ECLI:NL:PHR:2026:78

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
25/00358
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanspraak van de erfverpachter met betrekking tot fosfaatrechten en de toepassing van aanvullend recht in de agrarische erfpacht

In deze zaak gaat het om de aanspraak van de Staat der Nederlanden, vertegenwoordigd door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, op fosfaatrechten die zijn toegekend aan de erfpachter van gronden die in erfpacht zijn uitgegeven. De erfpachter heeft een melkveebedrijf op deze gronden en ontving in 2018 fosfaatrechten. Na het einde van het erfpachtrecht in 2021 heeft de Staat de gronden opnieuw in erfpacht uitgegeven aan de erfpachter. De Staat meent dat hij recht heeft op een deel van de waarde van de fosfaatrechten, omdat het erfpachtrecht is geëindigd. De vordering van de Staat is door het hof afgewezen, omdat het hof oordeelde dat naast het einde van de pachtovereenkomst ook het feitelijk gebruik van de gronden moet zijn geëindigd om aanspraak te maken op de fosfaatrechten. De Staat heeft cassatie ingesteld tegen deze uitspraak, waarbij hij vraagt om verduidelijking van de rechtsverhouding tussen pacht en fosfaatrechten en de voorwaarden waaronder een verpachter aanspraak kan maken op fosfaatrechten. De conclusie van de Procureur-Generaal is dat de cassatieklachten van de Staat niet slagen, en dat de vordering van de Staat niet toewijsbaar is, omdat het feitelijk gebruik van de gronden door de erfpachter na het einde van het erfpachtrecht is voortgezet.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/00358
Zitting16 januari 2026
CONCLUSIE
W.L. Valk
In de zaak
De Staat der Nederlanden (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Rijksvastgoedbedrijf)
tegen
[de erfpachter]
Partijen worden hierna verkort aangeduid als de Staat respectievelijk [de erfpachter] .

1.Inleiding en samenvatting

1.1
De Staat heeft aan (de rechtsvoorganger van) [de erfpachter] gronden in erfpacht uitgegeven. [de erfpachter] oefent op die gronden een melkveebedrijf uit. In 2018 is aan het melkveebedrijf van [de erfpachter] een hoeveelheid fosfaatrechten toegekend. Na het einde van het erfpachtrecht in 2021 heeft de Staat de gronden opnieuw in erfpacht uitgegeven aan [de erfpachter] . De Staat meent dat hij vanwege het einde van het erfpachtrecht gerechtigd is tot een deel van de waarde van de fosfaatrechten en vordert daartoe een verklaring voor recht. De Staat sluit in de onderbouwing van zijn vordering aan bij vaste rechtspraak van de pachtkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: de pachtkamer van het gerechtshof) over de voorwaarden waaronder een verpachter aan het einde van de pacht [1] aanspraak heeft op de fosfaatrechten die tijdens de looptijd van de pachtovereenkomst om niet aan de pachter zijn toegekend, voor het eerst in de proefprocedure
ASR/ […]. [2] Volgens de Staat kan die rechtspraak per analogie worden toegepast op gevallen waarin gronden in erfpacht zijn uitgegeven.
1.2
Het hof heeft de vordering van de Staat afgewezen, omdat volgens het hof een van de voorwaarden uit het arrest
ASR/ […]voor het ontstaan van een aanspraak van de verpachter is dat (naast het einde van de pacht) ook het feitelijk gebruik van de gronden en/of gebouwen moet zijn geëindigd, en in deze zaak vaststaat dat [de erfpachter] het gebruik van de gronden na het einde van het erfpachtrecht heeft voortgezet. Daarmee staat de feitelijke situatie van onafgebroken voortgezet gebruik van de grond door [de erfpachter] al in de weg aan de door de Staat bepleite toepassing van de arresten
ASR/‌ […] .Het hof is daarom niet toegekomen aan de meer principiële vraag of de rechtspraak van de pachtkamer van het gerechtshof ook voor erfpacht gelding heeft. In cassatie richt de Staat klachten tegen dit oordeel van het hof en vraagt hij uw Raad om – eventueel ten overvloede – de praktijk richting te geven ten aanzien van de principiële vraag waaraan het hof niet is toegekomen.
1.3
Deze conclusie bespreekt de verhouding tussen pacht en productierechten, het stelsel van fosfaatrechten, de rechtspraak van de pachtkamer van het gerechtshof en uw Raad over aanspraken van de pachter en verpachter ten aanzien van fosfaatrechten, en de vraag of de beëindiging van het feitelijk gebruik en/of oplevering van de verpachte gronden en/of gebouwen een noodzakelijke voorwaarde is voor het ontstaan en/of de opeisbaarheid van de aanspraak van de verpachter.
1.4
Mijns inziens slaagt geen van de cassatieklachten van de Staat.

2.Feiten en procesverloop

2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan: [3]
(i) In 1982 heeft de Staat aan de vader van [de erfpachter] een oppervlakte cultuurgrond gelegen aan [a-straat] te [plaats] (namelijk de percelen nu kadastraal bekend als gemeente [plaats] , [sectie 1] , nummer [001] , groot 21.18.44 ha, en [sectie 2] , nummer [002] , groot 19.61.15 ha) in erfpacht uitgegeven voor de duur van 40 jaar. Dit erfpachtrecht is in 2005 overgedragen aan [de erfpachter] . In de erfpachtakte is opgenomen dat de grond is bestemd voor de uitoefening van een weidebedrijf.
(ii) In de brief van de Staatssecretaris van Financiën van 18 december 1997 aan de Tweede Kamer is als beleid neergelegd dat de 40-jarige erfpachtovereenkomsten bij ommekomst van de termijn tegen de dan geldende marktconforme voorwaarden worden heruitgegeven. [4]
(iii) Aan het melkveebedrijf van [de erfpachter] is in 2018 een hoeveelheid van 9.941 kilogram fosfaatrechten toegekend.
(iv) De duur van het in 1982 uitgegeven erfpachtrecht is op 31 oktober 2021 verstreken. [de erfpachter] heeft het gebruik van de grond na 31 oktober 2021 onafgebroken voortgezet.
(v) Bij akte van 1 februari 2023 is dezelfde cultuurgrond (samen met twee andere percelen, namelijk de percelen kadastraal bekend gemeente [plaats] , [sectie 2] , nummers [003] en [004] ; in totaal nu groot 41.21.40 ha) per 1 november 2021 opnieuw aan [de erfpachter] in erfpacht uitgegeven voor de duur van 40 jaar. Dit erfpachtrecht loopt af op 31 oktober 2061.
(vi) In de erfpachtakte van 1 februari 2023 is in artikel 10 opgenomen dat en waarom de Staat aanspraak maakt op (de marktwaarde van) een deel van de aan [de erfpachter] toegekende fosfaatrechten (in dit geval 1.556,67 kilogram), waarbij in lid 2 onder d van dat artikel is opgenomen dat [de erfpachter] gehouden is tot overdracht van fosfaatrechten per 31 oktober 2021, het einde van de (eerste) erfpachtovereenkomst. In lid 3 van dat artikel is verder opgenomen dat de overdracht van (de marktwaarde van) die fosfaatrechten is uitgesteld tot na het einde van de erfpachtovereenkomst per 31 oktober 2061 dan wel tot een eerder moment in het geval van een aantal andere beschreven situaties (de zogenaamde doorschuiffaciliteit).
(vii) In de erfpachtakte van 1 februari 2023 is verder opgenomen dat [de erfpachter] niet instemt met de aanspraak van de Staat en dat partijen de mogelijkheid hebben de rechter te vragen een uitspraak te doen over de rechtmatigheid en de omvang van de aanspraak van de Staat.
(viii) De Staat heeft [de erfpachter] toegezegd dat als het systeem van fosfaatrechten in 2061 niet meer bestaat, in dat geval zijn aanspraak vervalt.
2.2
De Staat heeft [de erfpachter] gedagvaard voor het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (locatie Leeuwarden). [5] De Staat heeft gevorderd dat het hof voor recht verklaart dat de Staat jegens [de erfpachter] en diens eventuele rechtsopvolgers aanspraak kan maken op vergoeding van de marktwaarde van 1.556,67 kg fosfaatrechten op het tijdstip en onder de voorwaarden zoals omschreven in artikel 10 van de erfpachtakte van 1 februari 2023.
2.3
Bij arrest van 5 november 2024 heeft het hof de vordering van de Staat afgewezen. De dragende overwegingen van het hof laten zich als volgt samenvatten:
a. Uit de arresten inzake
ASR/ […]volgt dat, als in een pachtovereenkomst niets anders is overeengekomen, de pachter onder bepaalde voorwaarden verplicht is tot overdracht van fosfaatrechten aan de verpachter. (onder 5.1-5.3)
b. Volgens de Staat moet dit ook gelden bij het einde van een erfpachtovereenkomst als de onderhavige, omdat aan alle voorwaarden uit die arresten is voldaan en het verschil tussen erfpacht en pacht niet zodanig is dat deze regels zich niet voor overeenkomstige toepassing zouden lenen. (onder 5.4)
c. Het hof oordeelt dat het ontstaan van een aanspraak tot (waarde)overdracht volgens de genoemde rechtspraak niet alleen is verbonden aan het eindigen van de pachtovereenkomst, maar ook aan het eindigen van het feitelijk gebruik van de ter beschikking gestelde grond en/of gebouwen. (onder 5.5)
d. Het erfpachtcontract uit 1982 is per 31 oktober 2021 geëindigd, maar het feitelijk gebruik van de ter beschikking gestelde grond is na die datum ongewijzigd voortgezet. Daarmee staat de feitelijke situatie van onafgebroken voortgezet gebruik van de grond door [de erfpachter] al in de weg aan de door de Staat bepleite toepassing van de arresten
ASR/‌ […] .(onder 5.6-5.7)
e. Het hof komt niet toe aan een bespreking van het debat van partijen over de vraag of het karakter en/of andere aspecten van erfpacht betekenen dat de algemene regel van aanvullend recht die geldt met betrekking tot de aanspraak van een verpachter op fosfaatrechten bij pacht van overeenkomstige toepassing is bij erfpacht. (onder 5.8)
f. De vordering van de Staat is niet toewijsbaar. (onder 5.9)
g. Het hof bepaalt dat de proceskosten moeten worden gecompenseerd. (onder 5.10)
2.4
Bij procesinleiding van 3 februari 2025 heeft de Staat tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. [de erfpachter] heeft verweer gevoerd. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten, waarna de Staat heeft gerepliceerd en [de erfpachter] gedupliceerd.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen.
Onderdeel 1bevat alleen een inleiding en geen klachten.
Onderdeel 2richt zich tegen rechtsoverwegingen 5.3, 5.5-5.9 en het dictum. Ik citeer ook de rechtsoverwegingen 5.1-5.2 en 5.4:
‘5.1 De Staat heeft voor zijn vordering op [de erfpachter] aangevoerd dat (ook) de rechtsverhouding tussen erfpachter en erfverpachter op grond van artikel 6:216 BW wordt beheerst door de redelijkheid en billijkheid en dat bij einde van het erfpachtcontract per 31 oktober 2021 (per analogie) was voldaan aan de voorwaarden zoals geformuleerd in de arresten ASR/ […] , [6] zodat [de erfpachter] gehouden is mee te werken aan de overdracht van een deel (van de waarde) van de [de erfpachter] toegekende fosfaatrechten.
5.2
In genoemde arresten is overwogen dat als partijen in een pachtovereenkomst niets (anders) zijn overeengekomen, de pachter alleen verplicht is tot overdracht van fosfaatrechten aan de verpachter indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
– tussen verpachter en pachter bestond op 2 juli 2015 een reguliere pachtovereenkomst of een geliberaliseerde pachtovereenkomst die bij het aangaan 12 jaar of langer duurt;
– het betreft hoevepacht of pacht van minimaal 15 ha grond of pacht van een gebouw; het gebouw moet specifiek zijn ingericht voor de melkveehouderij en voor de uitoefening daarvan noodzakelijk zijn en door de verpachter ten behoeve van het bedrijf van de pachter aan de pachter ter beschikking zijn gesteld;
– de fosfaatrechten worden voor 50% toegerekend aan de gebouwen en 50% aan de grond die de pachter op 2 juli 2015 ten behoeve van het gehouden vee ten dienste stonden en naar verhouding toegerekend aan het gepachte;
– de verpachter dient aan de pachter 50% van de marktwaarde van de over te dragen fosfaatrechten per datum einde pachtovereenkomst te betalen.
5.3
De juridische grondslag voor voormeld oordeel is gevonden in de aard van de pachtovereenkomst en de eisen van redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 1 BW). De rechtvaardiging bestaat uit drie samenhangende redenen. De verpachter heeft langdurig bedrijfsmiddelen aan de pachter ter beschikking gesteld waarop de pachter zijn bedrijfsvoering heeft kunnen baseren. Die bedrijfsmiddelen hebben in belangrijke mate bijgedragen aan de omvang van de veestapel en daarmee aan de fosfaatrechten die aan de pachter zijn toegekend. De grond en/of gebouwen zijn na het einde van de pachtovereenkomst potentieel minder goed te exploiteren voor de verpachter indien de pachter deze zonder fosfaatrechten oplevert. [7]
5.4
De Staat heeft betoogd dat de regels uit de genoemde arresten ook zouden moeten gelden bij het eindigen van een erfpachtcontract als dit, omdat aan alle voorwaarden daarvan is voldaan en het verschil tussen erfpacht en pacht niet zodanig is dat die regels zich niet voor overeenkomstige toepassing zouden lenen.
5.5
Uit genoemde arresten en de daarna in vergelijkbare gevallen gewezen arresten [8] volgt dat het ontstaan van een aanspraak tot (waarde)overdracht verbonden is aan niet alleen het eindigen van de pachtovereenkomst maar ook aan het eindigen van het feitelijk gebruik van de ter beschikking gestelde grond (en/of gebouwen). Dat ook het eindigen van het feitelijk gebruik relevant is voor het ontstaan van een aanspraak als bedoeld is niet uitdrukkelijk als voorwaarde genoemd maar is noodzakelijkerwijs wel ingesloten. De voorwaarden waaronder de verpachter aanspraak heeft op fosfaatrechten vinden immers hun rechtvaardiging in drie samenhangende redenen waarvan er één is dat de grond en/of gebouwen na het einde van de pachtovereenkomst potentieel minder goed te exploiteren zijn voor de verpachter indien de pachter deze zonder fosfaatrechten
oplevert(onderstreping hof).
5.6
In dit geval staat vast dat (de duur van) het erfpachtcontract van 1982 weliswaar per 31 oktober 2021 is geëindigd maar ook dat het feitelijk gebruik van de ter beschikking gestelde grond na die datum ongewijzigd is voortgezet. [de erfpachter] mocht, gezien het in 3.2 bedoelde beleid van de Staat, er ook vanuit gaan dat voor dat voortgezette gebruik met hem (opnieuw) een langdurig erfpachtcontract zou worden gesloten, wat ook is gebeurd. Met het onafgebroken voortzetten van de feitelijke exploitatie van de grond is daarmee geen sprake (geweest) van een opleveren van de grond aan de Staat die door het ontbreken van daarmee samenhangende fosfaatrechten potentieel minder goed te exploiteren is.
5.7
De feitelijke situatie van onafgebroken voortgezet gebruik door [de erfpachter] van de grond staat daarmee al in de weg aan de door de Staat bepleite toepassing van de voorwaarden uit de arresten ASR/ […] . Dat de termijn waarvoor de erfpachtovereenkomst uit 1982 is verstreken, maakt dat niet anders. Daarmee kan niet worden aangenomen dat de Staat per 31 oktober 2021 een aanspraak op [de erfpachter] heeft verkregen voor overdracht van fosfaatrechten dan wel voor waardevergoeding daarvan. Of [de erfpachter] gehouden is op het einde van de lopende erfpacht in 2061, of bij een eerdere overdracht, aan de Staat een vergoeding te betalen voor de fosfaatrechten, zal te zijner tijd, met inachtneming van de dan geldende omstandigheden, moeten worden bezien.
5.8
Een en ander betekent dat het hof niet toekomt aan bespreking van het debat van partijen over de vraag of het karakter en/of andere aspecten van het erfpachtrecht betekenen dat de algemene regel van aanvullend recht die geldt met betrekking tot de aanspraak van een verpachter op fosfaatrechten bij pachtovereenkomsten, behalve wanneer bijzondere omstandigheden tot afwijking daarvan noodzaken, van overeenkomstige toepassing is bij erfpachtovereenkomsten, zoals de Staat aanvoert en [de erfpachter] bestrijdt.
5.9
De conclusie is dat de vordering van de Staat niet toewijsbaar is.’
3.2
Subonderdeel 2.1komt met rechtsklachten op tegen het oordeel in rechtsoverweging 5.5 dat uit de arresten inzake
ASR/ […]volgt dat, als partijen niet anders zijn overeengekomen, het ontstaan van een aanspraak tot (waarde)overdracht verbonden is aan niet alleen het eindigen van de pachtovereenkomst, maar ook aan het eindigen van het feitelijk gebruik van de ter beschikking gestelde grond, en het oordeel in dezelfde rechtsoverweging dat de voorwaarden waaronder de verpachter aanspraak heeft op fosfaatrechten hun rechtvaardiging vinden in drie samenhangende redenen, waarvan één is dat de grond en/of gebouwen na het einde van de pachtovereenkomst potentieel minder goed te exploiteren zijn voor de verpachter als de pachter deze zonder fosfaatrechten
oplevert(met nadruk van het hof op het laatste woord).
Subonderdeel 2.2komt op tegen het oordeel in rechtsoverweging 5.7 dat het verstreken zijn van de termijn waarvoor de erfpachtovereenkomst uit 1982 is gesloten het niet anders maakt. Dit subonderdeel komt ook op tegen het oordeel dat niet kan worden aangenomen dat de Staat per 31 oktober 2021 een aanspraak op [de erfpachter] heeft verkregen voor een waardevergoeding voor de fosfaatrechten en dat (pas) bij het einde van de lopende erfpacht in 2061 of bij een eerdere overdracht hoeft te worden onderzocht (met inachtneming van dan geldende omstandigheden) of [de erfpachter] gehouden is een vergoeding te betalen voor de fosfaatrechten.
3.3
Het oordeel van het hof komt er kort gezegd op neer dat de vordering van de Staat strandt op de omstandigheid dat in dit geval niet is voldaan aan de – door het hof uit
ASR/ […]afgeleide – voorwaarde dat het feitelijk gebruik van de gronden moet zijn geëindigd. Daarom kwam het hof niet toe aan de vraag of de regels uit
ASR/ […], die zijn gegeven voor pachtovereenkomsten, ook kunnen of moeten worden toegepast bij erfpacht. Hoewel in deze zaak sprake is van erfpacht, maken dit oordeel van het hof en de daartegen gerichte klachten dat op de eerste plaats onderzocht dient te worden welke rol het beëindigen van het feitelijk gebruik van
verpachtegronden en/of gebouwen speelt bij het ontstaan (althans de opeisbaarheid) van de aanspraak van de
verpachterten aanzien van fosfaatrechten.
3.4
Hierna enkele inleidende opmerkingen over de verhouding tussen pacht en productierechten (vanaf ‎3.5) en over het stelsel van fosfaatrechten (vanaf ‎3.12). [9] Daarna bespreek ik de rechtspraak van de pachtkamer van het gerechtshof en van uw Raad over de aanspraken van pachter en verpachter ten aanzien van fosfaatrechten die de pachter tijdens de looptijd van de pachtovereenkomst om niet heeft verkregen (vanaf ‎3.14). Vervolgens kom ik toe aan een bespreking van de vraag of, en zo ja in welke zin, naast het einde van de pachtovereenkomst ook het feitelijk beëindigen van het gebruik van de verpachte gronden en/of gebouwen voorwaarde is voor het ontstaan en/of opeisbaarheid van de aanspraak van de verpachter op de fosfaatrechten (vanaf ‎3.24). Daarna bespreek ik de klachten (vanaf ‎3.48).
Verhouding pacht en productierechten
3.5
De hedendaagse landbouw wordt mede gekenmerkt door verregaande overheidsbemoeienis. Die bemoeienis neemt allerlei vormen aan, variërend van eenvoudige verboden en geboden, al dan niet strafrechtelijk gehandhaafd, tot complexe regelingen, waarvan sommige aan agrarische ondernemers verhandelbare vermogensrechten toekennen. De publiekrechtelijke regulering van de landbouw gaat in beginsel alleen de pachter als agrarisch ondernemer aan; rechtstreekse invloed op de privaatrechtelijke rechtsverhouding tussen verpachter en pachter hebben de diverse overheidsmaatregelen in het algemeen niet. Met betrekking tot aan de pachter gedurende de pachtverhouding om niet toegekende productierechten heeft de pachtrechtspraak echter anders geoordeeld, en aangenomen dat de verpachter in verband daarmee aanspraken kan doen gelden. Dit heeft zich het eerst voorgedaan in verband met het melkquotum dat van 1984 tot 2015 heeft bestaan, maar vervolgens ook met betrekking tot het suikerquotum, mestproductierechten en dierenrechten.
3.6
De praktijk heeft zich al lang naar deze rechtspraak gevoegd. Een belangrijke factor in dat verband is dat de pachtkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (waar de appelrechtspraak in pachtzaken zich concentreert, zie thans art. 1019o Rv en voorheen art. 132 Pachtwet) de voorwaarden en omvang van de aanspraken van de verpachter steeds zoveel mogelijk als eenduidige uitgangspunten heeft geformuleerd. Die uitgangspunten laten weliswaar ruimte voor afwijking in verband met de bijzondere omstandigheden van het geval, maar zulke uitzonderingen zijn in de praktijk van de rechtspraak zeldzaam gebleken. Het nuttig effect hiervan is dat bij beëindiging van de pachtverhouding partijen (bijgestaan door deskundige adviseurs) het in verreweg de meeste gevallen minnelijk eens blijken te kunnen worden en zo zichzelf en elkaar complexe en kostbare procedures besparen.
3.7
De hierboven bedoelde rechtspraak heeft zich steeds gebaseerd op de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid. Daarmee is tevens gezegd dat die rechtspraak veronderstelt dat partijen in de pachtovereenkomst de kwestie ongeregeld hebben gelaten. Alleen dan is sprake van een leemte, waarin met toepassing van de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid moet worden voorzien.
3.8
De argumenten voor een aanspraak van de verpachter op (een deel van) het aan de pachter toegekende productierecht zijn niet in alle gevallen dezelfde. Bij sommige productierechten (zoals het melkquotum) heeft het grondgebonden karakter van het productierecht een rol gespeeld; voor andere productierechten zoals fosfaatrechten geldt dit niet. Ook de omstandigheid dat de bedrijfsvoering van de pachter mede door de verpachting mogelijk is gemaakt, is een argument voor een aanspraak van de verpachter. Een ander belangrijk argument voor deze aanspraak is de negatieve invloed die introductie van het productierecht op de waarde van de verpachte onroerende zaak heeft. Over dat laatste zeg ik nog wat meer.
3.9
De introductie van een productierecht betekent dat een bepaalde vorm van agrarische productie die voorheen vrij kon plaatsvinden, in het vervolg alleen nog mét productierecht mogelijk is. Dit kan ertoe leiden dat de waarde van agrarisch onroerend goed afneemt. Dit houdt verband met de omstandigheid dat door de introductie van het productierecht de toetreding van nieuwe agrarische ondernemers tot de markt van het gereguleerde product wordt bemoeilijkt. Waar zulke toetreders voorheen vooral kosten moesten maken om bedrijfsmiddelen te verwerven, van welke middelen het benodigde agrarische onroerend goed in de regel verreweg het kostbaarste is – met als alternatief een pachtovereenkomst met betrekking tot zulk onroerend goed – moeten ná de invoering van een productierecht ook kosten worden gemaakt om over een toereikend productierecht te kunnen beschikken. Anders gezegd: verwerving van een extra bedrijfsmiddel is nu nodig, namelijk het productierecht. Ervan uitgaande dat gelijkblijvende opbrengsten mogen worden verwacht, valt gemakkelijk in te zien dat de meerkosten in verband met de verwerving van het productierecht in een waardedaling van agrarisch onroerend goed zónder productierecht zullen kunnen resulteren. Bij wijze van contrast: de eigenaar die zelf het productierecht om niet op zijn naam krijgt, heeft van de introductie van het productierecht betrekkelijk weinig last, omdat tegenover de waardedaling van het hem toebehorende onroerend goed de verkregen waarde van het productierecht staat. De eigenaar die het onroerende goed heeft verpacht, heeft er veelal wél last van, hoewel niet steeds in dezelfde mate. Het effect van waardedaling doet zich namelijk niet of in mindere mate voor als voor het onroerend goed alternatieve, niet wezenlijk minder lucratieve gebruiksmogelijkheden bestaan. Omgekeerd is het effect op de waarde extra groot als onroerend goed specifiek voor een bepaalde vorm van agrarische productie is ingericht, wat zich vooral met betrekking tot gebouwen zal kunnen voordoen.
3.1
Als we op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid een verplichting voor de pachter aannemen om bij het einde van de pachtovereenkomst een deel van het productierecht aan de verpachter over te dragen, dan is de verpachter in staat om de onroerende zaak mét productierecht aan derden aan te bieden, wat dan geheel of gedeeltelijk het negatieve effect van de introductie van het productierecht op de waarde van die onroerende zaak tenietdoet. [10] Dit is daarom een argument voor een zodanige aanspraak.
3.11
Ook met betrekking tot fosfaatrechten heeft de pachtkamer van het gerechtshof onder bepaalde voorwaarden een aanspraak van de verpachter ten aanzien van fosfaatrechten aangenomen, en wel voor het eerst in 2019 in de proefprocedure
ASR/ […]waarnaar het hof in het bestreden arrest ook heeft verwezen. Voordat ik toekom aan een bespreking van die uitspraak en daaropvolgende rechtspraak van de pachtkamer van het gerechtshof alsook van uw Raad, kort nog iets over het karakter van het stelsel van fosfaatrechten, mede in vergelijking met het voorheen bestaande melkquotum.
Stelsel van fosfaatrechten
3.12
Het stelsel van fosfaatrechten is met ingang van 1 januari 2018 in werking getreden. Het is verboden meer dierlijke meststoffen met melkvee, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, te produceren dan het op het bedrijf rustende fosfaatrecht (art. 21b Meststoffenwet). Referentietijdstip is 2 juli 2015. De forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door het melkvee dat op dat tijdstip op het agrarisch bedrijf werd gehouden, bepaalt de omvang van het toegekende fosfaatrecht (art. 23 lid 3 Meststoffenwet). Fosfaatrechten zijn vrij verhandelbaar, ook zonder overdracht van grond (art. 25 e.v. Meststoffenwet).
3.13
Hoewel fosfaatrechten voor dezelfde bedrijfstak gelden als het voormalige melkquotum, zijn er diverse belangrijke verschillen. In de eerste plaats zien beide productierechten niet geheel op dezelfde bedrijfsactiviteiten. Zo zijn ook aan niet-melkveehouders fosfaatrechten toegekend, omdat fosfaatrechten mede benodigd zijn voor het houden van vrouwelijk jongvee door onder meer jongvee-opfokbedrijven. Melkquotum zag naar zijn aard alleen op melkproducerend rundvee. In de tweede plaats is de achtergrond van beide productierechten verschillend. Het melkquotum moest overproductie van melk en melkproducten tegengaan. Fosfaatrechten staan in verband met het zogenaamde mestproductieplafond. Ondanks de Unierechtelijke achtergrond van dat plafond vinden in de derde plaats de fosfaatrechten uitsluitend hun grondslag in de nationale Meststoffenwet; de melkquotering had wél een grondslag in het Unierecht.
Rechtspraak over aanspraken pachter en verpachter op fosfaatrechten
3.14
Na deze inleidende opmerkingen kom ik toe aan een bespreking van de rechtspraak van de pachtkamer van het gerechtshof en van uw Raad over de aanspraken van pachter en verpachter op fosfaatrechten. Die rechtspraak is, zoals gezegd, begonnen met de proefprocedure
ASR/ […]in 2019.
3.15
In de zaak
ASR/ […]was sprake van een pachtovereenkomst ten aanzien van een hoeve die door pachter als melkveehouderij werd geëxploiteerd. Tijdens de looptijd van de pachtovereenkomst is aan dat bedrijf 2.365 kg fosfaatrechten toegekend. De pachtovereenkomst is op enig moment in onderling overleg geëindigd, waarna de pachter de voorheen gepachte opstallen met erf en ondergrond alsmede een aantal percelen cultuurgrond heeft gekocht. Later heeft pachter zijn melkveebedrijf beëindigd. In de pachtovereenkomst was niets geregeld over de vraag aan wie de fosfaatrechten toekomen bij het einde van de pacht. Verpachter vorderde een verklaring voor recht dat zij aanspraak heeft op de fosfaatrechten van pachter tegen betaling van de helft van de waarde ervan.
3.16
Bij tussenarrest van 26 maart 2019 heeft de pachtkamer van het gerechtshof de uitgangspunten geschetst voor de beoordeling van de aanspraken die een pachter en verpachter hebben ten aanzien van fosfaatrechten die de pachter tijdens de looptijd van de pacht om niet heeft verkregen. Ik citeer dit tussenarrest uitgebreid: [11]

De eisen van redelijkheid en billijkheid
3.8
In de vaste rechtspraak van dit hof over productierechten is bepaald dat de pachter bij het einde van de pachtovereenkomst verplicht is productierechten aan de verpachter over te dragen en dat de verpachter daartegenover de helft van de marktwaarde aan de pachter moet betalen. In de kern is die verplichting gebaseerd op de eisen van redelijkheid en billijkheid. Belangrijke uitgangspunten daarbij zijn vanaf het begin geweest de bijdragen die pachter en verpachter hebben geleverd aan de totstandkoming van de rechten en dat een voortgezette exploitatie van het gepachte na het einde van de pacht zonder rechten niet mogelijk is. Het hof gaat na of die rechtspraak ook (precies zo) bij fosfaatrechten moet gelden.
(…)
3.12
Het komt erop neer dat de hiervoor besproken wet, gewoonte en de rechtspraak onvoldoende richting geven voor een pasklaar antwoord op de vraag of de rechtsverhouding tussen pachter en verpachter de overdracht van fosfaatrechten aan de verpachter vereist. De wet en de gewoonte dwingen er niet toe. Dit rechtvaardigt een frisse blik op de vraag of de eisen van redelijkheid en billijkheid in samenhang met de aard van de pachtovereenkomst dit vereisen (artikel 6:248 lid 1 BW). Bij de invulling van wat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit, spelen de Meststoffenwet en de tot nu toe geldende rechtspraak natuurlijk wel een rol. De wetgever heeft de fosfaatrechten aan de houder van het vee toegekend en zij rusten op het bedrijf, maar de wetgever heeft niet bedoeld de rechten bedrijfsgebonden te maken. Wat de rechtspraak betreft, zijn de belangrijkste uitgangspunten van oudsher dat de pachter de productierechten om niet op zijn naam heeft gekregen tijdens de looptijd van de pachtovereenkomst, dat de verpachter en pachter beiden een bijdrage hebben geleverd aan het ontstaan van de productierechten en dat voortgezette exploitatie na het einde van de pacht zonder productierechten niet mogelijk is.
3.13
In het licht hiervan en de belangen van pachter en verpachter, komt het hof tot het volgende antwoord op de vraag wat de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen. Daarbij neemt het hof melkveebedrijven met grond en gebouwen tot uitgangspunt. Melkveebedrijven worden het meest geconfronteerd met de vraag die hier aan de orde is en de meeste melkveebedrijven hebben grond en gebouwen.
3.14
De fosfaatrechten komen in beginsel alleen aan de pachter toe. De rechten zijn niet gebonden aan en hangen ook niet samen met grond of gebouwen. Alleen in het geval de verpachter langdurig bedrijfsmiddelen aan de pachter ter beschikking heeft gesteld die voor het bedrijf van de pachter van overwegend belang zijn om zijn bedrijf te kunnen exploiteren, heeft de verpachter een aanspraak op fosfaatrechten. Het hof heeft hierbij het oog op zowel grond als gebouwen. De rechtvaardiging hiervoor bestaat uit drie samenhangende redenen. De verpachter heeft langdurig bedrijfsmiddelen aan de pachter ter beschikking gesteld waarop de pachter zijn bedrijfsvoering heeft kunnen baseren. Die bedrijfsmiddelen hebben in belangrijke mate bijgedragen aan de omvang van de veestapel en daarmee aan de fosfaatrechten die aan de pachter zijn toegekend. De grond en/of gebouwen zijn na het einde van de pachtovereenkomst potentieel minder goed te exploiteren voor de verpachter indien de pachter deze zonder fosfaatrechten oplevert. Deze drie redenen zijn verwant aan de uitgangspunten van de rechtspraak over de productierechten. Het hof licht deze drie samenhangende redenen hierna toe.
1. Bedrijfsmiddelen van overwegend belang
3.15
Als sprake is van hoevepacht waarbij een melkveebedrijf aan de pachter in gebruik is verstrekt, is in beginsel steeds sprake van overwegend belang. In deze zaak gaat het om een dergelijke hoevepacht. Met het oog op de toepasbaarheid van dit arrest in de agrarische praktijk geeft het hof ook alvast richting voor andere gevallen dan hoevepacht.
3.16
Als gebouwen worden gepacht, zijn van overwegend belang uitsluitend bedrijfsgebouwen die specifiek zijn ingericht voor de melkveehouderij en voor de uitoefening daarvan noodzakelijk zijn. De pachter is verplicht bij de oplevering aan het einde van de pacht fosfaatrechten over te dragen als deze gebouwen door de verpachter ten behoeve van een melkveebedrijf aan de pachter ter beschikking zijn gesteld.
3.17
Voor grond geldt dat pas van overwegend belang kan worden gesproken bij een aanzienlijk verpacht areaal. Het hof gaat op basis van algemene ervaringsregels uit van 15 ha of meer. Voor een pachtareaal van 15 ha geldt in het algemeen dat het wezenlijk is voor de bedrijfsvoering en daarmee voor de toekenning van het aantal fosfaatrechten in samenhang met de hierna te bespreken redenen. Het hof is zich ervan bewust dat de keuze voor een grootte van 15 ha arbitrair is. Afhankelijk van regio, aard en inrichting van de bedrijfsvoering en andere omstandigheden zal de betekenis van 15 ha voor een bedrijf wisselen. De rechtszekerheid vereist echter naar het oordeel van het hof eenvoudig toepasbare regels. Een grenswaarde van 15 ha voldoet daaraan.
2. Waarde pachtobject na einde pacht
3.18
Een tweede reden is de potentieel mindere waarde van grond en gebouwen na het einde van de pacht indien deze zonder fosfaatrechten worden opgeleverd. Het gaat hier om de exploitatiemogelijkheden van het pachtobject na het einde van de pacht. Daarmee bedoelt het hof het volgende. Bij grote pachtobjecten als een hoeve, melkveestallen of 15 ha of meer grond is een opvolgend gebruiker die melkvee houdt, verplicht over een aanzienlijke hoeveelheid fosfaatrechten te beschikken om het gepachte te kunnen exploiteren. Indien hij daarover niet beschikt, vergt dat bij de huidige stand van zaken een omvangrijke investering die de exploitatie van het gepachte en het aangaan van de pachtovereenkomst belemmert. De mogelijkheid van de verpachter om een groot pachtobject zelf te exploiteren of aan een opvolgend gebruiker ter beschikking te stellen, is navenant verminderd door die investeringsverplichting. Voor kleinere oppervlakten land dan 15 ha of voor bedrijfsgebouwen zonder specifieke inrichting is het ontbreken van samenhangende fosfaatrechten minder bezwaarlijk. Er is daarom onvoldoende rechtvaardiging te vinden voor een aanspraak van de verpachter in die gevallen.
3. Langdurige pachtverhouding
3.19
Het hof heeft hiervoor vermeld dat een aanspraak van verpachter op fosfaatrechten alleen geldt bij langdurige pachtverhoudingen. Als langdurige pachtverhouding geldt een reguliere pachtovereenkomst of geliberaliseerde overeenkomst voor de duur van 12 jaar of langer. De duur van 12 jaar is overgenomen van de wettelijke duur van een pachtovereenkomst voor een hoeve. Verpachter en pachter hebben door een dergelijke pachtovereenkomst aan te gaan over en weer de bedoeling gehad om de pachtobjecten langdurig onderdeel van de bedrijfsvoering van de pachter te laten zijn. Op grond van die langdurige beschikbaarheid heeft de pachter bedrijfsbeslissingen genomen, waaronder de (potentiële) omvang van zijn veestapel.
Toerekening fosfaatrechten aan grond en gebouwen
3.2
Voor de berekening van de hoeveelheid fosfaatrechten die samenhangt met de grond en/of de gebouwen, zal doorgaans een toerekening van de helft van alle fosfaatrechten aan alle gebouwen en de helft aan alle grond van het melkveebedrijf van de pachter redelijk zijn. De toerekening van de fosfaatrechten aan de grond en de gebouwen dient te geschieden op basis van alle percelen en alle gebouwen die hebben bijgedragen aan de totstandkoming van de fosfaatrechten op 2 juli 2015 en naar verhouding te worden toegerekend aan het gepachte.
Vergoeding fosfaatrechten
3.21
Het hof oordeelt dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid verder voortvloeit dat de verpachter verplicht is de helft van de marktwaarde per datum einde pacht van de over te dragen fosfaatrechten aan de pachter te voldoen. Op dit punt sluit het hof aan bij de rechtspraak over productierechten. Er is onvoldoende aanleiding de hoogte van de vergoeding te wijzigen.
Samenvatting voorwaarden verplichting tot overdracht
3.22
Als partijen in de pachtovereenkomst niets (anders) zijn overeengekomen, is de pachter alleen verplicht tot overdracht van fosfaatrechten aan de verpachter indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
– tussen verpachter en pachter bestond op 2 juli 2015 een reguliere pachtovereenkomst of een geliberaliseerde pachtovereenkomst die bij het aangaan 12 jaar of langer duurt;
– het betreft hoevepacht of pacht van minimaal 15 ha grond of pacht van een gebouw; het gebouw moet specifiek zijn ingericht voor de melkveehouderij en voor de uitoefening daarvan noodzakelijk zijn en door de verpachter ten behoeve van het bedrijf van de pachter aan de pachter ter beschikking zijn gesteld;
– de fosfaatrechten worden voor 50% toegerekend aan de gebouwen en 50% aan de grond die de pachter op 2 juli 2015 ten behoeve van het gehouden vee ten dienste stonden en naar verhouding toegerekend aan het gepachte;
– de verpachter dient aan de pachter 50% van de marktwaarde van de over te dragen fosfaatrechten per datum einde pachtovereenkomst te betalen.
De juridische grondslag voor dit oordeel is gevonden in de aard van de pachtovereenkomst en de eisen van redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 1 BW).’
3.17
Vervolgens heeft het hof, nog steeds in het tussenarrest, overwogen dat tussen partijen een overeenkomst voor hoevepacht bestond, en dat dit betekent dat pachter zijn fosfaatrechten in beginsel aan verpachter had moeten overdragen bij het einde van de pacht tegen betaling door de verpachter van 50% van de marktwaarde ervan. [12] Het hof heeft partijen gelegenheid gegeven om zich nog uit te laten over bijzondere omstandigheden die volgens de pachter maken dat in zijn geval toch geen verplichting tot overdracht bestond. [13]
3.18
Bij eindarrest van 24 september 2019 heeft de pachtkamer van het gerechtshof verduidelijkt dat de verpachter moet stellen en zo nodig bewijzen dat aan de voorwaarden voor overdracht is voldaan. [14] Een van de hierboven bedoelde bijzondere omstandigheden die de pachter had aangevoerd, was dat de pachter bij het einde van de pacht de voorheen verpachte gebouwen en een deel van de gronden heeft gekocht. Het hof overwoog in het eindarrest:

Verkoop van bedrijfsgebouwen en deel van de grond bij einde pacht
2.8
Bij het einde van de pacht diende het volledige melkveebedrijf ter beschikking te worden gesteld aan [verpachter]. [pachter] was op basis van de voorwaarden uit het tussenarrest op dat moment gehouden zijn met de verpachte hoeve samenhangende fosfaatrechten mee over te dragen. [pachter] had geen (andere) grond of gebouwen in eigendom of gebruik, zodat hij al zijn rechten (2.365 kg) had moeten overdragen.
2.9
Omdat partijen een koopovereenkomst voor de gebouwen en een deel van de grond hebben gesloten, zijn de gebouwen en een deel van de grond bij het einde van de pacht feitelijk niet aan [verpachter] opgeleverd. Die keuze van partijen doet niet af aan de verplichting van [pachter] tot overdracht van al zijn fosfaatrechten bij het einde van de pacht. Het ijkpunt blijft namelijk het einde van de pachtovereenkomst. Wat [verpachter] vervolgens doet – een deel doorverkopen aan de oorspronkelijke pachter, zoals in dit geval, of het geheel opnieuw in pacht uitgeven – doet er niet toe. Net zo min of [verpachter] nadien de fosfaatrechten mee overdraagt aan een koper of nieuwe pachter. Dat is een kwestie van onderhandeling tussen [verpachter] en de koper of de nieuwe pachter.’
3.19
Vervolgens heeft de pachtkamer van het gerechtshof op grond van deze uitgangspunten diverse zaken afgedaan. Een van de zaken heeft uiteindelijk geleid tot het arrest van uw Raad van 15 december 2023. In die zaak had de pachter als bijzondere omstandigheden, die in de weg zouden staan aan een verplichting tot overdracht, aangevoerd dat de opvolgend pachter de fosfaatrechten niet nodig had en de verpachter dus ook niet, terwijl de pachter zelf de fosfaatrechten wel nodig had omdat hij zijn bedrijf elders had voortgezet. Nadat de pachtkamer van het gerechtshof zijn uitgangspunten uit de hierboven genoemde arresten had herhaald, overwoog het ten aanzien van deze bijzondere omstandigheden: [15]
‘3.26 Daarnaast voert [pachter] aan dat de opvolgend pachter de fosfaatrechten niet nodig heeft en dus [verpachter] ook niet. [Verpachter] heeft dat bestreden en erop gewezen dat de huidige pachter Jersey vleesvee heeft en zijn bedrijfsvoering wil verbreden met melkvee om het hoofd boven water te kunnen houden. Daarnaast zijn er ook andere pachters op het landgoed die graag met fosfaatrechten willen uitbreiden. Wat hier ook van zij, de voorwaarden waaronder de verpachter aanspraak heeft op fosfaatrechten vinden hun rechtvaardiging in drie samenhangende redenen waarvan er één is dat de grond en/of gebouwen na het einde van de pachtovereenkomst potentieel minder goed te exploiteren zijn voor de verpachter indien de pachter deze zonder fosfaatrechten oplevert. Die rechtvaardigende reden moet dus in samenhang met de andere twee worden bezien en wordt niet aangetast door de feitelijke invulling die de verpachter na het einde van de pachtovereenkomst geeft aan het voorheen verpachte.
3.27
Tot slot heeft [pachter] op de zitting aangevoerd dat hij in tegenstelling tot de pachter uit het arrest van 26 maart 2019 geen stopper is, maar de fosfaatrechten zelf hard nodig heeft. In zijn uitspraak is het hof er vanuit gegaan dat de pachter de fosfaatrechten zelf nodig heeft en ook degene is van wie ze in beginsel zijn. De keuze van de pachter om na het einde van de pachtovereenkomst elders het bedrijf voort te zetten of te stoppen is daarbij niet relevant. Het hof wil verder zonder meer aannemen dat het voor [pachter] een flinke aderlating is als de met het gepachte opgebouwde fosfaatrechten alsnog naar [verpachter] gaan. [Pachter] komt naar zijn zeggen net uit Bijzonder Beheer bij de Rabobank. De omstandigheid dat [pachter] de overdracht moeilijk kan financieren brengt echter geen wijziging in de uitgangspunten en de verdeelsleutel die het hof heeft aangenomen in het arrest van 26 maart 2019.’
Tegen dit arrest van het hof is cassatieberoep ingesteld, waarin onder meer aan uw Raad de vraag is voorgelegd of deze uitgangspunten juist zijn en of zij kunnen worden gebaseerd op de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid. Naar aanleiding van die klachten overwoog uw Raad: [16]
‘Het onderdeel is ongegrond. Het hof heeft terecht op grond van art. 6:248 lid 1 BW voor de gevallen waarin wordt voldaan aan de voorwaarden, genoemd in het arrest
ASR/ […], als algemene regel van aanvullend recht aangenomen dat de pachter verplicht is de aan het verpachte toe te rekenen fosfaatrechten over te dragen aan de verpachter, tegen betaling van 50% van de marktwaarde daarvan aan de pachter. Het hof heeft niet miskend dat de bijzondere omstandigheden van het geval kunnen noodzaken tot afwijking van die regel.’
3.2
In een derde zaak – uit 2025 – betoogde de pachter, wederom als bijzondere omstandigheden om af te wijken van de uitgangspunten uit de zaak
ASR/ […], dat de verpachter geen belang heeft bij de fosfaatrechten bij het einde van een hoevepachtovereenkomst, omdat de verpachter niet boert en het gepachte ook niet opnieuw gaat verpachten. Het hof overwoog dat de omstandigheid dat verpachter zelf niet meer boert, geen opvolger heeft of de intentie niet meer heeft om de hoeve aan een melkveebedrijf te verpachten niet relevant is, omdat het waardedrukkende effect van de afwezigheid van fosfaatrechten ook bij een overdracht een rol kan spelen. [17]
3.21
Uit deze rechtspraak volgt dat een van de drie (samenhangende) redenen voor de aanspraak van de verpachter ten aanzien van de fosfaatrechten is dat de grond en/of gebouwen na het einde van de pachtovereenkomst potentieel minder goed te exploiteren is voor de verpachter als de pachter deze zonder fosfaatrechten oplevert. Het gaat hier om (een toepassing van) het in ‎3.9 genoemde argument dat introductie van het productierecht een negatieve invloed heeft op de waarde van de verpachte gronden en/of gebouwen. Het hof heeft in het bestreden arrest geoordeeld dat hierin noodzakelijk besloten ligt dat het eindigen van het feitelijk gebruik mede relevant is voor het
ontstaanvan een aanspraak van de verpachter.
3.22
Mogelijk bedoelt het hof dit zoals het het zegt, namelijk in de zin dat zolang het feitelijke gebruik nog niet is geëindigd, de verpachter nog geen aanspraak heeft (er bestaat nog geen verbintenis). Ook mogelijk lijkt mij echter dat het hof het anders bedoelt dan het het zegt, namelijk in de zin dat hoewel reeds eerder een aanspraak is ontstaan, die aanspraak eerst kan worden opgeëist vanaf het moment dat het feitelijk gebruik is geëindigd (eerder is er wel reeds een verbintenis, maar die is nog niet opeisbaar). Het
ontstaanen het
opeisbaar wordenvan de aanspraak van de verpachter behoeven immers niet noodzakelijkerwijs op hetzelfde moment plaats te vinden. In het verband van goederenrechtelijke vragen rond levering of verpanding van bestaande onderscheidenlijk toekomstige vorderingen is dát een uitgemaakte zaak, anders dan de vraag waar precies de scheidslijn ligt tussen vorderingen waarvan alleen de opeisbaarheid ontbreekt en vorderingen die ook nog niet bestaan (en dus toekomstig zijn). [18] Over die laatste vraag dadelijk. Ook art. 6:38 BW veronderstelt dat een verbintenis kan bestaan waaraan de opeisbaarheid voorlopig nog ontbreekt.
3.23
In de vraag naar ‘beëindiging van het feitelijk gebruik’ als voorwaarde ligt nog een andere vraag verscholen. De formulering ‘beëindiging van het feitelijk gebruik’ is mijns inziens oneigenlijk. Als een pachter na een definitief einde van de pachtverhouding het voormalige gepachte feitelijk onder zich houdt, is het onzinnig om te beweren dat het ontstaan of de opeisbaarheid van de aanspraak van de verpachter op de hoeveelheid fosfaatrechten die aan de pachtovereenkomst kan worden toegerekend, daardoor wordt uitgesteld. Zoals in dat geval geldt dat de voormalige pachter het voormalige gepachte zonder recht of titel onder zich houdt, zo geldt in dat geval evenzeer dat hij ten onrechte de bedoelde hoeveelheid fosfaatrechten nog niet aan de verpachter ter beschikking stelt. Het is echter duidelijk dat het hof met ‘beëindiging van het feitelijk gebruik’ iets wezenlijk anders op het oog heeft. Een pachtovereenkomst kan eindigen terwijl partijen de pachtverhouding voortzetten door het aangaan van een aansluitende nieuwe pachtovereenkomst. Het hof heeft zich de vraag gesteld wat bepalend is, het einde van de pachtovereenkomst zoals die op het tijdstip van de toekenning van de fosfaatrechten bestond dan wel het einde van de pachtverhouding. Met de formulering ‘beëindiging van het feitelijk gebruik’ brengt het hof tot uitdrukking dat het laatste, het einde van de pachtverhouding, het moment is waarop het aankomt. De Staat verdedigt intussen voor reguliere pacht nog een ánder moment als bepalend, namelijk het moment waarop na ommekomst van de lopende pachttermijn, de wettelijke verlenging met een nieuwe pachttermijn van zes jaren plaatsvindt (art. 7:325 lid 5 BW). [19]
Wanneer ontstaat de aanspraak van de verpachter en wanneer wordt zij opeisbaar?
3.24
Zoals gezegd, zal invoering van een stelsel van productierechten er veelal toe leiden dat de waarde van agrarisch onroerend goed afneemt (hiervoor ‎3.9). Bij de invoering van het fosfaatrechtenstelsel is dit niet anders. Het effect van de invoering van het fosfaatrechtenstelsel op de waarde van agrarisch onroerend goed is extra groot als het specifiek voor een bepaalde vorm van agrarische productie is ingericht, wat zich in het bijzonder met betrekking tot gebouwen zal voordoen. In
ASR/ […]beperkt de pachtkamer van het gerechtshof de aanspraak van de verpachter tot gevallen waarin sprake is van grotere pachtobjecten, zoals een hoeve, melkveestallen en/of gronden ter grootte van 15 ha of meer. [20] Een opvolgend gebruiker die melkvee gaat houden, zal in die gevallen aanzienlijk in fosfaatrechten moeten investeren. In die gevallen zal bij uitstek sprake zijn van een waardedaling van het agrarisch onroerend goed, doordat er verminderde mogelijkheden bestaan voor de verpachter om het onroerend goed zelf te exploiteren of aan een opvolgend gebruiker ter beschikking te stellen.
3.25
Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel waarbij het fosfaatrechtenstelsel is ingevoerd, was oog voor de bedrijfseconomische gevolgen van invoering van het fosfaatrechtenstelsel. Zo heeft de Staatssecretaris van Economische Zaken opgemerkt: [21]
‘Bedrijven met melkvee krijgen vanaf de inwerkingtreding van onderhavig wetsvoorstel om niet fosfaatrechten toegekend op basis van de peildatum van 2 juli 2015. Deze toekenning van fosfaatrechten maakt dat melkveebedrijven die deze rechten krijgen toebedeeld een extra (boekhoudkundige) waarde krijgen. Deze waarde wordt bepaald door de prijs waarvoor rechten kunnen worden verkocht. Afhankelijk van de omvang van het bedrijf en de marktwaarde van de fosfaatrechten die op het bedrijf rusten, zorgt de invoering van dit stelsel voor een aanzienlijke verhoging van de vermogenspositie van melkveebedrijven. Het aanschaffen van fosfaatrechten kan leiden tot het afnemen van de solvabiliteit van het bedrijf. Dit kan bij bedrijven met een ongunstige uitgangspositie een rol gaan spelen in de financiering. Het stelsel van fosfaatrechten kan een effect hebben op de kostprijs. Bedrijven die hun productie wensen uit te breiden dienen hiertoe de benodigde fosfaatrechten aan te schaffen. De prijs waartegen fosfaatrechten aangeschaft worden zijn bepalend voor het effect op de kostprijs. Het is de verwachting dat, na een aanvankelijke piek in de vraagprijs in de periode vlak na inwerkingtreding van het stelsel, de prijs voor fosfaatrechten zich zal stabiliseren op een niveau dat overeenkomt met de prijs waarvoor – omgerekend van kilogrammen vet naar kilogrammen fosfaat – melkquota werden verhandeld.’
Melkveehouders krijgen dus om niet fosfaatrechten die een positieve financiële waarde zullen gaan vertegenwoordigen, hetgeen kan leiden tot een aanzienlijke verhoging van het vermogen van melkveebedrijven. [22] In reactie op vragen uit de Tweede Kamer heeft de staatssecretaris onderkend dat naast melkveehouders ook andere ondernemers in de zuivelketen de gevolgen zullen voelen van de invoering van het fosfaatrechtenstelsel. [23] In dat verband wordt niet uitdrukkelijk of impliciet gewezen op de negatieve invloed die de invoering van het fosfaatrechtenstelsel kan hebben op de waarde van agrarisch onroerend goed.
3.26
Waar de invoering van het fosfaatrechtenstelsel enerzijds leidt tot de verkrijging om niet van een vermogensrecht met een positieve financiële waarde voor de pachter, zal die invoering in het algemeen tegelijkertijd leiden tot waardedaling van het agrarisch onroerend goed dat door de verpachter ter beschikking wordt gesteld voor het melkveebedrijf van de pachter. Die waardedaling zal mijns inziens onmiddellijk bij de invoering van het fosfaatrechtenstelsel intreden. Dat is immers het moment waarop de beperking op de exploitatie van de gronden en gebouwen zich voordoet, ook al worden de gevolgen door verpachter niet ten volle gevoeld voordat de bestaande pachtverhouding eindigt. De beperktere exploitatiemogelijkheden in de toekomst zullen immers reeds direct op het moment van invoering van het fosfaatrechtenstelsel een negatieve invloed hebben op de waarde van de gronden en gebouwen.
3.27
De aanspraak van de verpachter ten aanzien van de fosfaatrechten die toegerekend kunnen worden aan de pachtovereenkomst, is mede, zo niet voornamelijk, een (gedeeltelijke) compensatie voor de zojuist bedoelde waardedaling van het agrarisch onroerend goed van de verpachter. Die aanspraak betreft een vordering tot levering van de fosfaatrechten die aan de pachtovereenkomst kunnen worden toegerekend, [24] vast te stellen op basis van de regels uit het arrest
ASR/‌ […], en wel tegen gelijktijdige betaling door de verpachter van 50% van de waarde van de over te dragen fosfaatrechten. [25] Daaruit volgt dat de aanspraak van de verpachter in beginsel eindigt als het fosfaatrechtenstelsel zou worden ingetrokken, omdat anders sprake zou zijn van een vordering tot levering van niet langer bestaande vermogensrechten. Dat de aanspraak van de verpachter ten aanzien van de fosfaatrechten zal komen te vervallen is ook niet onredelijk, omdat bij het intrekken van het fosfaatrechtenstelsel ook de waardevermindering van het agrarisch onroerend goed die samenhangt met de invoering en het bestaan van dat stelsel normaal gesproken tenietgedaan zal worden, zodat in zoverre de rechtvaardiging voor het bestaan van de aanspraak niet langer aan de orde is.
3.28
We komen nu toe aan de vraag vanaf welk moment de aanspraak van de verpachter ten aanzien van de fosfaatrechten bestaat. Dat is naar zijn aard een lastige vraag. Er bestaat namelijk geen algemeen geldige maatstaf aan de hand waarvan het ontstaansmoment van een vordering kan worden bepaald. In het bijzonder wat betreft niet-opeisbare vorderingen die uit reeds bestaande rechtsverhoudingen voortvloeien, is het kwestieus wat het precieze ontstaansmoment is. Juist dit is aan de orde bij de aanspraak van de verpachter op de fosfaatrechten. Niet-opeisbaarheid kan erop zien dat niet alle ontstaansvereisten voor de vordering zijn vervuld; de verschuldigdheid van de prestatie staat dan nog niet vast. De niet-opeisbaarheid van een vordering kan echter ook zijn gelegen in een omstandigheid die alleen het vorderen van nakoming als zodanig belet: de verschuldigdheid van de prestatie staat al vast, maar de prestatie kan niet worden afgedwongen. In ‘het schemergebied van niet-opeisbare vorderingen uit bestaande rechtsverhoudingen’ (Schuijling), is het de (grote) vraag welke omstandigheden inwerken op de verschuldigdheid van de verbintenis – en daarmee het bestaan van de vordering – en welke slechts op de opeisbaarheid daarvan. [26]
3.29
Er bestaan mijns inziens goede argumenten om aan te nemen dat de aanspraak van de verpachter ten aanzien van de fosfaatrechten reeds op het moment van invoering van het fosfaatrechtenstelsel is ontstaan. Zoals hiervoor uitgezet strekt de aanspraak van de verpachter immers vooral ook tot (onvolledige) compensatie voor de waardevermindering van diens agrarisch onroerend goed zoals die van de invoering van het fosfaatrechtenstelsel in het algemeen het gevolg is. Welnu, als we aannemen dat de aanspraak van de verpachter ten aanzien van de fosfaatrechten meteen op het moment van invoering van het fosfaatrechtenstelsel is ontstaan, dan staat tegenover de waardevermindering van de gronden ook meteen een (niet-opeisbare) vordering tot levering van fosfaatrechten die in beginsel ook een (van de fosfaatrechten afgeleide) bepaalde financiële waarde zal hebben. De mogelijke negatieve gevolgen van de invoering van het fosfaatrechtenstelsel voor de verpachter worden aldus meteen bij de invoering van het stelsel gedempt. [27] Andersom worden ook de mogelijke positieve gevolgen van de invoering van het fosfaatrechtenstelsel voor de pachter gematigd. Tegenover de verkrijging (om niet) van vermogensrechten, staat voor de pachter dan immers de verplichting om de fosfaatrechten aan het einde van de pacht aan de verpachter over te dragen tegen ontvangst van een vergoeding van 50% van de waarde van de over te dragen fosfaatrechten. Daarmee wordt voorkomen dat pachter zich eventueel ten onrechte rijk zou rekenen en wordt meer recht gedaan aan de feitelijke situatie. Een en ander leidt ook tot een meer evenwichtige situatie. Als de aanspraak pas bij het einde van de pacht (en dus ook het feitelijk gebruik van het verpachte) zou ontstaan, dan zou dit tot gevolg hebben dat bij invoering van het fosfaatrechtenstelsel door de waardevermindering van het verpachte het vermogen van de verpachter in eerste instantie (sterker) zou afnemen, terwijl het vermogen van de pachter (sterker) zou toenemen, waarna dit eerst veel later – namelijk bij gelegenheid van het einde van de pacht – meer in balans komt.
3.3
Mijns inziens brengt een redelijke en op de praktijk afgestemde uitleg van de in het arrest
ASR/ […]aanvaarde regel van aanvullend recht daarom mee dat de aanspraak van de verpachter ten aanzien van de fosfaatrechten reeds bij de invoering van het fosfaatrechtenstelsel is ontstaan. Als ik het goed zie, spoort deze uitleg ook met reeds gevestigde rechtspraak van de belastingkamer van de Hoge Raad met betrekking tot het melkquotum. [28] Ook de rechtspraak van de pachtkamer van het gerechtshof met betrekking tot melkquotum veronderstelde steeds dat de aanspraak van de verpachter met betrekking tot dat quotum vanaf de toekenning ervan bestond (hoewel nog niet meteen opeisbaar). Dit blijkt in het bijzonder ook uit de wijze waarop die kamer besliste over tussentijdse vervreemding van het melkquotum door de pachter, met of zonder toestemming van de verpachter. In het geval van tussentijdse vervreemding met toestemming van de verpachter was de pachter 50% van de verkoopopbrengst aan de verpachter verschuldigd, hoewel de pachtovereenkomst dus gewoon doorliep. [29] Dat veronderstelt dat de aanspraak van de verpachter op het melkquotum reeds voor einde van de pacht bestond. In het geval van tussentijdse vervreemding zonder toestemming van de verpachter paste de pachtkamer van het gerechtshof art. 6:80 BW toe (
anticipatory breach). [30] Volgens art. 6:80 BW treden de gevolgen van niet-nakoming soms reeds voor het moment van opeisbaarheid in. Uiteraard veronderstelt niet-nakoming het bestaan van een verbintenis en dus ook de actieve zijde daarvan, de aanspraak van de verpachter.
3.31
Is juist dat de aanspraak van de verpachter ten aanzien van de fosfaatrechten reeds bij de invoering van het fosfaatrechtenstelsel is ontstaan, dan is voor dat
ontstaandus niet bepalend of de pacht is geëindigd, in welke zin dan ook, laat staan of (vervolgens) de pachter het feitelijk gebruik van de verpachte gronden en/of gebouwen heeft beëindigd.
3.32
Zoals gezegd (hiervoor ‎3.21-‎3.22) is het arrest van het hof echter ook zo te lezen dat het hof niet het oog had op het ontstaan van de aanspraak van de verpachter, maar in plaats daarvan op de
opeisbaarheidvan die aanspraak.
3.33
Wanneer wordt de aanspraak van de verpachter ten aanzien van de fosfaatrechten opeisbaar? De rechtspraak van de pachtkamer van het gerechtshof is over de vraag of voor de opeisbaarheid van de aanspraak op de fosfaatrechten moet worden aangesloten bij het moment waarop de lopende pachtovereenkomst eindigt dan wel bij het moment waarop de pachtverhouding eindigt, niet duidelijk. In de hierboven besproken arresten spreekt de pachtkamer herhaaldelijk van
het einde van de pachtals het moment waarop de aanspraak van de verpachter opeisbaar wordt en het moment waarop de waarde van de fosfaatrechten en de door de verpachter te betalen vergoeding moeten worden vastgesteld. De formulering ‘het einde van de pacht’ laat mijns inziens beide lezingen toe. (Over de lezing van de Staat dat het einde van de pachttermijn in de zin van art. 7:325 lid 5 BW is bedoeld, hierna ‎3.47.)
3.34
Dat volgens het hof (in het bestreden arrest) een van de voorwaarden waaronder de verpachter aanspraak heeft op fosfaatrechten is dat de grond en/of gebouwen na het einde van de pachtovereenkomst potentieel minder goed te exploiteren zijn voor de verpachter als de pachter deze zonder fosfaten
oplevert, met de nadruk van het hof op het laatste woord, is mijns inziens niet een heel sterk argument. Het hof kent in mijns inziens te veel gewicht toe aan het gebruik van dat woord. Het enkele feit dat een van de redenen voor het toekennen van de aanspraak van de verpachter is dat de grond en/of gebouwen na het einde van de pachtovereenkomst minder goed te exploiteren zijn voor de verpachter als de pachter deze zonder fosfaatrechten oplevert, sluit op zichzelf niet uit dat de aanspraak al opeisbaar kan zijn voordat daadwerkelijk oplevering van het verpachte aan de verpachter plaatsvindt.
3.35
Zoals gezegd, de pachtkamer van het gerechtshof spreekt in zijn rechtspraak herhaaldelijk over het ‘het einde van de pacht’, en dat is onduidelijk. Er zijn echter overwegingen in het arrest
ASR/ […]die spreken over het ‘het einde van de pachtovereenkomst’. Zo overweegt de pachtkamer van het gerechtshof aan het slot van het tussenarrest (onder 3.26) dat het in het algemeen heeft beslist onder welke voorwaarden de pachter verplicht is tot overdracht van fosfaatrechten aan de verpachter
bij het einde van de pachtovereenkomst. Ook aan het begin van het eindarrest (onder 2.1) schrijft de pachtkamer van het gerechtshof dat het in het tussenarrest de vraag heeft beantwoord of de verpachter
bij het einde van de pachtovereenkomstrecht heeft op overdracht van fosfaatrechten.
3.36
In de zaak
ASR/ […]was het geval aan de orde waarin de pachter en verpachter bij het einde van de pachtovereenkomst voor een deel van het verpachte een koopovereenkomst hadden gesloten. Daardoor zijn aan het einde van de pacht de gebouwen en een deel van de grond niet aan de verpachter opgeleverd. In die context overweegt de pachtkamer van het gerechtshof dat deze keuze van partijen niets afdoet aan de verplichting van de pachter tot overdracht van zijn fosfaatrechten bij het einde van de pacht:
het ijkpunt blijft namelijk het einde van de pachtovereenkomst. Wat de verpachter vervolgens doet – een deel doorverkopen aan de oorspronkelijke pachter of het geheel opnieuw in pacht uitgeven – doet er niet toe, aldus de pachtkamer van het gerechtshof. Ook in de zaak die heeft geleid tot het arrest van uw Raad van 15 december 2023 overwoog het hof uitdrukkelijk dat de gronden voor het ontstaan van een aanspraak van de verpachter niet worden aangetast door de feitelijke invulling die de verpachter
na het einde van de pachtovereenkomstgeeft aan het voorheen verpachte. (Terzijde: hieruit volgt dat om nog andere reden dan hiervoor ‎3.23 genoemd de formulering van ‘beëindiging van het feitelijk gebruik’ als moment waarop de opeisbaarheid van de aanspraak van de verpachter een aanvang zou nemen, oneigenlijk is. Die aanspraak kan ook opeisbaar worden zonder dat het feitelijk gebruik door de voormalige pachter eindigt, zoals in het geval dat de verpachter het verpachte aan de pachter verkoopt.)
3.37
Wie wil, kan in de hiervoor besproken overwegingen van de pachtkamer van het gerechtshof lezen dat het einde van de pachtovereenkomst zoals die ten tijde van de toekenning van de fosfaatrechten bestond, voor het moment van opeisbaarheid bepalend is. Intussen vielen in beide besproken zaken het einde van de pachtovereenkomst en het einde van de pachtverhouding samen: met het einde van de pachtovereenkomst kwam ook een einde aan de pachtverhouding, omdat geen nieuwe pachtovereenkomst tussen partijen werd gesloten. Leest men de overwegingen inderdaad in de hiervoor bedoelde zin, dan is dus sprake van
obiter dicta(overwegingen ten overvloede). Zelfs in een strikt precedentenstelsel als dat van de
common lawzou van binding daaraan dus geen sprake kunnen zijn.
3.38
De Hoge Raad als hogere rechter is aan de rechtspraak van de pachtkamer van het gerechtshof vanzelfsprekend zelfs in het geheel niet gebonden (in een strikt precedentenstelsel zelfs ook niet als de bedoelde overwegingen niet ten overvloede zouden zijn gegeven). Er bestaat dus voor uw Raad en voor mij als uw advocaat-generaal alle reden om zelfstandig te blijven nadenken. Welke argumenten pleiten voor opeisbaarheid van de aanspraak bij het einde van de pachtovereenkomst zoals die gold op het moment van toekenning van de fosfaatrechten (dus ook als vervolgens tussen dezelfde partijen een nieuwe pachtovereenkomst wordt gesloten)? En welke argumenten pleiten in plaats daarvan ervoor om aan te sluiten bij het moment waarop de pachtverhouding tussen partijen eindigt (en dus aan het einde van een pachtovereenkomst geen nieuwe overeenkomst tussen partijen wordt gesloten)?
3.39
Vóór het moment dat de oorspronkelijke pachtovereenkomst eindigt als het moment waarop de verpachter opeisbaar wordt, pleit op het eerste gezicht een vergelijking met de gevallen waarin de verpachter de verpachte onroerende zaak geheel of gedeeltelijk aan de pachter verkoopt of die zaak aan een derde opnieuw in pacht uitgeeft (in beide gevallen kan de verpachter zijn vordering met betrekking tot de aan de pachtovereenkomst toe te rekenen hoeveelheid fosfaatrechten opeisen). Het einde van de oorspronkelijke pachtovereenkomst betekent dat de verpachter als eigenaar vrij is in zijn keuze om hetzij een nieuwe pachtovereenkomst met dezelfde pachter te sluiten hetzij wat anders te doen, zo zou men kunnen denken. Bij zulke vrijheid past vervolgens slecht dat de verpachter met het afsluiten van een nieuwe pachtovereenkomst met dezelfde pachter zichzelf in de vingers zou snijden. Het tijdstip waarop de gebondenheid aan de lopende pachtovereenkomst eindigt en de verpachter weer in vrijheid over het voormalige verpachte de beschikking krijgt, lijkt integendeel hét natuurlijke moment om het nadeel dat de verpachter als gevolg van de introductie van fosfaatrechtenstelsel heeft geleden en het voordeel dat pachter daarvan heeft ondervonden, daadwerkelijk te gaan verevenen (hoezeer ook die verevening onvolkomen is). In het verlengde van deze opvatting ligt het argument van de Staat dat bij de opvatting waarvan het hof is uitgegaan er een prikkel voor een verpachter zou bestaan om bij gelegenheid van einde van de pachtovereenkomst aan te sturen op beëindiging van de pachtverhouding, en de gronden en/of gebouwen aan een derde ter beschikking te stellen, omdat hij dan een vergoeding ten aanzien van de fosfaatrechten ontvangt. [31]
3.4
De voorstelling als zou een einde van de oorspronkelijke pachtovereenkomst impliceren dat de verpachter als eigenaar vrij was in zijn keuze om hetzij een nieuwe pachtovereenkomst met dezelfde pachter te sluiten hetzij wat anders te doen, moet echter belangrijk worden gerelativeerd. Uit het arrest
ASR/ […]volgt dat een van de voorwaarden voor het verkrijgen van een aanspraak door de verpachter is dat tussen verpachter en pachter op 2 juli 2015 een reguliere pachtovereenkomst bestond of een geliberaliseerde pachtovereenkomst die bij het aangaan twaalf jaar of langer duurt. De onderstaande tabel over de situatie in 2015 is ontleend aan gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). [32] Deze tabel geeft een overzicht van landbouwgrond (in ha) naar gebruikstitel in Nederland. Ik kies ervoor het eerste en laatste jaar waarvan gegevens beschikbaar zijn (2008 en 2024) en het jaar dat in deze zaak relevant is (2015) weer te geven.
2008
2015
2024
Erfpacht
35.343
42.005
53.057
Pacht
513.377
476.89
449.887
- w.v. reguliere pacht
378.962
285.569
222.746
- teeltpacht
12.418
13.715
26.876
- eenmalige pacht [33]
92.002
73.555
-
- pacht van geringe oppervlakten (< 1 ha)
1.287
1.007
1.146
- verpachting binnen reservaten (natuurpacht)
7.493
6.424
5.217
- geliberaliseerde pacht (> 6 jaar)
2.257
7.119
16.463
- geliberaliseerde pacht (< 6 jaar)
18.961
89.499
177.439
In verband met de genoemde voorwaarde uit het arrest
ASR/ […]komen alleen de rijen ‘reguliere pacht’ en ‘geliberaliseerde pacht (> 6 jaar)’ in aanmerking. Ik merk op dat in laatstgenoemde categorie uiteraard ook pachtovereenkomsten kunnen vallen van langer dan zes jaar, maar korter dan twaalf jaar, en dat van beide categorieën niet bekend is welk aandeel van de verpachte gronden wordt gebruikt door melkveehouderijen en in hoeverre deze vervolgens voldoen aan de overige voorwaarden uit het arrest
ASR/ […]. Ik merk nog op dat geliberaliseerde pacht alleen ten aanzien van los land mogelijk is (art. 7:397 BW) en dus niet ten aanzien van gebouwen. Hoewel de precieze verhoudingen niet kunnen worden vastgesteld, is op grond van deze gegevens van het CBS duidelijk dat in het overgrote deel van de gevallen waarvoor de leer van
ASR/ […]geldt, in 2015 sprake was van reguliere pacht en slechts voor een relatief zeer klein aantal gevallen van geliberaliseerde pacht voor twaalf jaar.
3.41
Op grond van art. 7:325 lid 5 BW wordt de pachtovereenkomst bij reguliere pacht steeds van rechtswege met zes jaren verlengd. Weliswaar is opzegging door de verpachter tegen het einde van de pachtermijn respectievelijk beëindiging van de pacht op vordering van de verpachter mogelijk, maar dat is en blijft een uitzonderingsgeval in verband met het stelsel van limitatieve beëindigingsgronden van art. 7:370 BW. Toch worden in mijn ervaring [34] geregeld tussen dezelfde verpachter en pachter nieuwe pachtovereenkomsten gesloten. [35] Dit zijn echter dan alleen ‘nieuwe’ overeenkomsten in een technische zin, want met als achtergrond dat partijen het eenvoudiger vinden hun rechtsverhouding als geheel opnieuw te regelen in plaats van een wijzigingsovereenkomst te sluiten. Mijns inziens is deze praktijk een krachtig argument tegen de zojuist bedoelde opvatting van de regel van aanvullend recht van
ASR/‌ […]volgens welke
na afloop van de pachtovereenkomstde aanspraak van de verpachter ter zake van fosfaatrechten opeisbaar wordt (in plaats van
na afloop van de pachtverhouding). Uitgaande van die opvatting dreigt dat een pachter die argeloos een nieuwe pachtovereenkomst sluit die de bestaande pachtverhouding bestendigt, vervolgens wordt overvallen door een vordering van de verpachter met betrekking tot de fosfaatrechten. [36] Natuurlijk zijn niet alle pachters argeloos en hebben zij vaak een adviseur, zodat velen van hen zo verstandig zullen zijn om voor het sluiten van een nieuwe pachtovereenkomst (en daarmee het prijsgeven van de veiligheid van de oude) als voorwaarde te stellen dat de aanspraak van de verpachter ter zake van de fosfaatrechten wordt doorgeschoven. Maar een opvatting van een regel van aanvullend recht die potentieel pachters kan verrassen omdat zij niet aansluit bij de gewone bescherming die het pachtrecht hen biedt, kan mijns inziens toch niet de juiste opvatting zijn.
3.42
Een tegenstelde opvatting van het aanvullend recht volgens welke eerst
na afloop van de pachtverhoudingover de fosfaatrechten tussen verpachter en pachter wordt afgerekend, past mijns inziens goed bij de overweging van de pachtkamer van het gerechtshof in
ASR/ […]dat de grond en/of gebouwen ‘na het einde van de pachtovereenkomst’ potentieel minder goed te exploiteren voor de verpachter indien de pachter deze zonder fosfaatrechten oplevert. [37] Die reden (één van de drie door het hof genoemde samenhangende redenen, zie het citaat hiervoor ‎3.16) doet zich eerst aan het einde van de
pachtverhoudingvoor en niet in het geval van een eerder formeel einde van de lopende pachtovereenkomst.
3.43
Een opvatting volgens welke in het geval van een voortzetting van de pachtverhouding bij nieuwe pachtovereenkomst de aanspraak van de verpachter nog niet opeisbaar wordt, sluit mijns inziens bovendien aan bij de strekking van de publiekrechtelijke regeling van de fosfaatrechten. Die rechten zijn om niet aan de in het referentiejaar reeds actieve agrarische ondernemers met rundvee toegekend, zodat zij niet in deze rechten hebben behoeven te investeren. Daarbij past slecht dat pachters die een nieuwe pachtovereenkomst met de verpachter aangaan, alsnog fosfaatrechten zouden moeten gaan kopen (wat veelal niet zonder financiering mogelijk zal zijn). Een dergelijk resultaat kan de wetgever mijns inziens niet bedoeld hebben.
3.44
In dit verband verdient opmerking dat de rechtspraak met betrekking tot het voormalige melkquotum uitdrukkelijk luidde in de zojuist bedoelde zin, dus volgens welke een nieuwe pachtovereenkomst tussen verpachter en pachter leidde tot een doorschuiven van de aanspraak van de verpachter tot het einde van de pachtverhouding. [38] Die rechtspraak beriep zich daarvoor op de strekking van de EEG-verordening waarbij het quotum was ingesteld. [39]
3.45
Literatuur die zich met zoveel woorden over de kwestie uitlaat, heb ik niet gevonden. Uiteraard is er de nodige literatuur die weergeeft wat de pachtkamer van het gerechtshof in
ASR/ […]heeft beslist, en dan daaruit overschrijft dat de verpachter ‘bij het einde van de pachtovereenkomst’ aanspraak heeft op de fosfaatrechten, [40] maar dat is nog niet een (doordachte) keuze voor de ene dan wel andere opvatting. [41]
3.46
Het zal de lezer inmiddels duidelijk zijn naar welke opvatting mijn voorkeur uitgaat. De argumenten die pleiten voor opeisbaarheid van de aanspraak van de verpachter ter zake van de fosfaatrechten op het moment waarop de pachtverhouding tussen partijen eindigt, hebben een aanzienlijk zwaarder gewicht dan de argumenten voor het formele moment van het einde van de pachtovereenkomst zoals die gold op het moment van toekenning van de fosfaatrechten.
3.47
Het is inmiddels de hoogste tijd om onder ogen te zien dat, zoals hiervoor ‎3.23 aangestipt, de Staat met betrekking tot reguliere pacht een ander moment dan het einde van de pachtovereenkomst dan wel van de pachtverhouding als bepalend ziet, namelijk het moment waarop na ommekomst van de lopende pachttermijn, de wettelijke verlenging met een nieuwe pachttermijn van zes jaren plaatsvindt (art. 7:325 lid 5 BW). [42] Dat die opvatting moet worden verworpen, ligt in het voorgaande reeds besloten. Er is niets in de rechtspraak van de pachtkamer van het gerechtshof of van uw Raad wat erop wijst dat die lezing juist zou kunnen zijn. Zij zou als consequentie hebben dat vanaf de invoering van het fosfaatrechtenstelsel alle pachters van wie de lopende pachttermijn afliep de financiële middelen moeten zien te vinden om met de verpachter af te rekenen, behoudens welwillendheid van de verpachter om zijn aanspraak door te schuiven. Niet alleen voor pachters zou de interpretatie van de Staat een hoogst onaangename verrassing opleveren, zij zou dat inmiddels (meer dan tien jaar na invoering van het fosfaatrechtenstelsel) beslist ook doen voor verpachters (waaronder mogelijk de Staat zelf). Alle verpachters die – bij mijn weten in overeenstemming met de algemene opvatting in de agrarische praktijk – erop vertrouwden dat de zesjaarlijkse verlenging nog niet het moment van opeisbaarheid was, zouden dan immers erachter moeten komen dat hun aanspraak inmiddels is verjaard (art. 3:307 BW). Om deze redenen is de interpretatie van de Staat mijns inziens niet werkelijk een optie.
Bespreking klachten
3.48
Tegen de achtergrond van al het voorgaande kom ik nu toe aan een bespreking van de klachten van de
subonderdelen 2.1-2.2(hiervoor ‎3.2 reeds weergegeven). Hoewel de klachten niet onderscheiden tussen het moment van het ontstaan van de aanspraak van de verpachter ter zake van de fosfaatrecht en de opeisbaarheid van die aanspraak, is duidelijk dat de klachten veronderstellen dat die aanspraak opeisbaar is bij het einde van de pachtovereenkomst en wat betreft reguliere pacht zelfs reeds bij het einde van de lopende pachttermijn. Die veronderstelling is onjuist (uitvoerig hiervoor). In plaats daarvan is de bedoelde aanspraak eerst opeisbaar op het moment van het einde van de pachtverhouding.
3.49
Dat de rechtsopvatting waarvan het cassatiemiddel uitgaat, onjuist is, is tegen de achtergrond van art. 25 Rv niet per se beslissend voor het lot van de klachten van de Staat. Het welslagen van die klachten vereist vanzelfsprekend wel dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting zou zijn uitgegaan. Hoewel de formulering van het oordeel van het hof niet onberispelijk is, dunkt mij dat een welwillende lezing van dat oordeel meebrengt dat we aan het hof niet onnodig een onjuiste rechtsopvatting behoren toe te dichten. Waar het hof zegt dat het ontstaan van de aanspraak van verpachter met betrekking tot fosfaatrechten ‘verbonden is aan niet alleen het eindigen van de pachtovereenkomst maar ook aan het eindigen van het feitelijk gebruik van de ter beschikking gestelde grond (en/of gebouwen)’ (rechtsoverweging 5.5) behoren we dit mijns inziens op te vatten in de zin dat voor de
opeisbaarheidvan de verbintenis het einde van de pachtverhouding bepalend is. Die opvatting is juist. Daarom moeten de klachten falen.
3.5
Subonderdeel 2.3gaat uit van een lezing volgens welke het hof wel ook van de door de Staat verdedigde rechtsopvatting is uitgegaan, maar daarop een uitzondering heeft aanvaard. Ik zie voor die lezing geen grond.
3.51
Ook
subonderdeel 2.4mist feitelijke grondslag. Het hof heeft niet geoordeeld dat de Staat in het geheel geen aanspraak ter zake van de fosfaatrechten heeft, maar alleen dat die aanspraak nog niet opeisbaar is.
3.52
Subonderdelen 2.5 en 2.6behelzen uitsluitend voortbouwklachten, die in het lot van de voorgaande klachten moeten delen.
3.53
Het moet mij van het hart dat waar de Staat een verklaring voor recht vorderde met betrekking tot een aanspraak van de Staat op fosfaatrechten, ik mij zeer wel had kunnen voorstellen dat het hof niet zou zijn gestopt bij zijn op zichzelf juiste gevolgtrekking dat een eventuele aanspraak van de Staat nog niet opeisbaar is. Het ligt immers voor de hand dat partijen ook belang kunnen hebben bij duidelijkheid over het bestaan (of niet-bestaan) en de kenmerken van een nog niet opeisbare aanspraak van de Staat ter zake van de fosfaatrechten. Een en ander veronderstelt dan echter een uitleg van de vordering van de Staat die anders is dan die het hof daaraan kennelijk heeft gegeven, [43] dan wel een andere beoordeling van het belang van de Staat bij een ruim opgevatte vordering. [44] Het een noch het ander wordt echter door enige klacht aan de orde gesteld.
3.54
Volgens het voorgaande slaagt geen van de cassatieklachten van de Staat. Daarmee komen we mijns inziens ook in cassatie niet toe aan de vraag of de uitgangspunten van het arrest
ASR/ […]ook zouden kunnen of moeten gelden in het geval van erfpacht. De Staat heeft in zijn schriftelijke toelichting verzocht om eventueel in een overweging ten overvloede die vraag tot te beslissen. [45] Waar het hof de vraag geheel in het midden heeft gelaten (met de daaraan verbonden gevolgen voor de inhoud van het partijdebat in cassatie), ligt dat mijns inziens niet zeer voor de hand. Zou uw Raad de vraag tóch willen beslissen, dan ben ik bereid om aanvullend te concluderen.
3.55
Ik merk ten slotte nog op dat de praktijk belang heeft bij verduidelijking van de kwestie op welk moment een eventuele aanspraak van een verpachter ter zake van fosfaatrechten opeisbaar is. Mijns inziens ligt daarom toepassing van art. 81 RO niet voor de hand.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.In deze formulering blijft nog even opzettelijk in het midden in welke zin de bedoelde rechtspraak moet worden opgevat. Gaat het om het einde van de pachtovereenkomst, van de pachtverhouding of eventueel van de pachttermijn in de zin van art. 7:325 BW? En is dat einde een voorwaarde voor het ontstaan van de aanspraak van de verpachter dan wel ontstaat die aanspraak eerder, maar is het bedoelde einde voorwaarde voor de opeisbaarheid van de aanspraak? Deze vragen komen bij de bespreking van het cassatiemiddel aan de orde.
2.Zie hof Arnhem-Leeuwarden (pachtkamer) 26 maart 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:2544 en 24 september 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:7664, TvAR 2019/8005 m.nt. H.A. van Bommel (ASR/ […] ).
3.Zie hof Arnhem-Leeuwarden (locatie Leeuwarden) 5 november 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6783, onder 3.
4.Het hof verwijst in een voetnoot naar Kamerstukken II, 1997-1998, 24 490, nr. 7, p. 6.
5.Partijen zijn overeengekomen dat het geding dadelijk ter kennis zou worden gebracht van het gerechtshof dat in hoger beroep bevoegd zou zijn (prorogatie, art. 329 Rv). Zie productie 1 bij de inleidende dagvaarding.
6.Voetnoot in origineel: Zie hof Arnhem-Leeuwarden (pachtkamer) 26 maart 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:2544 en 24 september 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:7664. Zie ook: HR 15 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1756.
7.Voetnoot in origineel: Zie hof Arnhem-Leeuwarden (pachtkamer) 26 maart 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:2544, onder 3.14.
8.Voetnoot in origineel: Zie hof Arnhem-Leeuwarden (pachtkamer) 9 april 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:3034 en 24 mei 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:4224 en ECLI:NL:GHARL:2022:4228.
9.Deze inleidende opmerkingen zijn grotendeels ontleend aan mijn meer uitvoerige beschouwingen in Asser/Valk 7-III 2024/572 e.v.
10.Het zojuist gemaakte voorbehoud ‘geheel of gedeeltelijk’ hangt ermee samen dat de rechtspraak aanneemt dat de pachter het productierecht niet om niet aan de verpachter behoeft af te staan, maar tegen vergoeding van in beginsel de helft van de waarde ervan. Er behoeft dus zeker geen volledige verevening van de financiële voor- en nadelen van de introductie van het productierecht plaats te vinden.
11.Hof Arnhem-Leeuwarden (pachtkamer) 26 maart 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:2544 (ASR/ […] ).
12.Hof Arnhem-Leeuwarden (pachtkamer) 26 maart 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:2544, onder 3.23 (ASR/ […] ).
13.Hof Arnhem-Leeuwarden (pachtkamer) 26 maart 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:2544, onder 3.24 (ASR/ […] )..
14.Hof Arnhem-Leeuwarden (pachtkamer) 24 september 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:7664, onder 2.2 (ASR/ […] )..
15.Hof Arnhem-Leeuwarden (pachtkamer) 19 april 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:3034.
16.HR 15 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1756, NJ 2024/14, onder 3.2.
17.Hof Arnhem-Leeuwarden (pachtkamer) 14 oktober 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:6361, onder 3.10.
18.Vergelijk Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2025/267-267i.
19.Procesinleiding in cassatie, p. 5.
20.Zie Hof Arnhem-Leeuwarden (pachtkamer) 26 maart 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:2544, onder 3.18 (ASR/‌ […] ).
21.Kamerstukken II, 2015-2016, 34 532, nr. 3, p. 31-32.
22.Zie ook Kamerstukken II, 2016-2017, 34 532, nr. 7, p. 82 en 87-88.
23.Kamerstukken II, 2016-2017, 34 532, nr. 27, p. 31.
24.De pachter kan (en zal veelal ook) ook nog ander agrarisch onroerend in gebruik hebben. Aan de verpachter komt uiteraard niet een recht op levering van de totale hoeveelheid aan de pachter als agrarische ondernemer toegekende fosfaatrechten toe, maar van een evenredig deel daarvan. Vandaar dat ik spreek over de fosfaatrechten ‘die aan de pachtovereenkomst kunnen worden toegerekend’. Vergelijk Asser/Valk 7-III 2024/592.
25.Voor de volledigheid merk ik op dat de rechtspraak van de pachtkamer van het gerechtshof slechts inhoudt dat onder de daarin genoemde voorwaarden een aanspraak kan bestaan van de verpachter op de verkrijging van de juiste hoeveelheid fosfaatrechten, tegen gelijktijdige betaling van 50% van de waarde ervan. De Staat merkt (op p. 5 van de procesinleiding) terecht op dat het onder omstandigheden – bij voorgezet feitelijk gebruik van de grond door pachter na het einde van de pachtovereenkomst, op welke grond dan ook – niet in de rede ligt om de fosfaatrechten daadwerkelijk over te dragen (en later eventueel weer terug over te dragen) en dat beide partijen er belang bij kunnen hebben om in dat geval een financiële afwikkeling overeen te komen, mede gelet op de afroming van fosfaatrechten bij overdracht (thans 30%). Eveneens denkbaar zou zijn geweest een regel die erop neerkomt dat de pachter aan het einde van de pachtverhouding een bedrag in geld aan de verpachter zou voldoen, maar daarvoor heeft de rechtspraak niet gekozen. Zie ook Asser/Valk 7-III 2024/602. Uit de bedoelde rechtspraak volgt dus niet een aanspraak tot verkrijging van een waardevergoeding en het is aan partijen zelf om hierover eventueel passende afspraken te maken. In deze zaak ligt een dergelijke afspraak besloten in artikel 10 lid 2 sub e van de akte van erfpacht van 1 februari 2023.
26.B.A. Schuijling,
27.Intussen kan de waarde van de vordering tot levering van fosfaatrechten gemakkelijk worden overdreven, omdat – althans bij langlopende pachtovereenkomsten – immers onzeker is (i) wanneer de pacht eindigt en de vordering opeisbaar wordt en (ii) of het fosfaatrechtenstelsel tegen die tijd nog bestaat.
28.Zie HR (belastingkamer) 13 oktober 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5481, BNB 1993/359, onder 3.1-3.2: Als gevolg van de invoering van het melkquotum in 1984 heeft zowel de pachter als de verpachter een vermogensrecht met betrekking tot dat quotum verkregen. Het aan de verpachter toekomende recht is in 1984 tot zijn vermogen gaan behoren.
29.Hof Arnhem (pachtkamer) 28 december 2004,
30.Onder meer Hof Arnhem (pachtkamer) 9 november 2010, ECLI:NL:GHARN:2010:BO3607,
31.Procesinleiding in cassatie, p. 5. De rechtspraak gaat niet uit van een door de pachter aan de verpachter te betalen vergoeding, maar van oplevering van de fosfaatrechten door de pachter aan de verpachter tegen een vergoeding van 50% van de waarde daarvan (dat is dus een door de verpachter aan de pachter te betalen vergoeding). De Staat refereert kennelijk aan een gangbare praktijk waarin partijen afwijken van het aanvullend recht door de fosfaatrechten bij de pachter te laten tegen een door de pachter aan de verpachter te betalen vergoeding.
32.Zie https://www.cbs.nl/nl-nl/maatwerk/2025/28/landbouwgrond-naar-gebruikstitels-per-provincie-2008-2024.
33.De mogelijkheid van ‘eenmalige pacht’ is ingevoerd in 1995. Een overeenkomst van eenmalige pacht kon worden aangegaan voor een periode van maximaal twaalf jaren. Aangenomen wordt dat eenmalige pachtovereenkomsten na 1 september 2007 (bij de invoering van titel 7.5 BW) zijn omgezet naar geliberaliseerde pachtovereenkomsten. Zie Asser/Valk 7-III 2024/564. Uit de cijfers van het CBS blijkt dat (een deel van) deze overeenkomsten ook nadien nog zijn opgegeven als eenmalige pachtovereenkomsten. In theorie is denkbaar dat er in 2015 sprake was van voormalige eenmalige pachtovereenkomsten met een looptijd van twaalf jaren, die vervolgens zijn omgezet naar geliberaliseerde pachtovereenkomsten, zodat deze mogelijk ook kunnen voldoen aan de voorwaarden uit het arrest
34.Tot mijn benoeming in 2016 als advocaat-generaal in het Parket bij de Hoge Raad was ik voorzitter van de pachtkamer van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en van de Centrale Grondkamer. Ik refereer aan mijn herinneringen aan wat ik toen heb zien langskomen.
35.Of eventueel tussen dezelfde verpachter en een bedrijfsopvolger. Zulke overeengekomen indeplaatsstelling geschiedt tegen de achtergrond van de bescherming die de wettelijke regeling het familiebedrijf van de pachter biedt, met in art. 7:363 BW de mogelijkheid van indeplaatsstelling door de rechter.
36.Ik zeg niet dat zo’n overval dan altijd toelaatbaar zou zijn, want uiteraard zijn er regels die de pachter tegen gewiekstheid van de verpachter kunnen beschermen, zoals de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 2 BW) en mogelijk ook de wilsgebreken (art 3:44 en 6:228 BW). Ik meen echter dat een pachter niet van zulke correcties afhankelijk zou moeten zijn.
37.Rechtsoverweging 3.14.
38.Hof Arnhem 19 februari 2008, ECLI:NL:GHARN:2008:BC7324,
39.Zie rechtsoverwegingen 4.5 en 4.7 van de in de vorige noot vermelde uitspraak, met een beroep op HvJ EG 13 juli 1989, nr. 5/88 (Wachauf/Bondsrepubliek Duitsland).
40.Bijvoorbeeld A.K. van der Vis, ‘De civiele kant van productierechten’, Preadvies Vereniging voor Agrarisch Recht 2023,
41.Zelf spreek ik in Asser/Valk 7-III 2024/602 consequent over een aanspraak van de verpachter ter zake van productierechten bij gelegenheid
42.Procesinleiding in cassatie, p. 5.
43.Ik lees in rechtsoverweging 5.5, derde volzin, dat het hof het element ‘tijdstip’ in de formulering van de vordering van de Staat (zie de weergave van de vordering onder 4 van ’s hofs arrest) heeft opgevat als einde van het voorgaande erfpachtrecht, namelijk 31 oktober 2021.
44.Voor het geval dat in de vierde volzin van rechtsoverweging 5.5 een beslissing over dat belang moet worden gelezen.
45.Zie de schriftelijke toelichting van de Staat, onder 4.1.