ECLI:NL:PHR:2008:BC8231
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Cassatie in belang der wet over DNA-onderzoek bij minderjarige veroordeelden
Deze zaak betreft een vordering tot cassatie in het belang der wet tegen een beschikking van de Rechtbank Middelburg die het bezwaarschrift van een minderjarige veroordeelde tegen het bepalen en verwerken van haar DNA-profiel gegrond verklaarde. De veroordeelde was op 15-jarige leeftijd veroordeeld voor mishandeling en werd verplicht celmateriaal af te staan voor DNA-onderzoek. De Rechtbank had een belangenafweging gemaakt waarbij het stigmatiserende effect van DNA-afname bij minderjarigen zwaar woog, mede gelet op het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK).
De Hoge Raad stelt voorop dat de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden geen onderscheid maakt tussen meerderjarigen en minderjarigen en dat de officier van justitie verplicht is een bevel tot afname van celmateriaal te geven, tenzij een van de in de wet genoemde uitzonderingen zich voordoet. Een verdere belangenafweging is niet voorzien in het wettelijke systeem. Ook het IVRK, met name de artikelen 3 en 40, biedt geen grondslag voor een aparte belangenafweging bij minderjarigen in dit kader.
De Hoge Raad verwijst naar de parlementaire geschiedenis en eerdere rechtspraak die uiteenlopende opvattingen vertonen over de toepassing van de wet bij minderjarigen. De Hoge Raad benadrukt dat het DNA-onderzoek geen straf is en geen afbreuk doet aan de waardigheid of herintegratie van het kind. Het verwerken van DNA-profielen kan juist bijdragen aan resocialisatie en het voorkomen van recidive. De Hoge Raad vernietigt de bestreden beschikking en stelt dat de wetgever bewust geen uitzondering voor minderjarigen heeft gemaakt.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de Rechtbank Middelburg en stelt dat de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden zonder onderscheid geldt voor minderjarige en meerderjarige veroordeelden.