ECLI:NL:RBAMS:2011:BR5797

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
22 juli 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 10-5752 WAZ
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.J. Bongers-Scheijde
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 58 WAZArt. 4:6 AwbArt. 8:51b Awb
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling maatmaninkomen en maatmanloon bij WAZ-uitkering na scooterongeluk

Eiser, een zelfstandig schilder, raakte in april 2001 arbeidsongeschikt door een scooterongeluk in Thailand. Na diverse besluiten en rechtszaken werd hem per 4 november 2005 een WAZ-uitkering toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het geschil betrof de juiste vaststelling van het maatmaninkomen en het maatmanloon waarop de uitkering is gebaseerd.

Eiser stelde dat het jaar 2000 niet representatief was voor zijn verdiencapaciteit omdat de fiscus toen ambtshalve een nettowinst van nihil had vastgesteld, terwijl hij wel omzet had gemaakt. Ook voerde hij aan dat de maatmanomvang van 40 uur per week te hoog was, omdat hij niet het hele jaar door werkte. De rechtbank stelde vast dat eiser door het ongeluk niet in staat was belastingaangifte te doen over 2000 en dat de ambtshalve vastgestelde winst over dat jaar geen reële afspiegeling vormde van zijn verdiencapaciteit.

De rechtbank oordeelde dat verweerder had moeten afwijken van de hoofdregel en het jaar 2000 buiten beschouwing had moeten laten bij de berekening van het maatmaninkomen. De maatmanomvang van 40 uur per week werd gehandhaafd omdat het niet gebruikelijk is om rekening te houden met niet-werkperiodes en eiser in de weken dat hij werkte zijn inkomen voor het hele jaar verdiende.

De rechtbank bepaalde dat verweerder binnen een termijn het gebrek in het besluit moest herstellen en stelde verdere beslissing aan. Het beroep van eiser was ontvankelijk vanwege het belang bij een juiste vaststelling van het maatmaninkomen voor mogelijke toekomstige toepassing van artikel 58 WAZ Pro.

Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat verweerder het gebrek in de berekening van het maatmaninkomen moet herstellen en houdt verdere beslissing aan.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Sector bestuursrecht
zaaknummer: AWB 10/5752 WAZ
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser],
wonende te [woonplaats],
eiser,
gemachtigde mr. P.S. Fluit,
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV),
verweerder,
gemachtigde W.A. Postma.
Procesverloop
Bij besluit van 18 november 2010 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit van 24 januari 2006 alsnog gegrond verklaard en eiser per 4 november 2005 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, toegekend (het bestreden besluit). Verweerder heeft hierbij de vaststelling van de omvang van de maatgevende arbeid op 40 uur per week en van het maatmanloon op € 6,66 per uur gehandhaafd.
Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 mei 2011. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1. Eiser is werkzaam geweest als zelfstandig schilder. Op 5 april 2001 is eiser uitgevallen voor zijn werk als gevolg van een scooterongeluk in Thailand. Eiser heeft op 27 maart 2002 een WAZ-uitkering aangevraagd.
1.2. Bij besluit van 22 augustus 2002 heeft verweerder geweigerd eiser in aanmerking te brengen voor een WAZ-uitkering, omdat hij in de 52 weken voorafgaand aan de eerste arbeidsongeschiktheidsdag (5 april 2001) geen arbeid heeft verricht.
1.3. Op 4 november 2005 heeft eiser om herziening van het besluit van 22 augustus 2002 verzocht. Bij primair besluit van 24 januari 2006 heeft verweerder dit verzoek afgewezen. Bij besluit van 17 mei 2006 heeft verweerder het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, omdat volgens verweerder geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.
1.4. Bij uitspraak 25 juni 2007 heeft deze rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van 17 mei 2006 (AWB 06/3322 WAZ) gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat ten aanzien van de periode tot aan het herzieningsverzoek van 4 november 2005 niet is gebleken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb, maar dat in het besluit van 24 januari 2006 ten aanzien van de periode vanaf het herzieningsverzoek, gezien de door eiser overgelegde facturen van 13 augustus 2000 en 20 augustus 2002, ten onrechte het standpunt is ingenomen dat eiser in de 52 weken voorafgaand aan de eerste arbeidsongeschiktheidsdag (referteperiode) geen arbeid heeft verricht. Partijen hebben tegen deze uitspraak geen hoger beroep ingesteld.
1.5. Bij besluit van 11 april 2008 heeft verweerder opnieuw op het bezwaar van eiser beslist en na medisch en arbeidskundig onderzoek de mate van eisers arbeidsongeschiktheid per 4 november 2005 vastgesteld op minder dan 25%. Verweerder heeft zich bij dit besluit op het standpunt gesteld dat eiser per die datum geschikt is om gangbare arbeid te verrichten.
1.6. Bij uitspraak van 16 juli 2010 (AWB 08/1786) heeft deze rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van 11 april 2008 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. De rechtbank heeft daarbij - onder meer – overwogen dat de medische informatie van de behandelend sector en de verrichte medische expertise door de deskundige gerede twijfel oproepen of eiser terecht in staat is geacht om in als passend te duiden arbeid, met inachtneming van de in de FML vastgelegde beperkingen, in een normale arbeidsomvang te functioneren. De beperkingen in de FML bieden volgens de rechtbank onvoldoende houvast voor het oordeel dat er terecht geen urenbeperking is opgelegd. De rechtbank heeft verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen.
1.7. Bij besluit van 18 november 2010 (het bestreden besluit) heeft verweerder opnieuw op het bezwaar van eiser beslist en de arbeidsongeschiktheid van eiser per 4 november 2005 op 80 tot 100% gesteld en de uitkering van eiser gebaseerd op een grondslag van € 58,15. Het maatmanloon van € 6,66 per uur heeft verweerder hierbij, ondanks daartegen door eiser aangevoerde bezwaren, gehandhaafd.
1.8. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat hij nu weliswaar een WAZ-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% ontvangt, maar dat verweerder opnieuw ten onrechte niet op zijn bezwaren tegen het vastgestelde maatmanloon is ingegaan. Eiser stelt dat het maatmanloon niet juist is berekend. Hiertoe heeft eiser allereerst aangevoerd dat bij de berekening van het maatmaninkomen uitsluitend de jaren 1998 en 1999, en niet ook het jaar 2000, in ogenschouw hadden moeten worden genomen. Eiser stelt dat dit laatste jaar niet representatief te achten is, nu de fiscus de winst over dat jaar ambtshalve op nihil heeft gesteld, terwijl er in 2000 wel degelijk omzet is gemaakt en winst is behaald. Eiser heeft voorts gesteld dat van een verkeerde maatmanomvang is uitgegaan. Volgens eiser is ten onrechte geen rekening gehouden met de omstandigheid dat hij beduidend minder dan 52 weken per jaar werkte. Eiser werkte slechts in de zomermaanden. De maatmanomvang dient volgens eiser naar beneden te worden bijgesteld, hetgeen tot een hoger maatmanuurloon leidt.
2. De rechtbank overweegt als volgt.
2.1. Ten aanzien van de vraag of eiser enig procesbelang heeft bij het verkrijgen van een uitspraak op zijn beroep, overweegt de rechtbank allereerst het volgende.
2.1.1. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat enig procesbelang in dit geval ontbreekt. Verweerder heeft hiertoe gesteld dat, nu eiser volledig arbeidsongeschikt is geacht en op basis daarvan een WAZ-uitkering krijgt uitgekeerd, de op het maatmanloon gerichte beroepsgrond niet als een rechtens relevant belang kan worden aangemerkt. Volgens verweerder dient hierbij in aanmerking te worden genomen dat de vraag of het maatmanloon juist is berekend, (eerst) aan de orde kan worden gesteld indien de situatie zich voordoet waarin beoordeeld moet worden of artikel 58 van Pro de WAZ van toepassing is.
2.1.2. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij wel een procesbelang heeft. Hij heeft hiertoe gesteld dat hij belang heeft bij een juiste vaststelling van de hoogte van het maatmaninkomen, gezien de mogelijke toepassing van artikel 58 van Pro de WAZ in de toekomst. Eiser wil weten waar hij aan toe is als de mogelijkheid zich voordoet dat hij weer werkzaamheden kan gaan verrichten.
2.1.3. De rechtbank stelt voorop dat sprake is van voldoende procesbelang indien het resultaat dat met het beroep wordt nagestreefd ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor de indiener van het beroep feitelijk betekenis kan hebben.
2.1.4. De rechtbank overweegt dat een belanghebbende tegen de vaststelling van het maatmaninkomen (en dus de vaststelling van het maatmanloon) in beginsel dient op te komen in het kader van de besluitvorming over de mate van diens arbeidsongeschiktheid, hetgeen de procedure is die nu voorligt, en dat het beoordelen van de vraag of feitelijke verdiensten consequenties hebben voor de betaling van de uitkering, geen reden is om het maatmaninkomen in het kader van die beoordeling te herberekenen. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de CRvB van 29 augustus 2006, te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJN: AY7201. Het voorgaande brengt met zich dat in het kader van de besluitvorming op grond van artikel 58 van Pro de WAZ in beginsel niet kan worden opgekomen tegen de berekening van het maatmaninkomen, voor zover daarbij een maatmaninkomen wordt gehanteerd dat bij eerdere besluitvorming over de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld. Gelet hierop heeft eiser belang bij een uitspraak van de rechtbank op zijn beroepsgronden in de procedure die hier voorligt en is eisers beroep ontvankelijk.
2.2. Met betrekking tot de berekening van het maatmanloon overweegt de rechtbank het volgende.
2.2.1. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 10 november 2010, LJN: BO4403, en van 14 januari 2009, LJN: BH0059) dient bij de berekening van het maatmaninkomen de hoofdregel te worden gehanteerd dat in gevallen waarin dat praktisch mogelijk is in beginsel dient te worden uitgegaan van de door de fiscus aanvaarde nettowinst over de laatste drie boekjaren voorafgaande aan het jaar van het intreden van de arbeidsongeschiktheid. Een andersluidende vaststelling van genoemde referteperiode kan aangewezen zijn indien daarvoor praktische gronden bestaan, bijvoorbeeld in geval de zelfstandige korter dan drie jaar als zodanig heeft gewerkt. Hiervan afgezien zal echter, met het oog op handhaving van de praktische hanteerbaarheid van genoemde hoofdregel, binnen de grenzen van de redelijkheid aan genoemde periode van drie jaar dienen te worden vastgehouden. Ruimte voor afwijking is er dan ook slechts in (zeer) bijzondere gevallen, waarin evident is dat de in de eerstbedoelde referteperiode van drie jaren behaalde winst geen reële afspiegeling vormt van de verdiencapaciteit als gezonde zelfstandige. De rechtbank verwijst in dit verband ook naar de uitspraken van de CRvB van 21 augustus 2009 (LJN: BJ7234) en van 26 november 2008 (LJN: BG6207).
2.2.2. De rechtbank deelt het standpunt van eiser dat, gelet op de omstandigheden van het geval, sprake is van een zeer bijzonder geval en dat een uitzondering op de hoofdregel aangewezen is. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder in die omstandigheden aanleiding moeten zien uitsluitend de door de fiscus aanvaarde – en, nu eiser in deze beroepsprocedure niet heeft gesteld dat de vastgestelde winst over 1998 en 1999 niet juist te achten is, representatief te achten - nettowinst over de boekjaren 1998 en 1999 bij de berekening van het maatmaninkomen te betrekken en niet de door de fiscus ambtshalve vastgestelde nettowinst over 2000. De over dat jaar vastgestelde winst vormt naar het oordeel van de rechtbank geen reële afspiegeling van eisers verdiencapaciteit als gezonde zelfstandige. Hiertoe is van belang dat de fiscus de fiscale winst over dat jaar ambtshalve op nihil heeft gesteld. Met eiser is de rechtbank evenwel van oordeel dat uit de uitspraak van deze rechtbank van 28 juni 2007 (AWB 06/3322 WAZ) volgt dat eiser, blijkens de door hem in bezwaar ingebrachte facturen voor de door zijn bedrijf verrichte werkzaamheden, in het in die procedure geldende refertejaar (het jaar 2000) arbeid heeft verricht. Het betroffen nota’s van fl. 11.000 en fl. 2.700. Nu verweerder geen hoger beroep tegen deze uitspraak heeft ingesteld, is de rechtbank met eiser van oordeel dat aldus tot uitgangspunt dient te worden genomen dat eiser in het jaar 2000 arbeid heeft verricht. Verweerder kan weliswaar in zijn standpunt worden gevolgd dat bij de vaststelling van het maatmanloon moet worden uitgegaan van de winst uit onderneming en niet van de gerealiseerde omzet, maar de gerealiseerde omzet kan wel een indicatie geven of al dan niet winst over een bepaald jaar is behaald. In dit verband is van belang dat eiser in bezwaar gegevens over de omzetbelasting over 1999 en 2000 heeft overgelegd. Uit die gegevens blijkt dat over het jaar 1999 een bedrag van fl. 9.570 aan omzetbelasting openstond. De fiscus heeft de fiscale winst over dat jaar ambtshalve vastgesteld op fl. 25.000. Uit de gegevens blijkt voorts dat er over het jaar 2000 een bedrag van fl. 9.100 aan omzetbelasting openstond, terwijl de fiscale winst over dat jaar ambtshalve op nihil is gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, gezien de omstandigheid dat eiser in het jaar 2000 arbeid heeft verricht, eiser over dat jaar eenzelfde soort bedrag aan omzetbelasting verschuldigd was als over 1999 en eiser onweersproken heeft gesteld (zie bijvoorbeeld de brief van de gemachtigde van eiser van 18 februari 2009, gedingstuk B68.2) dat zijn kosten als werkzaam schilder laag waren, aanleiding moeten zien de door de fiscus ambtshalve op nihil gestelde winst over 2000 niet representatief te achten.
2.2.3. De rechtbank ziet geen aanleiding om de gevolgen van het ontbreken van het doen van aangifte over het jaar 2000 of het thans ontbreken van voldoende gegevens om de winst alsnog over dat jaar te kunnen vaststellen, voor rekening van eiser te laten komen. Hiertoe acht de rechtbank allereerst van belang dat eiser door het ongeluk, dat hem in april 2001 in Thailand is overkomen en dat tot zijn arbeidsongeschiktheid heeft geleid, enige tijd in coma heeft gelegen en nadien geheugenstoornissen en desoriëntatieproblemen heeft gekend, waardoor hij over dat jaar niet in staat is geweest om belastingaangifte te doen. Eiser heeft voorts onweersproken gesteld dat hij als gevolg van het ongeval ook niet in staat is geweest de ambtshalve door de fiscus vastgestelde winst over dat jaar aan te vechten en dat hij nu niet meer over de gegevens beschikt, omdat hij slechts van enkele klanten facturen heeft kunnen achterhalen, zijn woonadres na zijn ongeluk is ontruimd en ook de administratie in de loop van de tijd is verdwenen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser terecht gesteld dat ook de omstandigheid dat hij de gegevens over 2000 nu niet meer kan reproduceren, hem
- reeds vanwege het grotendeels aan verweerder toe te rekenen tijdsverloop - nu niet meer kan worden tegengeworpen.
2.2.4. Gezien het voorgaande slaagt de beroepsgrond dat verweerder van de hoofdregel had dienen af te wijken en alleen de jaren 1998 en 1999 representatief had moeten achten en daarom alleen die jaren bij de berekening van het maatmaninkomen had dienen te betrekken.
2.3. Met betrekking tot de berekening van de maatmanomvang overweegt de rechtbank het volgende.
2.3.1. Verweerder heeft, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige M.A. Oudenaller van 7 april 2008, de vastgestelde maatmanomvang van 40 uur per week gehandhaafd. Hieraan is ten grondslag gelegd dat eiser in een gesprek met de primaire arbeidsdeskundige heeft verklaard dat hij niet het gehele jaar werkt, maar gemiddeld 40 uur per week. Volgens de bezwaararbeidsdeskundige is het niet gebruikelijk om bij het vaststellen van het aantal per week gewerkte uren van een zelfstandige rekening te houden met perioden van niet werken en maakt het wijzigen van de maatmanomvang voor de uitkomst van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling overigens ook geen verschil, althans zolang er geen medische urenbeperking wordt vastgesteld. Nu het aantal uren is gebaseerd op door eiser verstrekte gegevens en eiser geen jaarstukken, aangifte inkomstenbelasting en dergelijke heeft overgelegd, waaruit een andere maatmanomvang kan worden afgeleid, wordt geen aanleiding gezien de omvang van de maatgevende arbeid te wijzigen.
2.3.2. Eiser stelt zich op het standpunt dat ten onrechte is uitgegaan van een maatmanomvang van 40 uur per week. Mocht eiser tijdens het gesprek met de arbeidsdeskundige hebben gezegd dat hij gemiddeld omgerekend 40 uur per week zou hebben gewerkt, is dit onjuist. In de berekening van het maatmanuurloon is ten onrechte geen rekening gehouden met het feit dat eiser niet het gehele jaar doorwerkte. In de wintermaanden werd veelal niet gewerkt. Tien jaar geleden was het, mede gezien de weersomstandigheden en de toen voorhanden zijnde verfproducten, bijna onmogelijk om in de wintermaanden buiten schilderwerkzaamheden te verrichten. Het naar beneden bijstellen van de maatmanomvang leidt tot een hoger maatmanuurloon. Eiser komt zelf tot de navolgende berekening. In 1998 heeft eiser gedurende 34 weken 1.360 uur gewerkt. Dit resulteert in een ongeïndexeerde uurloon van € 19,30 en een geïndexeerd uurloon van € 20,41. In 1999 heeft eiser gedurende 20 weken 800 uur gewerkt. Dit resulteert in een ongeïndexeerde uurloon van € 15,90 en een geïndexeerd uurloon van € 18,61. Het gemiddeld uurloon over 1998 en 1999 zou dan € 18,61 bedragen. Uit facturen uit de periode 1998 en 1999 blijkt dat het uurloon nog hoger was dan hiervoor is berekend. In 1998 hanteerde eiser een uurloon van fl. 55, hetgeen omgerekend € 24,96 is, en in 1999 een uurloon van fl. 57,50, hetgeen omgerekend € 26,10 is. Eiser stelt dat, gelet hierop, de maatmanomvang en dus ook het maatmanuurloon dient te worden aangepast.
2.3.3. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan eisers stelling dat hij voornamelijk in de zomermaanden als zelfstandige heeft gewerkt. Met verweerder is de rechtbank evenwel van oordeel dat verweerder in hetgeen eiser in dit verband heeft aangevoerd, geen aanleiding behoefde te zien de gehanteerde gemiddelde maatmanomvang van 40 uur per week aan te passen. Hiertoe is niet alleen van belang dat het niet gebruikelijk is om bij het vaststellen van het aantal per week gewerkte uren van een zelfstandige rekening te houden met perioden van niet werken, maar ook dat eiser in de weken waarin hij heeft gewerkt, in zijn inkomen voor het gehele jaar heeft voorzien. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding het standpunt van verweerder dat bij de berekening van het maatmanuurloon de gemiddelde winst over de relevante jaren (in dit geval 1998 en 1999) dient te worden gedeeld door (52 weken x gemiddeld 40 uur =) 2.080 uur, voor onjuist te houden. De - overigens niet met stukken onderbouwde - stelling van eiser dat hij in de relevante jaren 1.360 en 800 uren heeft gewerkt of de omstandigheid dat eiser met facturen kan aantonen dat hij in de relevante jaren feitelijk een ander, hoger uurtarief bij zijn klanten in rekening heeft gebracht dan uit die berekening zal volgen, leidt niet tot een ander oordeel. Deze beroepsgrond slaagt niet.
2.4. Uit hetgeen onder 2.2. tot en met 2.2.4. is overwogen, vloeit voort dat aan het bestreden besluit een gebrek kleeft, te weten het gebrek dat verweerder ten onrechte ter bepaling van het maatgevende inkomen van eiser de winst over de jaren 1998 tot en met 2000 en niet slechts de winst over de jaren 1998 en 1999 in ogenschouw heeft genomen.
2.4.1. De rechtbank bepaalt dat verweerder, gelet op het bepaalde in artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb, zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen 14 dagen na verzending van deze uitspraak, kenbaar moet maken of gebruik wordt gemaakt van de gelegenheid om het onder overweging 2.4. geconstateerde gebrek te herstellen. De termijn waarbinnen gebruik gemaakt kan worden van deze gelegenheid wordt door de rechtbank bepaald op zes weken na de datum van verzending van deze tussenuitspraak.
2.4.2. Indien en zodra verweerder gebruik maakt van de geboden gelegenheid om het gebrek te herstellen, zal eiser in de gelegenheid worden gesteld om binnen vier weken na verzending van de mededeling van verweerder op welke wijze het gebrek is hersteld, schriftelijk zijn zienswijze hierover naar voren te brengen.
2.5. In de einduitspraak zal worden beslist over proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.
Beslissing
De rechtbank:
- bepaalt dat verweerder zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen veertien dagen na verzending van deze tussenuitspraak, kenbaar maakt of gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid het in overweging 2.4 genoemde gebrek te herstellen;
- stelt verweerder, indien hij gebruik maakt van deze mogelijkheid, in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het door de rechtbank in overweging 2.4. geconstateerde gebrek te herstellen, dit met inachtneming van hetgeen de rechtbank in deze tussenuitspraak heeft overwogen;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Bongers-Scheijde, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M. Breimer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2011.
de griffier de rechter
Rechtsmiddel
Tegen deze tussenuitspraak staat geen rechtsmiddel open. Hoger beroep is slechts mogelijk tegelijk met het hoger beroep tegen de nog te wijzen einduitspraak.
Afschrift verzonden op:
D:B
SB