ECLI:NL:RBALM:2010:BN1369
Rechtbank Almelo
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid vervolging wegens ne bis in idem na disciplinaire straf in penitentiaire inrichting
Een gedetineerde werd door de directeur van de penitentiaire inrichting (PI) disciplinair bestraft met 14 dagen opsluiting in een strafcel wegens mishandeling van een ambtenaar en het verstoren van de orde. Vervolgens startte de officier van justitie een strafrechtelijke vervolging voor dezelfde gedraging. De politierechter oordeelde dat de disciplinaire straf onder de Penitentiaire Beginselenwet (Pbw) als strafrechtelijke sanctie moet worden gekwalificeerd en dat het ne bis in idem-beginsel, zoals verankerd in artikel 50 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, een tweede vervolging voor hetzelfde feit verbiedt.
De officier van justitie stelde ontvankelijk te zijn omdat de disciplinaire straf een andere aanleiding had en een ander belang diende dan de strafrechtelijke vervolging. De politierechter verwierp dit en stelde vast dat het feitelijk om hetzelfde feit ging en dat de disciplinaire straf onherroepelijk was opgelegd. De nationale wetgeving bevatte geen regeling die dubbele vervolging uitsluit, maar het Europese recht, waaronder jurisprudentie van het EHRM, stond dit wel in de weg.
De politierechter verklaarde de officier van justitie niet ontvankelijk en wees ook de vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde werkstraf af. Verdachte was niet persoonlijk verschenen, maar werd vertegenwoordigd door een raadsman. De uitspraak benadrukt de noodzaak van wettelijke regulering omtrent samenloop van disciplinaire en strafrechtelijke procedures binnen penitentiaire inrichtingen.
Uitkomst: De officier van justitie wordt niet ontvankelijk verklaard wegens schending van het ne bis in idem-beginsel.