ECLI:NL:RBAMS:2011:BR5848
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering bijdrage funderingsherstel mandelige bouwmuur Marnixstraat Amsterdam
In deze zaak vorderde [A] c.s. dat VVE 360 hoofdelijk werd veroordeeld tot betaling van een deel van de kosten van funderingsherstel aan de mandelige bouwmuur tussen Marnixstraat 358 en 360 te Amsterdam. [A] c.s. stelde dat op grond van artikel 5:65 BW Pro VVE 360 als mede-eigenaar verplicht was bij te dragen aan de herstelkosten, omdat het herstel noodzakelijk was.
VVE 360 betwistte deze verplichting en voerde aan dat het herstel niet dringend noodzakelijk was en dat voorafgaand overleg had moeten plaatsvinden. Tevens stelde VVE 360 dat zij door het herstel van [A] c.s. genoodzaakt was om ook de rest van de fundering van Marnixstraat 360 vroegtijdig te vernieuwen, waarvoor [A] c.s. aansprakelijk zou zijn.
De rechtbank oordeelde dat op grond van jurisprudentie het begrip “nodig” in artikel 5:65 BW Pro restrictief moet worden uitgelegd. Alleen bij een reëel gevaar dat ernstige schade zal ontstaan, mag een mede-eigenaar zonder voorafgaande toestemming herstel uitvoeren en kosten verhalen. Uit de stukken bleek niet dat het herstel dringend noodzakelijk was; de fundering was matig tot slecht, maar er was geen concrete termijn voor herstel en geen aanschrijvingen vanuit de gemeente. Ook was de bouwmuur tussen 358 en 360 niet geïnspecteerd.
Daarom wees de rechtbank de vordering van [A] c.s. af en veroordeelde hen in de proceskosten. Ook de reconventionele vordering van VVE 360 werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Beide partijen werden veroordeeld in de proceskosten van de wederpartij.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen af omdat het funderingsherstel niet dringend noodzakelijk was en veroordeelt partijen in de proceskosten.