeet en een aantal demonstranten is in een op het bouwterrein aanwezige hijskraan geklommen en hebben daar een spandoek opgehangen. Buiten het bouwterrein was een woordvoerster van actiegroep Extinction Rebellion aanwezig. Uit het dossier volgt dat nadat de officier van dienst ter plaatse was gekomen, met de woordvoerster afgesproken is dat de actievoerders die zich op het terrein tot 10.30 uur de kans hadden om vrijwillig het terrein te verlaten en dat de politie dan een bekeuring ter zake van huisvredebreuk zou uitreiken. Verder zou meegedeeld zijn dat als de bouwwerkzaamheden langer stil moesten liggen, de actievoerders zouden worden aangehouden. Omstreeks 11.00 uur kwam het arrestatieteam ter plaatse. De actievoerders op de bouwkeet zijn om respectievelijk 11.43 uur, 11.44 uur (onderhavige verdachte) en 11.45 uur aangehouden. Omstreeks 12.30 uur zijn de leden van het arrestatieteam naar de hijskraan gegaan, waarna de actievoerders die zich daarop bevonden tussen 12.51 uur en 13.07 uur zijn aangehouden. Vervolgens zijn verdachte en medeverdachten overgebracht naar het cellencomplex in Arnhem. Namens de bedrijven [A] en [C] is op 20 mei 2021 omstreeks 06:30 uur aangifte gedaan van huisvredebreuk.
Het juridische kader
Het hof stelt voorop dat het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht op vrijheid van vergadering en vereniging, zoals onder andere neergelegd in de artikelen 10 en 11 van het EVRM, belangrijke grondrechten zijn. Beide rechten hangen nauw met elkaar samen en hebben betrekking op uiteenlopende vormen van protest (zoals protestmarsen, blokkades, sit-ins en bezettingen) en omvatten mede het recht om – binnen de door het tweede lid van die bepalingen gestelde grenzen – tijd, plaats en wijze van protest vrijelijk te kiezen.
Artikel 11 van Pro het EVRM beschermt het recht op vreedzame vergadering. Dat betekent dat een samenkomst waarbij de organisatoren en deelnemers gewelddadige intenties hebben, niet valt onder de reikwijdte van artikel 11 van Pro het EVRM.
De vrijheden waarin de artikelen 10 en 11 van het EVRM voorzien, zijn evenwel niet absoluut en kunnen worden ingeperkt, mits deze inperking is voorzien bij wet en noodzakelijk is (proportioneel en subsidiair) in een democratische samenleving in het belang van, onder meer, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten en de rechten van anderen, zoals voorgeschreven door het tweede lid van beide artikelen. Of anders geformuleerd, het moet gaan om een bij wet voorziene, een gerechtvaardigd doel dienende en een daartoe in een democratische samenleving noodzakelijke beperking van die vrijheden.
De vraag of een beperking noodzakelijk is in een democratische samenleving laat zich niet in algemene zin beantwoorden en is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij het Europees Hof voor de Bescherming van de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) een ‘overall' toets aanlegt. Het EHRM kijkt daarbij naar de vraag of de beperking van de vrijheden als bedoeld in de artikelen 10 en 11 van het EVRM voldoet aan een dringende maatschappelijke behoefte (‘pressing social need’) en of de beperking voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Bij de proportionaliteit van de inperking gaat het om een evenwicht tussen het in de artikelen 10 en 11 van het EVRM beschermde belang en andere belangen, zoals het belang van het eigendomsrecht van een ander.
De uitoefening van de rechten zoals beschermd in de artikelen 10 en 11 van het EVRM kunnen een zekere mate van verstoring van het dagelijks of openbare leven ('disruption of ordinary life') met zich brengen. Die enkele verstoring vormt echter geen rechtvaardiging voor een beperking op bedoelde rechten en de overheid moet daarbij een zekere mate van tolerantie in acht nemen.
De vraag welke mate van tolerantie de overheid moet opbrengen laat zich ook niet in algemene zin beantwoorden en hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder de mate van verstoring van het dagelijks leven. Waarbij heeft te gelden dat ook demonstraties die uitmonden in schade of wanordelijkheden voor een individueel persoon niet dienen te leiden tot sanctionering, als diegene zelf geen gewelddadig of laakbaar gedrag laat zien. Als een bepaald persoon echter zelf wel laakbaar gedrag (een ‘reprehensible act’) laat zien, kan dat wel tot sanctionering leiden, ook als de vergadering op zichzelf vreedzaam was.
Ook hier heeft weer te gelden dat de vraag of er wel of niet sprake is van laakbaar gedrag zich niet in algemene zin laat beantwoorden. Uit de jurisprudentie van het EHRM volgt dat sprake kan zijn van laakbaar gedrag indien de deelnemers aan een demonstratie het dagelijks leven en de activiteiten die door anderen rechtmatig worden uitgevoerd opzettelijk ernstig verstoren, in een grotere mate dan ingeval van een normale uitoefening van de demonstratievrijheid op een publieke plek.
Bij de vraag naar de proportionaliteit van een beperking spelen naast de aard van de gedraging en de eerlijkheid van het proces als geheel, ook de aard van en de zwaarte van de opgelegde sancties in relatie tot het nagestreefde doel een rol, waarbij heeft te gelden dat daarvan geen ‘chilling effect’ mag uitgaan. De enkele deelname aan een vreedzame demonstratie mag niet worden bedreigd met een strafrechtelijke sanctionering; daar is een bijzondere rechtvaardiging voor vereist. Zo kan het zijn dat wanneer er verschillende maatregelen worden genomen, zoals de beëindiging van een betoging, een aanhouding, een voorarrest, een vervolging en een veroordeling, die maatregelen gezamenlijk als een (ontoelaatbare) beperking worden gezien.
Met inachtneming van dit juridisch kader is het aan de rechter om in het concrete geval op basis van een belangenafweging te beoordelen of sprake is van een al dan niet toelaatbare beperking van genoemde grondrechten.
Toepassing op de onderhavige zaak
Het hof is met de advocaat-generaal en de verdediging van oordeel dat op 20 mei 2021 sprake is geweest van een vreedzame vergadering door de actievoerders op het bouwterrein van [A] en dat de deelnemers aan die vergadering dus de bescherming van de artikelen 10 en 11 van het EVRM toekomt. Van gewelddadig gedrag dan wel het aanzetten daartoe is niet gebleken bij het medeplegen van de erfvredebreuk, evenmin van de intentie tot dergelijk gedrag.
Het optreden van de politie tegen de handelingen van verdachte en zijn medeverdachten heeft naar het oordeel van het hof een beperking op de vrijheden van verdachte zoals beschermd onder de artikelen 10 en 11 van het EVRM opgeleverd. Door dat optreden is immers de actie beëindigd en zijn verdachte en zijn medeverdachten enige tijd (en in geval van verdachte langer dan toegestaan) van hun vrijheid beroofd geweest. Zij konden hierdoor hun recht op demonstratie niet meer uitoefenen.
Dat stelt het hof voor de vraag of die beperking bij wet was voorzien, een gerechtvaardigd doel diende en noodzakelijk was in een democratische samenleving. Niet staat ter discussie dat in het onderhavige geval de beperking bij wet was voorzien en een gerechtvaardigd doel diende. De beantwoording van de vraag of de beperking ook noodzakelijk was in een democratische samenleving laat zich minder makkelijk beantwoorden.
Bij de beantwoording van die vraag is van belang dat, zoals hiervoor onder het juridische kader omschreven, een persoon die deelneemt aan een vreedzame vergadering in principe geen subject van een sanctie mag zijn, zolang die persoon zich niet laakbaar gedraagt.
Vanaf dit punt maakt het hof onderscheid tussen de actievoerders op het dak van de bouwkeet en de actievoerders in de hijskraan. Nu verdachte een van de actievoerders is geweest die op het dak van de bouwkeet is geklommen zal het hof hier verder op in gaan.
Het hof stelt vast dat verdachte deel heeft uitgemaakt van een groepje actievoerders dat het bouwterrein van [A] heeft betreden, op een zes meter hoge bouwkeet is geklommen en zich aldaar enkele uren heeft opgehouden. Dit handelen is op zich te beschouwen als een verstoring van de dagelijkse gang van zaken voor het bouwbedrijf. Uit het dossier volgt dat zij tijdelijk de bouwwerkzaamheden hebben stil gelegd. Echter, naar het oordeel van het hof is de gang van zaken door het handelen van verdachte en zijn medeverdachten niet
ernstigverstoord. In principe hadden de bouwlieden hun werk kunnen voortzetten en zouden zij van verdachte en zijn medeverdachten op het dak van de bouwkeet geen hinder ondervinden. Daarnaast is niet gebleken dat het zitten en staan op een dak van een bouwkeet tot een tot een dermate gevaarlijke (en daarom ontoelaatbare) situatie heeft geleid dat ingrijpen noodzakelijk was.
De actie van verdachte en zijn medeverdachten was gericht tegen de bouw van het kantoor van [A] op het terrein van de [universiteit] . Verdachte en zijn medeverdachten hebben een manier proberen te vinden om hun standpunten meer kracht bij te zetten en te demonsteren op een plaats ‘within sight and sound of its target object and at a time when the message may have the strongest impact’ en zodoende de aandacht te trekken van [A] en [B] en de [universiteit] .
Het hof neemt in overweging dat er een direct verband bestaat tussen het doel van de demonstratie (het aan de kaak stellen van de rol van grote voedselcorporaties in klimaatverandering en biodiversiteitsverlies) en de (grote financiële) rol die [A] en [B] binnen dit veld spelen. Daarmee was sprake van een actie binnen een breed maatschappelijk gedragen debat. In het licht van het voorgaande is in deze zaak naar het oordeel van het hof van ondergeschikt belang dat door de handelwijze van de demonstranten het private eigendom van [A] tijdelijk is aangetast.
Alles afwegende is het hof van oordeel dat het door verdachte en zijn medeverdachten beklimmen van een bouwkeet op een besloten erf en zich op het dak van deze bouwkeet ophouden niet als laakbaar gedrag kan worden beschouwd.
De demonstranten hebben daarmee op 20 mei 2021 op een vreedzame en toegestane wijze gebruik gemaakt van uit de artikelen 10 en 11 van het EVRM voortvloeiende en beschermde grondrechten. Zij hebben daarbij gehandeld binnen de grenzen die aan die artikelen kunnen worden gesteld. Dit brengt mee dat zij geen subject van een sanctie hadden mogen zijn en het strafrechtelijk ingrijpen en het vervolgen van deze demonstranten achterwege had moeten worden gelaten. Door dit toch te doen is een ontoelaatbare inbreuk op deze grondrechten van verdachte en zijn medeverdachten die op het dak van het bouwterrein zaten gemaakt.
Nu sprake is van een schending van de artikelen 10 en 11 van het EVRM is het hof van oordeel dat gelet op artikel 94 van Pro de Grondwet de ten laste gelegde strafbepalingen, te weten de artikelen 138 en 461 van het Wetboek van Strafrecht, in het onderhavige geval buiten toepassing dient te blijven. Het hof ontslaat verdachte gelet hierop voor beide bewezenverklaarde feiten van alle rechtsvervolging. Bij het buiten toepassing blijven van zowel artikel 138 van Pro het Wetboek van Strafrecht als artikel 461 Wetboek Pro van Strafrecht levert het bewezenverklaarde immers geen strafbaar feit meer op.”

7.Het juridisch kader

7.1
Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:
Art. 138 Sr Pro
“1. Hij die in de woning of het besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringt of, wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.
2. Hij die zich de toegang heeft verschaft door middel van braak of inklimming, van valse sleutels, van een valse order of een vals kostuum, of die, zonder voorkennis van de rechthebbende en anders dan ten gevolge van vergissing binnengekomen, aldaar wordt aangetroffen in de voor de nachtrust bestemde tijd, wordt geacht te zijn binnengedrongen.
3. Indien hij bedreigingen uit of zich bedient van middelen geschikt om vrees aan te jagen, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.
4. De in het eerste en derde lid bepaalde gevangenisstraffen kunnen met een derde worden verhoogd, indien twee of meer verenigde personen het misdrijf plegen.”
Art. 461 Sr Pro
“Hij die, zonder daartoe gerechtigd te zijn, zich op eens anders grond waarvan de toegang op een voor hem blijkbare wijze door de rechthebbende is verboden, bevindt of daar vee laat lopen, wordt gestraft met geldboete van de eerste categorie.”
Art. 10 EVRM Pro
“1. Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Dit artikel belet Staten niet radio- omroep-, bioscoop- of televisieondernemingen te onderwerpen aan een systeem van vergunningen.
2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.”
Art. 11 EVRM Pro
“1. Een ieder heeft recht op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging, met inbegrip van het recht met anderen vakverenigingen op te richten en zich bij vakverenigingen aan te sluiten voor de bescherming van zijn belangen.
2. De uitoefening van deze rechten mag aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Dit artikel verbiedt niet dat rechtmatige beperkingen worden gesteld aan de uitoefening van deze rechten door leden van de krijgsmacht, van de politie of van het ambtelijk apparaat van de Staat.”
Art. 94 Grondwet Pro (hierna: Gw)
“Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.”
7.2
Art. 11 lid 1 EVRM Pro beschermt het recht op vrijheid van ‘vreedzame’ vergadering, dat dient te worden gezien in het licht van het recht op vrijheid van meningsuiting van artikel 10 EVRM Pro. Het recht op vreedzame vergadering is een fundamenteel recht in een democratische samenleving en vormt, net als het recht op vrijheid van meningsuiting, een van de pijlers van een dergelijke samenleving. Het zijn echter geen absolute rechten. Onder bepaalde voorwaarden kan op grond van lid 2 gerechtvaardigd zijn dat een vreedzame vergadering (waaronder een demonstratie) wordt beperkt. Het WODC publiceerde in oktober 2025 een onderzoek naar het Nederlands demonstratierecht van Swart e.a. In dit rapport wordt uitgebreid het toetsingskader geschetst zoals dat volgt uit de rechtspraak van de Hoge Raad en het Europees hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM). Daarin wordt onder meer beschreven wanneer een demonstratie kan worden aangemerkt als niet ‘vreedzaam’. Daaronder vallen niet noodzakelijk demonstraties die bestaan uit hinderlijk of verstorend gedrag. Hoewel dat soort demonstraties niet de kern van het recht op vrijheid van vreedzame vergadering behelzen, vallen zij in beginsel wél onder de bescherming van art. 11 EVRM Pro. [18]
7.3
De in artt. 10 en 11 lid 2 EVRM genoemde beperkingen omvatten niet alleen beperkingen die gesteld worden voorafgaand of tijdens een demonstratie, maar ook na afloop ervan, zoals het aanhouden en strafrechtelijk vervolgen en veroordelen van demonstranten. [19] Ingeval verschillende maatregelen – bijvoorbeeld het respectievelijk aanhouden, in voorarrest houden, vervolgen en veroordelen – tegen een demonstrant zijn genomen, beschouwt het EHRM deze gezamenlijk als een beperking (‘interference’). [20] Een beperking van het demonstratierecht moet achtereenvolgens:
- voorzien zijn bij wet,
- een legitiem doel dienen, zoals het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, en
- noodzakelijk zijn in een democratische samenleving.
7.4
Ik beperk me in deze uiteenzetting van het juridisch kader tot de derde voorwaarde. Dit noodzakelijkheidsvereiste brengt tot uitdrukking dat de beperking moet voorzien in een dringende maatschappelijke behoefte (‘pressing social need’), proportioneel is ten opzichte van het nagestreefde legitieme doel, de minst ingrijpende maatregel is die kan dienen ter bescherming van het nagestreefde belang (het subsidiariteitsvereiste), en dat de door de nationale autoriteiten aangevoerde redenen ter rechtvaardiging van de beperking ‘relevant en voldoende’ zijn. Het proportionaliteitsbeginsel vereist dat een evenwicht wordt gevonden tussen enerzijds de vereisten van de in art. 11 lid 2 EVRM Pro genoemde legitieme doelen en anderzijds de vrije meningsuiting van personen die op straat of andere openbare plaatsen bijeenkomen. [21]
7.5
Een vreedzame demonstratie mag in principe niet worden blootgesteld aan de dreiging van een strafrechtelijke sanctie, en met name niet aan vrijheidsbeneming. [22] De enkele omstandigheid dat een demonstratie een zekere mate van verstoring van het dagelijks leven veroorzaakt, rechtvaardigt op zichzelf nog geen beperking van het demonstratierecht. Op dat front mag enige ‘tolerantie’ van de overheid worden verlangd. Het opzettelijk demonstreren op een manier dat het dagelijks leven en andere activiteiten in een mate wordt verstoord die verder gaat dan wat onder de gegeven omstandigheden onvermijdelijk is, komt volgens het EHRM echter niet dezelfde bevoorrechte bescherming toe als ‘political speech’ of debat over kwesties van algemeen belang of de vreedzame uiting van meningen over dergelijke aangelegenheden. Bij de beoordeling van de proportionaliteit van de beperking van een demonstratie kan onder meer meespelen in hoeverre sprake is van laakbaar gedrag (een ‘reprehensible act’) aan de zijde van de demonstrant. Ook is bij die beoordeling van belang in hoeverre er een ‘chilling effect’ kan uitgaan van de beperking. Van een ‘chilling effect’ kan nog steeds sprake zijn na een vrijspraak of de intrekking van de vervolging tegen de demonstranten, aangezien de vervolging op zichzelf al een ontmoedigend effect kan hebben om aan soortgelijke bijeenkomsten deel te nemen. [23] Staten beschikken over een ruime ‘margin of appreciation’ in de beoordeling van de noodzaak om maatregelen te nemen ter beperking van dergelijke gedragingen. [24] Op een aantal van deze aspecten kom ik nader terug onder randnummer 7.12 en verder.
Rechtspraak van de Hoge Raad
7.6
Op 30 september 2025 wees de Hoge Raad een aantal arresten over de verhouding tussen strafrechtelijke vervolging en het door art. 10 en Pro 11 EVRM beschermde demonstratierecht. Ik citeer uit het arrest met nummer ECLI:NL:HR:2025:1437,
NJ2025/326, m.nt. N. Rozemond:
“2.3.2 Het onder meer in artikel 10 en Pro 11 EVRM gegarandeerde recht op vrijheid van meningsuiting en op vrijheid van vreedzame vergadering staat aan een strafrechtelijke veroordeling niet in de weg als zo’n veroordeling een op grond van artikel 10 lid 2 en Pro 11 lid 2 EVRM toegelaten – te weten: een bij de wet voorziene, een gerechtvaardigd doel dienende en een daartoe in een democratische samenleving noodzakelijke – beperking van die vrijheden vormt.
2.3.3
Over de vraag onder welke omstandigheden sprake kan zijn van een beperking van het recht op vrijheid van vreedzame vergadering heeft het Europees hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) in zijn uitspraak van 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius en anderen tegen Litouwen) onder meer overwogen:
“100. (...) the Court will establish whether the applicants’ right to freedom of assembly has been interfered with. It reiterates that the interference does not need to amount to an outright ban, legal or de facto, but can consist in various other measures taken by the authorities. The term ‘restrictions’ in Article 11 § 2 must be interpreted as including both measures taken before or during a gathering and those, such as punitive measures, taken afterwards (see Ezelin, cited above, § 39; Kasparov and Others v. Russia, no. 21613/07 (https://hudoc.echr.coe.int/eng), § 84, 3 October 2013; Primov and Others, cited above, § 93; and Nemtsov, cited above, § 73). For instance, a prior ban can have a chilling effect on the persons who intend to participate in a rally and thus amount to an interference, even if the rally subsequently proceeds without hindrance on the part of the authorities. A refusal to allow an individual to travel for the purpose of attending a meeting amounts to an interference as well. So too do measures taken by the authorities during a rally, such as dispersal of the rally or the arrest of participants, and penalties imposed for having taken part in a rally (see Kasparov and Others, cited above, § 84, with further references).”
2.3.4
Over de vraag of een beperking van het recht op vrijheid van vreedzame vergadering in een democratische samenleving noodzakelijk is, heeft het EHRM in diezelfde uitspraak onder meer overwogen:
“144. The proportionality principle demands that a balance be struck between the requirements of the purposes listed in paragraph 2 on the one hand, and those of the free expression of opinions by word, gesture or even silence by persons assembled on the streets or in other public places, on the other (see Osmani and Others, cited above; Skiba, cited above; Fáber, cited above, § 41; and Taranenko, cited above, § 65).
(...)
146. The nature and severity of the penalties imposed are also factors to be taken into account when assessing the proportionality of an interference in relation to the aim pursued (see Öztürk v. Turkey [GC], no. 22479/93, § 70, ECHR 1999-VI; Osmani and Others, cited above; and Gün and Others, cited above, § 82). Where the sanctions imposed on the demonstrators are criminal in nature, they require particular justification (see Rai and Evans, cited above). A peaceful demonstration should not, in principle, be rendered subject to the threat of a criminal sanction (see Akgöl and Göl v. Turkey, nos. 28495/06 and 28516/06, § 43, 17 May 2011), and notably to deprivation of liberty (see Gün and Others, cited above, § 83). Thus, the Court must examine with particular scrutiny the cases where sanctions imposed by the national authorities for non-violent conduct involve a prison sentence (see Taranenko, cited above, § 87).
(...)
149. (...) the freedom to take part in a peaceful assembly is of such importance that a person cannot be subject to a sanction – even one at the lower end of the scale of disciplinary penalties – for participation in a demonstration which has not been prohibited, so long as that person does not himself commit any reprehensible act on such an occasion (see Ezelin, cited above, § 53; Galstyan, cited above, § 115; and Barraco, cited above, § 44). This is true also when the demonstration results in damage or other disorder (see Taranenko, cited above, § 88).”
2.3.5
Waar het gaat om het optreden van de autoriteiten in verband met een strafbaar feit dat tijdens een demonstratie is begaan, is van belang dat in de rechtspraak van het EHRM wordt benadrukt dat “a peaceful demonstration should not, in principle, be rendered subject to the threat of a criminal sanction, and notably to deprivation of liberty”. Als zo’n strafbaar feit wordt vervolgd, moet de rechter zich daarom ervan rekenschap geven dat het strafrechtelijk optreden als geheel – waaronder niet alleen de aanhouding en de (mogelijke) toepassing van andere vrijheidsbenemende dwangmiddelen, maar ook de (eventuele) vervolging en bestraffing – niet zo ingrijpend mag zijn dat daarvan een “chilling effect” uitgaat op personen die gebruik willen maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vreedzame vergadering. (Vgl. HR 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:126.)
2.3.6
Bij de beantwoording van de vraag of een beperking van het recht op vrijheid van vreedzame vergadering in een democratische samenleving noodzakelijk is, kan onder meer de locatie van de demonstratie, in het verband waarvan het strafbare feit heeft plaatsgevonden, van belang zijn. Zo kan mede betekenis toekomen aan de omstandigheid dat “private property” in het geding is (vgl., in een enigszins andere context, EHRM 6 mei 2003, nr. 44306/98 (Appleby tegen het Verenigd Koninkrijk)). Als dat strafbare feit leidt tot een wezenlijke aantasting van het genot van “private property” geldt niet zonder meer de “degree of tolerance” die in beginsel wel in acht moet worden genomen als een vreedzame, tegen het overheidsbeleid gerichte, demonstratie in een publieke plaats – zoals een gebouw dat bij de overheid in gebruik is of een gebouw dat anderszins een publieke functie heeft – tot “a certain level of disruption to ordinary life” leidt (vgl. EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius en anderen tegen Litouwen), overweging 155).
2.3.7
Als, in een geval als dit, waarin de verdachte wordt vervolgd wegens overtreding van artikel 139 Sr Pro, de rechter tot het oordeel komt dat in de concrete omstandigheden van het geval het strafrechtelijk optreden als geheel disproportioneel is en het daarmee een ontoelaatbare beperking van het recht op vrijheid van vreedzame vergadering betreft, moet de rechter artikel 139 Sr Pro buiten toepassing laten en de verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging (vgl. HR 12 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1623, rechtsoverweging 2.4.3 met betrekking tot artikel 138 Sr Pro).”
7.7
In deze zaak ging het om een verdachte die samen met vijf anderen in het pand van ING in Den Haag demonstreerde tegen investeringen van de bank in fossiele brandstof, door voorbij de ingangsdeur op de grond te gaan zitten en herrie te maken met fluitjes en het zingen van liedjes. Het hof verklaarde bewezen huisvredebreuk (art. 138 Sr Pro) en verwierp het verweer van de verdediging strekkende tot ontslag van alle rechtsvervolging vanwege onverenigbaarheid van de strafvervolging met de artt. 10 en 11 EVRM. Dat oordeel hield in cassatie geen stand. De Hoge Raad achtte daarvoor onder meer van belang de vaststellingen van het hof dat (i) de demonstratie een vreedzaam en beperkt karakter had, waarbij niemand is gehinderd bij het in- of uitgaan van het gebouw en geen schade is toegebracht of andere hinder is veroorzaakt, en (ii) de politie en het openbaar ministerie hadden kunnen volstaan met minder verstrekkende maatregelen dan de aanhouding van de verdachte, het overbrengen van de verdachte naar het politiebureau, het daar gedurende meerdere uren ophouden voor verhoor en het strafrechtelijk vervolgen van de verdachte. Het daarin besloten liggende oordeel dat het had volstaan om de verdachte – nadat deze had geweigerd om op vordering van een medewerker van ING het gebouw te verlaten – aan te houden, eventueel gevolgd door een korte periode van vrijheidsontneming, en dat een verdergaand strafrechtelijk optreden, zoals dat in deze zaak plaatsvond, een beperking van het recht op vrijheid van vreedzame vergadering heeft opgeleverd, die verder is gegaan dan noodzakelijk was, was volgens de Hoge Raad niet verenigbaar met de verwerping van het gevoerde verweer. Voorts merkte de Hoge Raad op dat uit de overwegingen van het hof ook anderszins niet van zo’n wezenlijke aantasting van het genot van ‘private property’ is gebleken dat een verdergaand strafrechtelijk optreden toch was geboden. In dat opzicht verschilde deze zaak volgens de Hoge Raad van het feitencomplex dat ten grondslag lag aan HR 19 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1742,
NJ2024/233, m.nt. EJ. Dommering waarin privé-eigendom (tijdelijk) onbruikbaar werd gemaakt en door het optreden van de demonstranten een gevaarlijke situatie voor derden werd gecreëerd.
7.8
De verdachte in de zaak die leidde tot het arrest van 19 december 2023 maakte deel uit van een groep van ongeveer 25 tot 30 actievoerders die bij een kantoorgebouw van Shell demonstreerden en had – als een “symbolische actie en om de demonstratie kracht bij te zetten” – een zwarte, op olie gelijkende vloeistof over de trap voor dat gebouw gegoten. Een medewerker van Shell had vervolgens de trap afgezet omdat het erg glad en gevaarlijk was en men wilde voorkomen dat bezoekers van het gebouw zouden uitglijden en ernstig gewond zouden raken. Het hof had het verweer van de raadsvrouw verworpen dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege onverenigbaarheid van de strafvervolging met de artt. 10 en 11 EVRM. Dat oordeel getuigde volgens de Hoge Raad niet van een onjuiste rechtsopvatting en was ook toereikend gemotiveerd. Daarvoor achtte de Hoge Raad onder meer van belang dat het hof kennelijk bij zijn oordeel had betrokken dat de verdachte, ook zonder door het gieten van de vloeistof privé-eigendom (tijdelijk) onbruikbaar te maken en zo een gevaarlijke situatie voor derden te creëren, de gelegenheid had om zich uit te spreken tegen de activiteiten van Shell. In de overwegingen van het hof lag volgens de Hoge Raad besloten dat de aanleiding voor het strafrechtelijke optreden tegen en de vervolging van de verdachte dan ook niet was gelegen in het deelnemen aan het protest tegen Shell, maar in het tijdens die protestactie plegen van een strafbaar feit. In die overwegingen lag voorts het oordeel besloten dat de verdachte een ‘reprehensible act’ pleegde, waartegen strafrechtelijk optreden geboden was, zodat de daaruit voortvloeiende beperking in de uitoefening van het recht op vrije meningsuiting en het recht op vrijheid van vergadering gerechtvaardigd en noodzakelijk was. Tot slot woog de Hoge Raad mee dat het hof had volstaan met de oplegging van een geheel voorwaardelijke geldboete van € 350,-, waarmee het hof had gewaarborgd dat de bestraffing proportioneel is en niet zo ingrijpend is dat daarvan een ‘chilling effect’ uitgaat op personen die door deelname aan een protestactie gebruik willen maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting en van hun recht op vrijheid van vergadering.
7.9
Een andere recente zaak waarin een demonstratie op ‘private property’ centraal stond betreft het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1623,
NJ2025/39, m.nt. N. Rozemond. De verdachte en de medeverdachten hadden een zogenaamde “sit-in” gehouden in de lobby van het gebouw van Algemeen Pensioen Groep NV (hierna: APG) in Heerlen. Het hof kwam tot het oordeel dat sprake is geweest van een “toelaatbare inperking van het grondwettelijk en verdragsrechtelijk in ons recht verankerde demonstratierecht” en dat het bewezen verklaarde feite kon worden gekwalificeerd als strafbaar feit. Het hof besloot vervolgens geen straf of maatregel op te leggen. Daarbij nam het hof in aanmerking dat bij het optreden tegen de demonstranten had kunnen worden volstaan met het uit de lobby verwijderen van de verdachte en de medeverdachten en dat het verderstrekkende optreden dat bestond uit de aanhouding, het ophouden voor verhoor en het uitreiken van de strafbeschikking vanwege lokaalvredebreuk disproportioneel is, omdat de verdachte en de medeverdachten als gevolg van dit optreden hun demonstratierecht niet meer konden voortzetten. Ook deze uitspraak strandde in cassatie. De Hoge Raad oordeelde dat het hof eraan voorbijgezien had dat bij de beoordeling of de door de justitiële autoriteiten getroffen maatregelen op grond van art. 10 en Pro 11 EVRM toegelaten zijn, niet alleen acht moet worden geslagen op de door de justitiële autoriteiten getroffen maatregelen in aanloop naar of tijdens de betreffende bijeenkomst, maar ook op de maatregelen die na afloop daarvan zijn getroffen. Het hof had reeds dus bij de beantwoording van de vraag of het bewezen verklaarde als strafbaar feit kan worden gekwalificeerd, moeten betrekken of het optreden dat is gevolgd op het verwijderen van de verdachte en de medeverdachten – de aanhouding, het ophouden voor verhoor en het uitreiken van de strafbeschikking vanwege lokaalvredebreuk – op grond van art. 10 en Pro 11 EVRM toegelaten was. Nu het hof had vastgesteld dat door het optreden tegen de verdachte en de medeverdachten dat is gevolgd op hun verwijdering disproportioneel was en daarmee een ontoelaatbare beperking van het recht op vrijheid van vreedzame vergadering betrof, had het hof de verdachte moeten ontslaan van alle rechtsvervolging. De Hoge Raad vernietigde de beslissing van het hof en deed de zaak zelf af door de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.
7.1
De Hoge Raad kwam eerder in zijn arrest van 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:126,
NJ2022/222, m.nt. E.J. Dommering nog tot een ander oordeel. In die zaak ging het om een optreden tegen demonstranten die weigerden om een bouwvakbeurs in het RAI-gebouw in Amsterdam te verlaten, ook nadat aan hen telkens een redelijk alternatief was geboden om de demonstratie buiten of bij de ingang van het betreffende gebouw voort te zetten, waarbij dat optreden bestond uit het aanhouden, het gedurende meerdere uren ophouden voor verhoor en een daarop volgende strafvervolging. Het hof verwierp het verweer dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens onverenigbaarheid van strafvervolging met art. 10 en Pro 11 EVRM en oordeelde dat er een dringende maatschappelijke noodzaak bestond tot beperking van de verdere uitoefening van het demonstratierecht van de verdachte en van haar aanwezigheid daartoe in het RAI-gebouw. De Hoge Raad achtte dit oordeel niet onjuist of onbegrijpelijk. Daarvoor achtte de Hoge Raad onder meer van belang dat uit rechtspraak van het EHRM volgt dat het recht van vrijheid op vreedzame vergadering zich niet ertegen verzet dat een persoon die deelneemt aan een vreedzame demonstratie, kan worden onderworpen aan de dreiging van een straf of maatregel als de betreffende persoon zelf een “reprehensible act” pleegt tijdens de demonstratie. Daarbij betrok de Hoge Raad ook dat de verdachte en de mededader weliswaar waren beperkt in hun mogelijkheid om in de directe nabijheid van het kraampje van het bouwbedrijf en zich voordoende als medewerkers van het bouwbedrijf folders uit te delen en borden met teksten te tonen, maar dat zij wel meermalen de mogelijkheid geboden kregen om bij de ingang van de vakbeurs hun demonstratie tegen het bouwbedrijf voort te zetten. De Hoge Raad woog tot slot mee dat het hof zich ervan rekenschap had gegeven dat het strafrechtelijke optreden niet van een zo ingrijpend karakter mag zijn dat daarvan een “chilling effect” uitgaat op personen die gebruik willen maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vreedzame vergadering, door de oplegging van strafrechtelijke sancties achterwege te laten en te volstaan met schuldigverklaring. Omdat het hof hier – anders dan in de zaak die leidde tot het arrest van 12 november 2024 – had geoordeeld dat het optreden van de justitiële autoriteiten in de omstandigheden van die zaak niet disproportioneel was, gaf die beslissing volgens de Hoge Raad geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en was dat oordeel niet onbegrijpelijk.
7.11
In het hiervoor genoemde WODC-rapport zijn de arresten van de Hoge Raad van 30 september 2025 niet meegenomen. Wél wordt uitgebreid stilgestaan bij de hiervoor omschreven lokaalvredebreukzaken van 2024 en 2022. Swart e.a. concluderen daaruit dat de strafrechter bij een beroep op het demonstratierecht moet beoordelen of er sprake is van een disproportionele inbreuk op dat recht door aanhouding, ophouding voor verhoor, vervolging en bestraffing van de verdachte. Als in een specifiek geval kan worden volstaan met verwijdering van een bepaalde plaats waarna de demonstranten buiten het gebouw de demonstratie kunnen voortzetten, kunnen daaropvolgende strafvorderlijke handelingen (aanhouding, ophouding voor verhoor, vervolging en bestraffing) disproportioneel worden geacht, dat wil zeggen: niet noodzakelijk in een democratische samenleving ter bescherming van de rechten van de rechthebbende op het gebouw waar de lokaalvredebreuk wordt gepleegd. Wanneer strafvorderlijke handelingen wel noodzakelijk worden geacht, bijvoorbeeld ter bescherming van de rechthebbenden, kan vervolgens worden geoordeeld dat geen straf of maatregel moet worden opgelegd ter voorkoming van een ‘chilling effect’ op de uitoefening van het demonstratierecht. [25] De onderzoekers plaatsen bij dit laatste punt wel een kritische kanttekening. Zij stellen voorop dat bestraffing geen ‘chilling effect’ mag hebben op de rechtmatige uitoefening van het demonstratierecht, maar achten wel verdedigbaar dat bestraffing een ‘chilling effect’ mag hebben op het begaan van laakbaar gedrag (‘reprehensible acts’) dat een disproportionele inbreuk maakt op de rechten van anderen. [26] De rechter zou de oplegging van een straf dan kunnen rechtvaardigen door te motiveren dat de straf uitsluitend verband houdt met de preventie van ‘reprehensible acts’ en de bescherming van de rechten en belangen van anderen en niet met de deelname aan de vreedzame demonstratie zelf. [27]
Rechtspraak van het EHRM
7.12
Zoals gezegd is het uitgangspunt dat een vreedzame demonstratie in principe niet mag worden blootgesteld aan de dreiging van een strafrechtelijke sanctie, en met name niet aan vrijheidsbeneming. [28] De kern van het recht op vreedzame vergadering zou worden aangetast indien de staat een demonstratie weliswaar niet zou verbieden, maar de deelnemers sancties zou opleggen louter vanwege het feit dat zij eraan deelnemen, zonder dat zij zich schuldig maken aan laakbaar gedrag. [29] Kennisgevings- en zelfs vergunningsprocedures die kunnen resulteren in het verbod van een demonstratie, leveren in beginsel geen strijd op met de essentie van art. 11 EVRM Pro, zolang het doel van deze procedures is om de autoriteiten in staat te stellen redelijke en passende maatregelen te nemen om het soepele verloop van demonstraties te waarborgen. Een staat moet dan ook sancties kunnen opleggen aan degenen die deelnemen aan demonstraties die niet de vereiste vergunning hebben. Tegen die achtergrond overwoog het EHRM onder meer in zijn arrest van 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (
Kudrevičius e.a./Litouwen) dat de vrijheid om deel te nemen aan een vreedzame vergadering evenwel van zo groot belang is dat iemand niet mag worden onderworpen aan een sanctie – zelfs een sanctie aan de onderkant van de schaal van disciplinaire maatregelen – wegens deelname aan een demonstratie die niet is verboden, zolang die persoon bij die gelegenheid zelf geen laakbare gedraging begaat. [30] Daarbij geldt dat vreedzame deelnemers aan een demonstratie niet verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor laakbare gedragingen van andere demonstranten. [31] Van laakbaar gedrag is volgens het EHRM sprake wanneer een demonstrant het dagelijks leven en de activiteiten die door anderen rechtmatig worden uitgevoerd opzettelijk ernstig verstoort, in een grotere mate dan in het geval van een normale uitoefening van de demonstratievrijheid op een publieke plek. [32] Het EHRM staat strafrechtelijk optreden dus in ieder geval toe tegen een demonstrant die zich schuldig maakt aan laakbaar gedrag (een ‘reprehensible act’).
7.13
In verband hiermee verdient opmerking de uitspraak van het EHRM van 27 mei 2025, nr. 29791/21 (
Kári Orrason e.a./IJsland). Het ging in die zaak om enkele demonstranten die na sluitingstijd van het ministerie van Justitie in Reykjavik door de politie uit het gebouw werden verwijderd, aangehouden, enkele uren vastgehouden op het politiebureau voor verhoor en vervolgens van de strafrechter een boete opgelegd kregen van omgerekend € 74,- wegens verstoring van de openbare orde. Het EHRM achtte die beperking van het demonstratierecht ten behoeve van de bescherming van de belangen van anderen – tegen de achtergrond van de ‘margin of appreciation’ van staten – niet disproportioneel, hoewel het EHRM tegelijkertijd erkende dat het handelen van de demonstranten niet kon worden gekwalificeerd als een ‘reprehensible act’. Het EHRM vereiste in deze zaak, zo concluderen Swart e.a. alsook Rozemond, voor het opleggen van een (proportionele) straf dus niet dat sprake is van een ‘reprehensible act’. [33]
7.14
Opvallend aan deze uitspraak is verder dat het EHRM de beoordeling van de vraag of de gedragingen van de demonstranten een ‘reprehensible act’ waren aan de orde stelde bij de vraag of hen een beroep toekwam op de bescherming van art. 11 lid 1 EVRM Pro:
“57. It is undisputed that the physical activity engaged in by the applicants fell within concept of a “peaceful assembly”, although the applicants interfered with the activities carried out by others, including the employees who continued working after the building closed to the public and the security staff, and they demanded to meet with the Minister of Justice. Thus, it cannot be said that they committed “any reprehensible act”, or demonstrated “physical conduct which deliberately obstructed the ordinary course of life and seriously disrupted activities carried out by others”, so that their behaviour was not protected by Article 11 (see, among others,
Kudrevičius and Others,cited above, § 149, and
Tuskia and Others,cited above, § 74). The Court therefore considers that the demonstration, viewed as a whole, was not of such a nature and degree as to exclude the applicants from the scope of protection under Article 11 of the Convention. Accordingly, their convictions constituted an interference with their right to freedom of assembly. The Court therefore dismisses the Government’s objection in this respect (see paragraph 42 above).”
7.15
Daarmee lijkt het EHRM te suggereren dat een ‘reprehensible act’ niet onder de bescherming van art. 11 lid 1 EVRM Pro valt. Eerder, in meergenoemde zaak
Kudrevičius e.a./Litouwen, betrok het EHRM het laakbare karakter van de gedragingen juist bij de vraag of strafrechtelijk optreden kan worden gerechtvaardigd op grond van art. 11 lid 2 EVRM Pro. [34] In die zaak oordeelde het EHRM dat de demonstratie (het blokkeren van snelwegen) vreedzaam was verlopen en de demonstranten dus bescherming genoten van art. 11 lid 1 EVRM Pro. Vervolgens oordeelde het hof dat de beperking van dit recht door strafrechtelijk optreden noodzakelijk was op grond van art. 11 lid 2 EVRM Pro, omdat de snelwegblokkade een ‘reprehensible act’ was. In dat kader overwoog het EHRM onder meer dat de demonstranten weliswaar geen gewelddadige handelingen hadden gepleegd, noch anderen daartoe hadden aangezet, maar dat de vrijwel volledige blokkade van drie belangrijke snelwegen, waarbij op flagrante wijze geen rekening werd gehouden met de bevelen van de politie en met de belangen van de weggebruikers, een gedraging is die als ‘reprehensible’ kan worden omschreven.
7.16
In zijn arresten van 30 september 2025 gaat de Hoge Raad uit van het kader van
Kudrevičius e.a./Litouwenen noemt daarin niet ook de zaak
Kári Orrason e.a./IJsland. Gelet daarop, ga ik ervan uit dat laatstgenoemde zaak in zoverre geen aanpassing heeft aangebracht in het toetsingskader van het EHRM en aldus aan het ‘reprehensible’ karakter van een gedraging (nog steeds) betekenis kan toekomen bij de vraag of een beperking van het demonstratierecht noodzakelijk is en dat nog steeds als uitgangspunt heeft te gelden dat een demonstrant niet het subject van een sanctie mag worden wegens deelname aan een demonstratie die niet is verboden, zolang die persoon bij die gelegenheid zelf geen laakbare handeling begaat. Daarin zie ik mij tevens gesteund door de ‘Guide on Article 11 of the Convention’ van het EHRM (laatst geüpdatet op 28 februari 2026), waarin bedoeld uitgangspunt vooropgesteld wordt. [35]

8.De bespreking van het middel

8.1
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan primair erfvredebreuk (art. 138 Sr Pro) en subsidiair het zonder toestemming op verboden terrein bevinden (art. 461 Sr Pro). Ten aanzien van de strafbaarheid van het bewezen verklaarde heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de beperking van het demonstratierecht proportioneel en noodzakelijk was en dat derhalve geen sprake is van schending van art. 10 en Pro 11 EVRM. De verdediging heeft verzocht de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.
8.2
Het hof heeft bij zijn beoordeling van de strafbaarheid van het bewezen verklaarde een juridisch kader uiteengezet. Daarin heeft het hof onder meer vooropgesteld dat art. 11 EVRM Pro het recht op vreedzame vergadering beschermt, maar dat dit recht kan worden ingeperkt, mits deze inperking is voorzien bij wet en noodzakelijk is (proportioneel en subsidiair) in een democratische samenleving in het belang van, onder meer, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten en de rechten van anderen. Wat betreft de vraag of een beperking noodzakelijk is, heeft het hof onder meer benadrukt dat de uitoefening van de rechten van art. 10 en Pro 11 EVRM een zekere mate van ‘disruption of ordinary life’ met zich kunnen brengen en dat de overheid – afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder de mate van verstoring van het dagelijks leven – daarbij een zekere mate van tolerantie moet opbrengen. Daarbij heeft volgens het hof te gelden dat demonstraties die uitmonden in schade of wanordelijkheden voor een persoon niet dienen te leiden tot sanctionering, als diegene zelf geen gewelddadig of laakbaar gedrag (een ‘reprehensible act’) laat zien, maar dat een demonstrant wél gesanctioneerd kan worden als hij zelf laakbaar gedrag vertoont, ook als de demonstratie op zichzelf vreedzaam was. Het hof heeft daarbij de jurisprudentie van het EHRM betrokken, waaruit volgt dat de vraag of sprake is van laakbaar gedrag zich niet in algemene zin laat beantwoorden, maar dat daar sprake van kan zijn indien de deelnemers aan een demonstratie het dagelijks leven en de activiteiten die door anderen rechtmatig worden uitgevoerd opzettelijk ernstig verstoren, in een grotere mate dan ingeval van een normale uitoefening van de demonstratievrijheid op een publieke plek. Bij de vraag naar de proportionaliteit van de beperking heeft het hof er onder meer op gewezen dat van de sanctie geen ‘chilling effect’ uit mag gaan.
8.3
Het hof heeft dit kader vervolgens toegepast op de onderhavige zaak. Het hof heeft allereerst vastgesteld – conform het standpunt van de verdediging en het openbaar ministerie – dat sprake is geweest van een vreedzame demonstratie, dat de deelnemers daaraan bescherming op grond van art. 10 en Pro 11 EVRM toekomt en dat die rechten zijn beperkt door het optreden van de politie. Vervolgens heeft het hof bij de vraag naar de noodzakelijkheid van die beperking – onder verwijzing naar zijn uiteenzettingen in het juridisch kader – als uitgangspunt genomen dat een persoon die deelneemt aan een vreedzame vergadering in principe geen subject van een sanctie mag zijn, zolang die persoon zich niet laakbaar gedraagt. Bij zijn beoordeling van de laakbaarheid van het gedrag van de actievoerders heeft het hof een onderscheid gemaakt tussen de actievoerders op de hijskraan en de actievoerders op het dak van de bouwkeet (waaronder de verdachte). Het hof heeft ten aanzien van deze laatste groep vastgesteld dat zij het bouwterrein van [A] heeft betreden, op een zes meter hoge bouwkeet is geklommen en zich daar enkele uren heeft opgehouden. Naar het oordeel van het hof is daarmee geen sprake van laakbaar gedrag. Het hof acht de tijdelijke stillegging van de bouwwerkzaamheden van het bouwbedrijf niet een
ernstigeverstoring van de gang van zaken. In dat kader heeft het hof overwogen dat de bouwlieden in principe hun werk hadden kunnen voorzetten en geen hinder van de personen op het dak van de bouwkeet zouden ondervinden. Daarbij heeft het hof verder betrokken dat niet is gebleken dat het zitten en staan op een dak van een bouwkeet tot een dermate gevaarlijke (en daarom ontoelaatbare) situatie heeft geleid dat ingrijpen noodzakelijk was. Tot slot heeft het hof in aanmerking genomen dat sprake was van een actie binnen een maatschappelijk gedragen debat, nu er een dicht verband bestaat tussen het doel van de demonstratie (het aan de kaak stellen van de rol van grote voedselcorporaties in klimaatverandering en biodiversiteitsverlies) en de (grote financiële) rol die [A] en [B] binnen dit veld spelen. Daarmee is volgens het hof van ondergeschikt belang dat door de handelwijze van de demonstranten het private eigendom van [A] tijdelijk is aangetast.
8.4
Het hof heeft tegen deze achtergrond geoordeeld dat de demonstranten die op het dak van het bouwterrein zaten hebben gehandeld binnen de grenzen die aan art. 10 en Pro 11 EVRM kunnen worden gesteld en dat zij derhalve geen subject van een sanctie hadden mogen zijn. Door toch strafrechtelijk in te grijpen en de demonstranten te vervolgen, is naar het oordeel van het hof een ontoelaatbare inbreuk gemaakt op de grondrechten van deze demonstranten. Dat moet volgens het hof, gelet op het bepaalde in art. 94 Gw Pro, ertoe leiden dat art. 138 en Pro 461 Sr buiten toepassing worden verklaard en dat de verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging.
8.5
Het middel klaagt achtereenvolgens over het oordeel van het hof dat het bewezen verklaarde handelen van de verdachte geen laakbaar gedrag is en over het oordeel dat de verdachte geen subject van een sanctie had mogen zijn en dat het strafrechtelijk ingrijpen en het vervolgen van de verdachte achterwege had moeten worden gelaten.
De eerste deelklacht: laakbaar gedrag
8.6
De eerste deelklacht komt in verschillende onderdelen op tegen het oordeel van het hof over de laakbaarheid van het gedrag van de verdachte. De subklachten (i)-(iii) houden in dat dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. De subklachten (iv)-(vi) zien op de begrijpelijkheid en de motivering van het bestreden oordeel.
Subklacht (i)
8.7
De eerste deelklacht voert allereerst onder (i) aan dat het hof het toepasselijke toetsingskader heeft miskend, door bij de beoordeling van de vraag of het handelen van de verdachte als laakbaar kan worden beschouwd niet ook de locatie van de demonstratie van belang te achten. De steller van het middel verwijst in dat kader naar rechtsoverweging 2.3.6 van het hiervoor weergegeven arrest van de Hoge Raad van 30 september 2025. Daaruit volgt dat bij de beantwoording van de vraag of een beperking van het demonstratierecht noodzakelijk is, onder meer de locatie van de demonstratie van belang kan zijn. Zo kan mede betekenis toekomen aan de omstandigheid dat ‘private property’ in het geding is. Als het strafbare feit leidt tot een wezenlijke aantasting van het genot van ‘private property’ geldt niet zonder meer de ‘degree of tolerance’ die in beginsel wel in acht moet worden genomen bij een demonstratie in een publieke plaats die tot ‘a certain level of disruption to ordinary life’ leidt, aldus de Hoge Raad.
8.8
Het hof heeft bij de beoordeling van de laakbaarheid van de gedragingen van de demonstranten er blijk van gegeven acht te hebben geslagen op zowel de locatie van de demonstratie als de belangen van het bouwbedrijf die in het geding waren door in te gaan op de mate waarin de bouwwerkzaamheden werden verhinderd en het gevaar dat uitging van het staan/zitten op een bouwkeet. Met zijn oordeel dat de gang van zaken door het handelen van verdachte en zijn medeverdachten niet ernstig is verstoord heeft het hof in het voorliggende geval vervolgens tot uitdrukking gebracht dat geen sprake is geweest van een wezenlijke aantasting van het genot van ‘private property’. Dat laatste oordeel wordt in cassatie niet bestreden. Een onjuiste rechtsopvatting lees ik daarin niet terug.
Subklacht (ii)
8.9
Ten tweede wordt geklaagd dat het oordeel van het hof blijk geeft van een te beperkte uitleg van het begrip ‘laakbaar gedrag’, door het handelen van de actievoerders buiten beschouwing te laten bij de beoordeling van de vraag of de verdachte laakbaar heeft gehandeld. Volgens de steller van het middel heeft het hof miskend dat het handelen van de verdachte niet een geïsoleerde gedraging betreft, maar in de kern bestond uit een gezamenlijk optreden van de gehele groep demonstranten. Daarbij maakt de steller van het middel een vergelijking met het arrest van het EHRM van 16 januari 2025, nr. 35834/22 e.a. (
Bodson e.a./België). In die zaak ging het om een blokkade van (een brug op) de snelweg bij Luik die hinder en gevaar voor verkeersdeelnemers had veroorzaakt. Demonstraten hadden barricades opgeworpen en in brand gestoken. De brand had de weg beschadigd en de blokkade had een file van 400 kilometer veroorzaakt. Het EHRM kwalificeerde dit als laakbaar gedrag (“actes répréhensibles”). De omstandigheid dat de verzoekers die bij het EHRM klaagden deze blokkade niet zelf hadden veroorzaakt, geen gewelddadige handelingen hadden gepleegd en anderen daartoe niet hadden opgeroepen, deed daar volgens het EHRM niet aan af. De veroordeling voor deelname aan de verstoring van de openbare orde als gevolg van de wegblokkades was niet in strijd met art. 11 EVRM Pro.
8.1
Een vergelijking met deze zaak gaat mijns inziens in dit geval mank. De verzoekers in de zaak
Bodson e.a./Belgiëhadden weliswaar de blokkade niet geïnitieerd, maar bevonden zich wel tussen de demonstranten op de brug. Daarmee verschilt deze situatie van de voorliggende zaak, waarin de verdachte en de overige actievoerders op de bouwkeet niet hebben deelgenomen aan de beklimming van de hijskraan. Het hof heeft bij zijn beoordeling van de laakbaarheid van de gedragingen van de verdachte terecht het uitgangspunt dat vreedzame deelnemers aan een demonstratie niet verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor laakbare gedragingen van andere demonstranten voor ogen gehad. De eerste deelklacht onder (ii) klaagt daarover tevergeefs.
Subklacht (iii)
8.11
Voorts behelst de eerste deelklacht de klacht dat het hof heeft miskend dat de omstandigheid dat geen sprake is van laakbaar gedrag niet zonder meer in de weg staat aan een gerechtvaardigd en strafrechtelijk optreden door middel van aanhouding, ophouden voor verhoor, vervolging en/of bestraffing in de context van een demonstratie.
8.12
De steller van het middel stelt zich op het standpunt dat de rechtspraak van het EHRM niet uitsluit dat strafoplegging een gerechtvaardigde beperking is van het demonstratierecht bij deelname aan een vreedzame demonstratie, waarbij de demonstrant zelf niet laakbaar heeft gehandeld. In dat kader wordt verwezen naar de uitspraken van het EHRM in de respectievelijke zaken
Eckert/Frankrijken
Kári Orrason/IJsland.
8.13
Dat standpunt vindt mijns inziens geen steun in het recht. Ik merk op dat het hof nog niet bekend kon zijn met de bedoelde uitspraken van het EHRM, die dateren van ná het arrest van het hof. Datzelfde geldt voor meergenoemde arresten die de Hoge Raad op 30 september 2025 over het demonstratierecht wees. Zoals ik hiervoor in het juridisch kader (in het bijzonder randnummers 7.5 en 7.15 en voetnoot 33) al concludeerde, hebben deze ontwikkelingen in de rechtspraak naar mijn inzicht echter geen wijziging aangebracht in het toepasselijke kader en gelden dus nog onverkort de uitgangspunten van het EHRM dat “a peaceful demonstration should not, in principle, be made subject to the threat of a penal sanction” en “a person cannot be subject to a sanction – even one at the lower end of the scale of disciplinary penalties – for participation in a demonstration which has not been prohibited, so long as that person does not himself commit any reprehensible act on such an occasion”. Het hof heeft, door te overwegen dat een persoon die deelneemt aan een vreedzame vergadering in principe geen subject van een sanctie mag zijn, zolang die persoon zich niet laakbaar gedraagt, in zoverre dus niet miskend. Subklacht (iii) faalt.
Subklacht (iv) en (v)
8.14
Subklacht (iv) keert zich tegen het oordeel van het hof dat het door de verdachte en zijn medeverdachten beklimmen van een bouwkeet op een besloten erf en zich op het dak van deze bouwkeet ophouden niet als laakbaar gedrag kan worden beschouwd. Geklaagd wordt dat dit oordeel onbegrijpelijk is in het licht van de bewezenverklaring. De bewezenverklaring houdt onder meer in dat de verdachte samen met anderen het besloten terrein van [A] wederrechtelijk is binnengedrongen in de zin van art. 138 Sr Pro. Het hof heeft er volgens de steller van het middel geen blijk van gegeven bij de beoordeling van het handelen van de verdachte mee te hebben gewogen dat de verdachte samen met anderen het terrein wederrechtelijk is binnengedrongen.
8.15
Daarin volg ik de steller van het middel niet. Van wederrechtelijk binnendringen als bedoeld in art. 138 Sr Pro is sprake indien dit ‘tegen de wil van de rechthebbende’ of ‘zonder toestemming van de rechthebbende’ geschiedt. [36] Uit het hiervoor uiteengezette juridisch kader maak ik op dat met het enkele binnendringen van een erf zonder toestemming voor een demonstratie in de regel niet reeds sprake zal zijn van een dermate ernstige verstoring van het dagelijks leven en de activiteiten die door anderen rechtmatig worden uitgevoerd dat kan worden gesproken van ‘laakbaar gedrag’. Voor die beoordeling zal vooral betekenis toekomen aan de gedragingen van de demonstranten op het betreden erf. Dat het hof bij zijn beoordeling van de laakbaarheid van de gedragingen van de verdachte zich in het bijzonder heeft toegespitst op de handelingen op dat erf (het beklimmen van en het zich ophouden op de bouwkeet), komt mij dan ook niet onbegrijpelijk voor. Overigens meen ik dat uit de bestreden overwegingen van het hof voldoende naar voren komt dat het hof in aanmerking heeft genomen dat de verdachte en de overige demonstranten zonder toestemming het besloten erf van [A] hebben betreden.
8.16
Voorts wordt geklaagd dat het oordeel van het hof dat het handelen van de verdachte niet als laakbaar gedrag kan worden beschouwd niet zonder meer begrijpelijk is, althans ontoereikend gemotiveerd, in het licht van het requisitoir van de advocaat-generaal, voor zover dat inhoudt dat:
- aan het handelen van de verdachte veiligheidsrisico’s verbonden zijn;
- het stilleggen van de werkzaamheden op de bouwplaats meerdere personen economisch treft;
- de verdachte ook met anderen dan met degenen die op de bouwkeet zijn geklommen het bouwterrein wederrechtelijk is binnengedrongen;
- de verdachte niet heeft voldaan aan de namens de rechthebbende door de politie gedane vordering om van de bouwkeet af te komen en het bouwterrein te verlaten.
8.17
Dit onderdeel van subklacht (iv) leent zich voor een gezamenlijke bespreking met subklacht (v), die zijn pijlen richt op de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof dat geen sprake is van een ernstige verstoring van de dagelijkse gang van zaken voor het bouwbedrijf.
8.18
Beide klachten treffen mijns inziens geen doel. Wat betreft de hinder voor het bouwbedrijf heeft het hof geoordeeld dat weliswaar sprake is geweest van een verstoring van de dagelijkse gang van zaken, maar niet van een ernstige verstoring. Het hof heeft daartoe overwogen dat de bouwlieden hun werk hadden kunnen voortzetten en daarbij geen hinder zouden ondervinden van de verdachte en de medeverdachten op het dak van de bouwkeet, alsook dat niet is gebleken dat met dit handelen een dermate gevaarlijke situatie is ontstaan dat ingrijpen noodzakelijk was. Die gevolgtrekking kan ik volgen. Daarbij neem ik in aanmerking dat de advocaat-generaal bij het hof – anders dan het hof – de veiligheidsrisico’s die verbonden waren aan het beklimmen van de bouwkeet en de veiligheidsrisico’s die samenhingen met de beklimming van de hijskraan in het requisitoir niet heeft onderscheiden en niet nader heeft gespecificeerd. Dat de enkele omstandigheid dat de verdachte niet heeft voldaan aan een vordering om van de bouwkeet af te komen en het bouwterrein te verlaten het hof kennelijk niet tot een ander oordeel heeft gebracht over de ernst van de verstoring en daarmee over de laakbaarheid van de gedraging, acht ik tegen die achtergrond niet onnavolgbaar. [37] Voor zover de steller van het middel hier weer refereert aan het gevaar dat uitging van het gedrag van de andere demonstranten op de hijskraan herhaal ik – onder verwijzing naar mijn bespreking van subklacht (ii) – dat dit niet ter zake doet voor het geval van de verdachte. Het oordeel van het hof dat de verdachte geen laakbaar gedrag heeft vertoond komt mij tegen deze achtergrond niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd voor. Dat oordeel kan, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet verder worden getoetst.
Subklacht (vi)
8.19
Tot slot bevat de eerste deelklacht de klacht dat het hof in het midden heeft gelaten of aan de demonstranten, waaronder de verdachte, is medegedeeld dat als de bouwwerkzaamheden langer stil moesten liggen, de actievoerders zouden worden aangehouden en dat het hof daarmee niet heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de advocaat-generaal over de laakbaarheid van het gedrag van de verdachte.
8.2
Deze klacht faalt reeds bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft immers onder het kopje ‘Feiten en omstandigheden’ vastgesteld dat verder zou zijn meegedeeld “dat als de bouwwerkzaamheden langer stil moesten liggen, de actievoerders zouden worden aangehouden”. Anders dan de steller van het middel kennelijk meent, heeft het hof hiermee niet in het midden gelaten of door de politie namens de rechthebbende een vordering is gedaan om van de bouwkeet af te komen en het bouwterrein te verlaten.
8.21
De eerste deelklacht faalt in alle onderdelen.
De tweede deelklacht: subject van een sanctie en strafrechtelijk optreden
8.22
Ook de tweede deelklacht valt in verschillende onderdelen uiteen. Subklacht (i) en (v) zien op het oordeel van het hof dat de verdachte geen subject van een sanctie had mogen zijn en het strafrechtelijk ingrijpen en het vervolgen achterwege had moeten worden gelaten. De overige subklachten ((ii) tot en met (iv)) hebben in de kern betrekking op het (kennelijke) oordeel van het hof dat het strafrechtelijk optreden als geheel disproportioneel is en een ontoelaatbare beperking van het recht op vrijheid van vreedzame vergadering betreft.
Subklachten (i) en (v)
8.23
Allereerst wordt aangevoerd dat dit oordeel van het hof dat de verdachte geen subject van een sanctie had mogen zijn en het strafrechtelijk ingrijpen en het vervolgen achterwege had moeten worden gelaten getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, omdat een persoon ‘subject to a sanction’ is door oplegging van een straf en niet (ook), zoals het hof kennelijk heeft geoordeeld, door vervolging door middel van een dagvaarding.
8.24
Het hof heeft, naar aanleiding van zijn oordeel dat het handelen van de demonstranten op de bouwkeet niet als laakbaar gedrag kan worden aangemerkt, overwogen dat de demonstranten op een vreedzame en toegestane wijze gebruik hebben gemaakt van uit de artt. 10 en 11 EVRM voortvloeiende en beschermende grondrechten, en dat zij daarbij hebben gehandeld binnen de grenzen die aan die artikelen kunnen worden gesteld. Op grond daarvan heef het hof vervolgens geconcludeerd dat zij “geen subject van een sanctie hadden mogen zijn en het strafrechtelijk ingrijpen en het vervolgen van deze demonstranten achterwege had moeten worden gelaten”. Zoals reeds hiervoor aan de orde kwam (zie in het bijzonder randnummer 8.13), heeft het hof daarmee kennelijk aansluiting gezocht bij de in EHRM rechtspraak geformuleerde uitgangspunten dat “a peaceful demonstration should not, in principle, be made subject to the threat of a penal sanction” en dat “a person cannot be subject to a sanction – even one at the lower end of the scale of disciplinary penalties – for participation in a demonstration which has not been prohibited, so long as that person does not himself commit any reprehensible act on such an occasion”.
8.25
De steller van het middel meent dat in de bestreden overweging besloten ligt dat de verdachte, doordat hij is vervolgd door middel van een dagvaarding, is onderworpen aan de dreiging van een sanctie en daarmee ‘subject to a sanction’ was. In dat kader wordt erop gewezen dat in de bedoelde rechtspraak van het EHRM telkens wordt gesproken van sanctie en niet van een
dreigingvan een sanctie, zodat er van moet worden uitgegaan dat het EHRM daarmee slechts doelt op de oplegging van een strafrechtelijke sanctie en niet ook op de vervolging van de demonstrant. Volgens de steller van het middel heeft het hof dat miskend.
8.26
Daarmee gaat de klacht naar mijn inzicht uit van een onjuiste lezing van de bestreden overweging. Ik lees – in weerwil van het middel – daarin niet terug dat het hof van oordeel is dat reeds met het vervolgen van de demonstranten deze demonstranten ‘subject van een sanctie’ waren. Het hof heeft immers slechts overwogen dat “zij geen subject van een sanctie hadden mogen zijn
enhet strafrechtelijk ingrijpen en het vervolgen van deze demonstranten achterwege had moeten worden gelaten”, en niet dat “zij geen subject van een sanctie hadden mogen zijn
dushet strafrechtelijk ingrijpen en het vervolgen van deze demonstranten achterwege had moeten worden gelaten” (cursivering door mij, VS). Het zinsdeel “het strafrechtelijk ingrijpen en het vervolgen van deze demonstranten” slaat niet terug op de sanctie, maar op de daaraan voorafgaande overweging dat de demonstranten hebben gehandeld binnen de grenzen die aan die artikelen kunnen worden gesteld.
8.27
Voorts wordt in de rechtspraak van het EHRM wel degelijk gesproken over de
dreigingvan een sanctie. Zoals ik hiervoor reeds meermaals heb opgemerkt, heeft het EHRM in de zaak
Akgöl en Göl/Turkijeimmers overwogen dat “a peaceful demonstration should not, in principle, be made subject to the threat of a penal sanction”. Een verwijzing naar deze overweging komt – anders dan de steller van het middel meent – ook terug in de zaak Kudrevičius e.a. Litouwen (par. 146), zoals ook aangehaald in het door de Hoge Raad in het arrest van 30 september 2025 geschetste juridisch kader.
8.28
Daar komt bij dat – zoals gezegd – in het geval meerdere (strafrechtelijke) maatregelen worden genomen tegenover een demonstrant, deze gezamenlijk als een ‘beperking’ in de zin van art. 10 en Pro 11 lid 2 EVRM worden beschouwd, die aan het oordeel van de rechter is onderworpen. Kennelijk heeft het hof bij de beoordeling van de inbreuk die is gemaakt op art. 10 en Pro 11 EVRM het strafrechtelijk ingrijpen van politie en justitie als één geheel beoordeeld. [38] Reeds hierom faalt mijns inziens ook subklacht (v), die is gebaseerd op het standpunt dat het oordeel van het hof erop neerkomt dat de politie in een geval als dit überhaupt geen einde had mogen maken aan de demonstratie door toepassing van strafvorderlijke bevoegdheden. Anders dan de steller van het middel betoogt, kan een dergelijk impliciet oordeel niet uit het arrest van het hof worden afgeleid.
Subklachten (ii) tot en met (iv)
8.29
Subklachten (ii) en (iii) houden in dat het hof heeft miskend hetgeen in meergenoemd arrest van de Hoge Raad van 30 september 2025 is overwogen omtrent de door de rechter te maken belangenafweging (rechtsoverweging 2.3.4), aangezien het hof niet kenbaar in zijn beoordeling van de proportionaliteit van de beperking heeft betrokken het belang van het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten en zich geen rekenschap heeft gegeven van het ‘chilling effect’ dat van de vervolging, berechting en/of eventuele strafoplegging uitgaat. In het verlengde daarvan wordt onder (iv) geklaagd dat het hof ten onrechte niet heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de advocaat-generaal omtrent het ‘chilling effect’ van een op te leggen sanctie.
8.3
Deze klachten treffen mijns inziens evenmin doel. Het hof heeft zijn oordeel dat met het strafrechtelijk ingrijpen en het vervolgen van de verdachte en zijn medeverdachten op het dak van de bouwkeet (als geheel) een ontoelaatbare inbreuk is gemaakt op hun grondrechten, zoals gezegd, doen steunen op de vaststelling dat hun handelen niet tot een ernstige verstoring of hinder heeft geleid en dat zij dus op een vreedzame en toegestane wijze, binnen de grenzen die daaraan worden gesteld, hun door art. 10 en Pro 11 EVRM beschermde rechten hebben uitgeoefend. Mede bezien in het licht van de vooropstellingen van het hof in het juridisch kader dat een enkele verstoring van het dagelijks leven geen rechtvaardiging vormt voor een beperking van de rechten in artt. 10 en 11 EVRM en de overheid daarbij een zekere mate van tolerantie in acht moet nemen, begrijp ik dit oordeel zo dat het hof de aangebrachte beperking, reeds gelet op de aard van de gedragingen en het karakter van de demonstratie, in dit geval niet noodzakelijk achtte in het belang van het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten. Dat brengt mee dat het hof niet vervolgens nog na hoefde te gaan welk ‘chilling effect’ zou uitgaan van deze beperking en een eventueel op te leggen sanctie. Het hof heeft, zo door te oordelen, het toepasselijke rechtskader aldus niet miskend. Dat oordeel – dat met waarderingen van feitelijke aard is verweven en daarom in cassatie met terughoudendheid moet worden getoetst – komt mij verder niet onbegrijpelijk voor en is ook toereikend gemotiveerd.
8.31
Ook de tweede deelklacht faalt in alle onderdelen.

9.Slotsom

9.1
Het middel faalt in beide onderdelen.
9.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
9.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Noot VS: hieraan is op schrift toegevoegd: “of een schuldigverklaring wordt uitgesproken”.
2.Noot VS: “is” is op schrift vervangen door “zijn”.
3.Noot VS: blijkens het p-v van de terechtzitting heeft de raadsman aanvullend aangevoerd: “Dat is ‘eigen’ aan het demonstratierecht. Het is aan de demonstranten hoe zij het ventileren naar het publiek toe. De opmerking van de advocaat-generaal dat de demonstratie ‘slechts’ lokaal media aandacht heeft gegenereerd, lijkt te zijn gekoppeld dat het standpunt dat het een kleinschaligere actie betrof. De volgende keer moeten cliënten het dus groter aanpakken, zodat de landelijke media lucht van de standpunten van cliënten krijgt. Dit zal de advocaat-generaal echter wel niet bedoeld hebben. Het is een kwestie van gevoel of de media een zaak wel of niet oppakt, dat heeft niets te maken met kleinschaligheid.”
4.Noot VS: hieraan is op schrift toegevoegd: “andere”.
5.Noot VS: blijkens het p-v van de terechtzitting heeft de raadsman aanvullend aangevoerd: “De strikte noodzaak moet worden beoordeeld.”
6.Noot VS: blijkens het p-v van de terechtzitting heeft de raadsman aanvullend aangevoerd: “Het gaat om demonstrerende studenten op de universiteit. Er zijn geen strafrechtelijke maatregelen opgelegd.”
7.Noot VS: “plakken” is op schrift vervangen door “beplakken”.
8.Noot VS: blijkens het p-v van de terechtzitting heeft de raadsman aanvullend aangevoerd: “Vandaag is naar voren gekomen dat de bezetting van het terrein onderdeel is van een langere campagne van Extinction Rebellion.”
9.Noot VS: blijkens het p-v van de terechtzitting heeft de raadsman aanvullend aangevoerd: “Wat de advocaat-generaal zegt, klopt niet. De werkzaamheden hebben niet de hele ochtend stil gelegen.”
10.Noot VS: op schrift is een randnummer 52a toegevoegd, dat luidt: “Geen gevaarlijke situatie veroorzaakt. Niet voor het publiek, niet voor de politie. De politie stelt nergens dat zij in gevaar is gebracht. Ook over het [onleesbaar] stelt de politie in dit verband niets. “Gevaar” of een “gevaarlijke situatie”, die zou zijn veroorzaakt, blijkt niets uit het dossier. Het demonstreren door op een kraan te klimmen, valt onder het recht van de demonstrant om zelf de wijze van demonstreren te bepalen. Dat de actie politie-inzet vergde, doet niet ter zake voor de beantwoording van de vraag of inbreuk op art. 10/11 EVRM is gemaakt.” Blijkens het p-v van de terechtzitting heeft de raadsman aanvullend aangevoerd: “Cliënten hebben geen gevaarlijke situatie veroorzaakt. De gevaarlijke situatie is niet aangetoond in het dossier. Dit geldt ook niet ten aanzien van het luik op de kraan. Er is geen gevaar ontstaan voor het publiek of voor de politie. Het Openbaar Ministerie miskent dat de wijze van demonstreren een grondrecht is. Het is een basisrecht en dit recht is erkend door het EHRM. De demonstrant mag zelf kiezen op welke wijze hij/zij zijn of haar mening wil laten horen. Het klimmen op een kraan en daar een spandoek ophangen is een logische keuze. De demonstratie is vreedzaam verlopen. Er is geen jurisprudentie te vinden waaruit volgt dat Extinction Rebellion niet vreedzaam te werk gaat. In het dossier zijn geen foto’s aanwezig van de viezigheid door chili in de kraan. Er zijn nog allerlei mogelijkheden tot het horen van [getuige 2] hierover.”
11.Noot VS: hieraan is op schrift toegevoegd: “Echter in het kader van dit verweer gaat het om een niet-noodzakelijke strafvorderlijke maatregel, die bijdraagt aan de schending van art. 10/11 EVRM.”
12.Noot VS: blijkens het p-v van de terechtzitting heeft de raadsman aanvullend aangevoerd: “De advocaat-generaal geeft aan dat dit niet aantoonbaar is. Dat is het wel. Cliënt [verdachte] had een bult.”
13.Noot VS: blijkens het p-v van de terechtzitting heeft de raadsman aanvullend aangevoerd: “Artikel 5 EVRM Pro betreft een absoluut recht. De termijnen zijn in de wet beschreven. Overschrijding betreft een rechtstatelijk probleem. Aan de overschrijding moeten gevolgen worden verbonden.”
14.Noot VS: hieraan is op schrift toegevoegd: “zijn”.
15.Noot VS: hieraan is op schrift toegevoegd: “zo nodig”.
16.Noot VS: blijkens het p-v van de terechtzitting heeft de raadsman aanvullend aangevoerd: “Het gaat om jonge mensen die nog een heel maatschappelijk leven voor de boeg hebben.”
17.Noot VS: de demonstratie vond plaats op 20 mei 2021. Dit lijkt mij een kennelijke verschrijving.
18.N.J.L. Swart e.a,
19.Swart e.a.,
20.Zie de in randnr. 22 en voetnoot 52 van de conclusie van P-G Bleichrodt van 19 september 2023, ECLI:NL:PHR:2023:815 (vóór ECLI:NL:HR:2023:1742), opgenomen verwijzingen naar EHRM rechtspraak, waaronder EHRM 15 november 2018, nr. 29580/12 (
21.EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (
22.EHRM 17 mei 2011, nr. 28495/06 e.a. (
23.EHRM 18 december 2007, nr. 32124/02 e.a. (
24.EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (
25.Swart e.a.,
26.Swart e.a.,
27.Swart e.a.,
28.EHRM 17 mei 2011, nr. 28495/06 e.a. (
29.EHRM 15 november 2007, nr. 26986/03 (
30.EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (
31.Zie o.a. EHRM 15 november 2007, nr. 26986/03 (
32.EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (
33.Swart e.a.,
34.Zie over dit verschil Rozemond,
35.Zie hoofdstuk I, onder G, randnr. 116.
36.Zie J.M. ten Voorde, in:
37.Naar aanleiding van de opmerking in de toelichting bij subklacht (vi) dat uit het arrest van de Hoge Raad van 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:126 (zie randnummer 7.10) het (bij herhaling) niet voldoen aan een vordering om het terrein te ver laten, kan bijdragen aan het oordeel dat sprake is van laakbaar gedrag, het volgende. In die zaak had het hof vastgesteld dat door het handelen van de verdachte en haar mededader het bouwbedrijf werd belemmerd om op de beurs in de RAI Amsterdam zijn promotieactiviteiten te verwezenlijken en het belangstellende beursbezoekers moeilijk werd gemaakt om kennis te nemen van de informatie van dat bouwbedrijf. Daarmee doet zich een andere situatie voor dan de voorliggende zaak, waarin het hof juist heeft vastgesteld dat de bouwlieden in theorie hun werk hadden kunnen voortzetten en daarbij geen hinder zouden ondervinden van de verdachte en de medeverdachten op het dak van de bouwkeet.
38.Ten overvloede merk ik op dat het EHRM in de zaak