ECLI:NL:RVS:2007:BA6794
Raad van State
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- B.J. van Ettekoven
- C.H.M. van Altena
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen toekenning en vergoeding van tijdelijke planschade door gemeentelijk besluit
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam kende verzoekers een vergoeding van €4.000 toe voor planschade veroorzaakt door een tijdelijke bouwvergunning voor werkzaamheden aan de Noord-Zuidlijn. Verzoekers maakten bezwaar tegen de hoogte van de vergoeding. De rechtbank Amsterdam verklaarde het bezwaar gedeeltelijk gegrond en vernietigde het besluit deels.
Het college stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte de maatstaf hanteerde dat alleen schade boven het normaal maatschappelijk risico vergoed wordt. De Afdeling benadrukte het onderscheid tussen tijdelijke schade (artikel 17 WRO Pro) en permanente schade (artikel 19 WRO Pro).
De schade betrof tijdelijke overlast door stof, geluid en aantasting van het uitzicht. Gezien de aard, geringe ernst en beperkte duur van de overlast is het redelijk dat een deel van de schade voor rekening van verzoekers blijft. De Afdeling bevestigde dat het college terecht een vergoeding voor slechts vier van de vijf jaren toekende, waarbij het eerste jaar als normaal maatschappelijk risico geldt.
Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van verzoekers alsnog ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van verzoekers wordt ongegrond verklaard en het besluit van het college tot vergoeding van €4.000 voor tijdelijke planschade wordt bevestigd.