ECLI:NL:PHR:2008:BC8234
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Cassatie in belang der wet over toepassing Wet DNA-onderzoek bij minderjarige veroordeelden
Deze zaak betreft een cassatie in het belang der wet over de toepassing van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, specifiek bij minderjarige veroordeelden. De rechtbank had een bezwaarschrift van een dertienjarige veroordeelde gegrond verklaard tegen het bevel tot afname van celmateriaal voor DNA-onderzoek, waarbij zij een belangenafweging maakte tussen de persoonlijke belangen van de minderjarige en het maatschappelijk belang. De Hoge Raad stelt dat de Wet geen ruimte laat voor een dergelijke belangenafweging en dat de officier van justitie verplicht is een bevel te geven tenzij een van de in de wet genoemde uitzonderingen zich voordoet.
De Wet maakt geen onderscheid tussen meerderjarige en minderjarige veroordeelden. De artikelen 3 en 40 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) spelen geen rol bij de beoordeling van bezwaren tegen DNA-afname. De Hoge Raad benadrukt dat het bepalen en verwerken van een DNA-profiel geen straf is, maar een maatregel die bijdraagt aan opsporing en preventie van strafbare feiten. De uitzonderingen in de wet betreffen de aard van het misdrijf en bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd, waarbij leeftijd mogelijk een rol kan spelen.
De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de rechtbank Amsterdam die het bezwaarschrift gegrond verklaarde en bevestigt dat de Wet een uniform systeem hanteert zonder aparte maatstaven voor minderjarigen. De beslissing draagt bij aan rechtseenheid en verduidelijkt dat het IVRK geen aanleiding geeft tot een afwijkende toepassing van de Wet DNA-onderzoek bij minderjarigen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de rechtbank en stelt dat de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden zonder onderscheid op minderjarigen van toepassing is.