ECLI:NL:RBAMS:2006:BD3830
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toestemming tot overlevering voor tenuitvoerlegging voorwaardelijke vrijheidsstraf ondanks ontbreken verstekgarantie
De rechtbank Amsterdam behandelde op 5 december 2006 een vordering tot overlevering van een Poolse veroordeelde, opgeëist voor de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke vrijheidsstraf van twee jaar en zeventien dagen. De straf was opgelegd door het District Court in Srem (Polen) en de overlevering werd gevraagd op grond van een Europees aanhoudingsbevel van 18 februari 2005.
De verdediging voerde aan dat het besluit tot tenuitvoerlegging van de straf, genomen op 11 september 2001, buiten aanwezigheid van de veroordeelde was genomen en dat de Poolse autoriteiten geen verstekgarantie hadden verstrekt zoals vereist volgens artikel 12 van Pro de Overleveringswet (OLW). De rechtbank oordeelde echter dat het besluit van 11 september 2001 niet als een verstekvonnis in de zin van de OLW kan worden aangemerkt, omdat het slechts betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van een eerder op tegenspraak gewezen vonnis van 20 mei 1999.
Verder werd vastgesteld dat het feit waarvoor de overlevering wordt gevraagd, te weten fraude met een vooropgezet plan en winstoogmerk, onder nummer 8 van bijlage 1 bij de OLW valt, zodat het vereiste van dubbele strafbaarheid niet geldt. De rechtbank verwierp het verweer dat het feit niet strafbaar zou zijn naar Nederlands recht.
De rechtbank concludeerde dat aan alle wettelijke eisen voor overlevering was voldaan en stond de overlevering toe. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering toe voor de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke vrijheidsstraf zonder verstekgarantie.