Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.Tenlastelegging
3.De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
4.Waardering van het bewijs
[Hij] is een groot kind. Hij is groot van postuur en hij wil ook groot zijn van naam. Dat laatste lukt niet. Hij is explosief. Hij handelt eerst en denkt dan pas na. (…) [persoon 1] zat in de cocaïnehandel en in de marihuana. (…) Ik heb [persoon 1] in Medellin leren kennen. Hij was met een man, een Colombiaan van wie ik de naam niet meer weet. Hij was erg aanwezig. Hijzelf was groot en ook zijn bewegingen waren groot. Hij hield van de vrouwen en jij ging naar plekken waar je beter niet kunt komen. (…) Hij wilde iemand leren kennen die ik kende. Een aantal vrienden waarvan ik dacht dat het mijn vrienden waren. Ik heb het dan over de [naam drugskartel] . Dat was ook de reden dat [persoon 1] aan mij werd voorgesteld. (…) Ik heb [persoon 1] in contact gebracht met de [naam drugskartel] . Hun namen waren [persoon 6] en [persoon 7] . (…) [persoon 1] heeft alleen contact gehad met [persoon 6] . (…) Gelet echter op het feit dat [persoon 1] vanuit Nederland naar Colombia kwam om contact te maken met [naam drugskartel] ga ik ervan uit dat het te maken had met cocaïne. Van [persoon 1] weet ik dat hij zaken deed met [persoon 6] . Ik heb daarover met [persoon 1] gesproken. [persoon 1] regelde de zaken in Nederland. (…)”
“ [persoon 8] stelde mij voor aan [persoon 5] . Dit is de man die ik eerder noemde, namelijk [persoon 5] . Deze [persoon 5] had contact bij een werf in Nederland. Hij heeft Nederlandse vrienden. (…) Hij werkte voor [persoon 6] . Nadat [persoon 6] zich terugtrok is vervolgens [persoon 8] het contact geworden van [persoon 5] . (…)