Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de meervoudige kamer van 21 april 2015 in de zaak tussen
[naam persoon], te Amsterdam, eiser
de Minister van Infrastructuur en Milieu, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
uitsluitendhet gevolg is geweest van de komst van de Westrandweg, in ieder geval niet in die mate dat verweerder om die reden aan de juistheid van het advies van de Commissie had moeten twijfelen. Daarbij merkt de rechtbank op dat de Commissie in haar adviezen, met name in het advies van 8 februari 2013, uitgebreid is ingegaan op dit punt. De rechtbank is van oordeel dat het advies van de Commissie dan ook volledig is en verweerder zich op dit punt op het advies mocht baseren.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het verweerschrift afdoende heeft gereageerd op eisers punt over de aggregaten en volgt verweerder hier dan ook in. Eiser heeft verweerders verklaring daarover verder niet betwist. Verweerder heeft te kennen gegeven dat vooral doordeweeks en overdag is gewerkt en incidenteel in het weekend overdag. Er is één keer een weekend dag en nacht doorgewerkt. Eisers stelling dat er in het weekend vaker is doorgewerkt door zzp’ers heeft hij niet nader onderbouwd en is door verweerder gemotiveerd betwist, zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat. Eiser heeft overigens niet dan wel onvoldoende onderbouwd waaruit die specifieke overlast zou hebben bestaan, die maakt dat er gelet op de aard en de ernst van die overlast aanleiding zou bestaan de tijdelijke schade te vergoeden.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij het verzoek om vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand in de zin van artikel 6.5 van de Wro is afgewezen;
- herroept de primaire besluiten voor zover daarbij is beslist dat het verzoek om vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand in de zin van artikel 6.5 van de Wro is afgewezen, bepaalt dat verweerder eiser een vergoeding voor rechtsbijstand in de zin van artikel 6.5 van de Wro toekent van € 245,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 160,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 april 2015.