ECLI:NL:RBAMS:2006:AV1668
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Belangenafweging bij DNA-bepaling minderjarige veroordeelde wegens geweld
De rechtbank Amsterdam behandelde het bezwaar van een minderjarige veroordeelde tegen het bepalen en verwerken van haar DNA-profiel in de DNA-databank. De veroordeelde was op 13-jarige leeftijd veroordeeld voor geweld tegen personen en goederen, waarbij sprake was van relatief licht geweld en een zorgelijke ontwikkeling volgens de Raad voor de Kinderbescherming.
De officier van justitie had het bevel tot DNA-afname gegeven, waarbij werd gewezen op het risico van recidive. De rechtbank stelde vast dat de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden geen uitzondering maakt voor minderjarigen, maar dat een zorgvuldige belangenafweging noodzakelijk is, waarbij de belangen van de minderjarige voorop staan.
Gezien de lichte aard van het feit, de leeftijd van de veroordeelde en de begeleiding via Bureau Jeugdzorg, concludeerde de rechtbank dat de belangenafweging in het voordeel van de minderjarige uitvalt. Daarom werd het bezwaar gegrond verklaard en werd de officier van justitie bevolen het celmateriaal te vernietigen.
De uitspraak benadrukt het belang van een individuele beoordeling bij minderjarigen en het wegen van internationale kinderrechtenverdragen in de toepassing van de Wet DNA-onderzoek.
Uitkomst: Het bezwaar tegen DNA-bepaling en verwerking van de minderjarige wordt gegrond verklaard en het celmateriaal dient te worden vernietigd.