ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7234
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toekenning WAZ-uitkering bij bijzondere maatmaninkomensituatie na herseninfarct
Appellant, voormalig medefirmant van een vennootschap, vroeg een WAZ-uitkering aan na een herseninfarct in november 2003. Het UWV kende hem een uitkering toe op basis van een arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, met een opschorting van betaling op voorschotbasis vanwege onbekende inkomsten over 2005.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen de toekenning gegrond, maar handhaafde de rechtsgevolgen van het besluit. Het beroep tegen de opschorting werd ongegrond verklaard. In hoger beroep betwist appellant onder meer de omvang van zijn beperkingen en de gehanteerde functies voor loonwaardebepaling, alsmede de hoogte en referteperiode van het maatmaninkomen.
De Raad onderschrijft de medische en arbeidskundige beoordeling, oordeelt dat de functies passend zijn en dat de belasting daarvan niet te zwaar is. De Raad wijkt af van de hoofdregel voor de referteperiode van het maatmaninkomen vanwege de bijzondere situatie van bedrijfsopvolging en afbouw van werkzaamheden, en bevestigt het UWV-standpunt dat het maatmaninkomen op basis van 25% van de nettowinst over 2003 representatief is.
De Raad verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de aangevallen uitspraken, waarbij tevens een vergoeding van € 1.000,- is overeengekomen wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de toekenning van een WAZ-uitkering van 25 tot 35% arbeidsongeschiktheid met een maatmaninkomen gebaseerd op 25% van de nettowinst over 2003.