Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.mr. [curator 1] en mr. [curator 2],
1.De procedure
- de dagvaarding van 5 november 2013, met bijlagen 1 tot en met 5 alsmede producties 1 tot en met 258;
- de conclusie van antwoord, tevens houdende voorwaardelijke eis in reconventie, met producties 1 tot en met 42;
- het tussenvonnis van 25 juni 2014;
- de conclusie van antwoord in reconventie, tevens antwoord op het beroep op niet-ontvankelijkheid van curatoren, met producties 259 en 260, van Curatoren;
- de akte overlegging producties tevens akte aanvulling bewijsaanbod tevens akte herstel verwijzingen, met producties 55b, 55c, 82b, 93b, 138b, 140b, 229b, 261 tot en met 275, van Curatoren c.s.;
- de antwoordakte herstel verwijzingen en overlegging producties, tevens akte uitlating producties, van DNB;
- de akte houdende overlegging productie, met productie 43, van DNB;
- de op 16 en 19 december 2014 gehouden comparitie van partijen, het daarvan opgemaakte proces-verbaal en de daarin vermelde stukken;
- de antwoordakte met betrekking tot ontvankelijkheidsverweer Curatoren, van DNB.
2.De feiten
In conventie en in voorwaardelijke reconventie
lender of last resort’. In deze rol kan DNB noodkrediet verstrekken.
lender of last resortaan DSB Bank, binnen de grenzen zoals genoemd onder 2.6.10,
Emergency Liquidity Assistance(ELA) ter beschikking gesteld.
checks and balancesgeen sprake was. Zijn invalshoek was de commerciële; op bancair gebied miste hij deskundigheid. Het functioneren van de bank was daardoor gericht op het ontplooien van commerciële activiteiten en veel minder op het beheersen van risico‘s en financiële stabiliteit. Hierdoor heeft DSB haar verdienmodel, dat onvoldoende gericht was op het belang van de klant en onder toenemende kritiek kwam, niet tijdig aangepast. Structurele tekortkomingen bij de klantbehandeling hebben tot een wassende stroom van klachten geleid, waarop niet goed is gereageerd. DSB heeft bovendien de gevolgen van de kredietcrisis niet goed onderkend, en risico‘s genomen die niet passen bij een prudent bancair beleid. Die risico‘s werden onder meer gelopen in de ongezonde verhouding met DSB Beheer, waarin [naam 1] museale en sportactiviteiten had ondergebracht. De Raad van Commissarissen hield onvoldoende toezicht.
3.Het geschil in conventie
4.Het geschil in voorwaardelijke reconventie
5.De beoordeling in conventie
Vooraf
Dit betoog gaat niet op. Uit de eigen stellingen van Curatoren c.s. volgt immers dat al vanaf 6 oktober 2009 is gesproken over een liquiditeitsvangnet en dat zowel DNB als de grootbanken van aanvang aan zich op het standpunt hebben gesteld dat voor iedere oplossing betrokkenheid van de Staat zou zijn vereist en dat de Staat daar nooit toe bereid is geweest. Tegen deze achtergrond moet worden vastgesteld dat geen causaal verband bestaat tussen de haircut en de volgens Curatoren c.s. geleden schade. Immers, ook zonder de haircut zou DSB Bank failliet zijn gegaan en was een ‘zachte landing’ niet mogelijk geweest. De bezwaren van Curatoren c.s. tegen de haircut zijn ook overigens ongegrond omdat Curatoren c.s. de stelling van DNB niet hebben weersproken dat in de periode vlak voor de faillietverklaring geen enkele belangstelling of bereidheid in de markt is waargenomen met betrekking tot een eventuele aankoop van de desbetreffende notes, die DSB Bank als onderpand voor de noodfinanciering wilde aanreiken. Het gaat, bij de beantwoording van de vraag of het beperken van de (beleenbaarheidswaarde van het onderpand in verband met de) noodfinanciering noodzakelijk was voor een adequate risicobeheersing, om de waarde die onverwijld in de markt zou kunnen worden gerealiseerd bij executie van het onderpand. Het aangeboden onderpand kon destijds, zo voert DNB onweersproken aan, niet onverwijld te gelde worden gemaakt. Dit was doorslaggevend. DNB heeft haar afwegingen en haar keuzes in dit kader uitgebreid toegelicht (antwoord, 5.3.1, 5.5). Curatoren c.s. hebben daartegen te weinig ingebracht. Dit betekent dat er van moet worden uitgegaan dat DNB in redelijkheid en op goede gronden heeft kunnen oordelen dat de beperking van de waarde van het onderpand (en daarmee de omvang van de noodfinanciering) nodig was in verband met het ontbreken van belangstelling in de markt voor aankoop van de notes die DSB Bank als onderpand wenste aan te bieden. Daarom doet de stelling van Curatoren c.s., dat de onderliggende schulden steeds tijdig zouden worden voldaan (omdat de zorgplichtschendingen uiteindelijk zouden meevallen) waardoor de securitisatievehikels steeds aan hun verplichtingen zouden voldoen en de notes wel degelijk waarde hadden, niet ter zake. Ook de stelling van Curatoren c.s., dat DNB zelf uitging van een raming van € 35 miljoen (voor de omvang van de gevolgen van de zorgplichtschendingen), doet tegen deze achtergrond niet ter zake.