ECLI:NL:RBAMS:2009:BJ4810
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering overlevering voor tenuitvoerlegging vrijheidsstraffen, toestemming voor vervolging nieuw feit corruptie
De rechtbank Amsterdam behandelde op 22 juli 2009 een verzoek tot overlevering van een Nederlander aan Polen. Het verzoek betrof enerzijds de tenuitvoerlegging van twee onherroepelijke vrijheidsstraffen en anderzijds een strafrechtelijk onderzoek naar corruptie. De overlevering voor het uitzitten van de vrijheidsstraffen werd geweigerd op grond van artikel 6, tweede lid, van de Overleveringswet, omdat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit bezit.
De overlevering voor het nieuwe feit van corruptie werd wel toegestaan. De verdediging voerde onder meer aan dat het feit niet als corruptie kwalificeert, de opgeëiste persoon onschuldig is, en dat overlevering zou leiden tot schending van fundamentele mensenrechten, waaronder het recht op een eerlijk proces en effectieve verdediging. De rechtbank verwierp deze verweren omdat de aangevoerde feiten en omstandigheden onvoldoende waren onderbouwd en het vertrouwen in de Poolse justitiële autoriteiten prevaleert.
Daarnaast werd een humanitair verweer aangevoerd tegen overlevering, dat niet door de rechtbank kon worden meegenomen maar onder de bevoegdheid van de officier van justitie valt. De rechtbank concludeerde dat aan alle wettelijke eisen voor overlevering voor het nieuwe strafrechtelijk onderzoek was voldaan en besloot de overlevering voor dat doel toe te staan, terwijl de overlevering voor de uitvoering van de vrijheidsstraffen werd geweigerd.
Uitkomst: De rechtbank staat overlevering toe voor vervolging van corruptie, maar weigert overlevering voor uitvoering van onherroepelijke vrijheidsstraffen.