Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
the Circuit Court of Zielona Góra(Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
1.Procesgang
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
3.Grondslag en inhoud van het EAB
4.Strafbaarheid
5.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro
Inleiding
dwingendeweigeringsgrond voor het geval dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot de aan het EAB ten grondslag liggende beslissing heeft geleid. Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ, zoals ingevoegd bij Kaderbesluit 2009/299/JBZ. Hoewel artikel 12 OLW Pro enigszins andere begrippen gebruikt dan artikel 4 bis Pro Kaderbesluit 2002/584/JBZ (zoals “behandeling ter terechtzitting” in plaats van “proces” en “gedagvaard in persoon” in plaats van “persoonlijk gedagvaard”) hebben de in de Overleveringswet gebruikte begrippen naar het oordeel van de rechtbank geen andere betekenis dan de begrippen van artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ. Om verwarring te vermijden zal de rechtbank zo veel mogelijk de begrippen van artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584 bezigen.
uitvaardigendelidstaat bepaalt of sprake is van één van de in de onderdelen a tot en met d opgesomde gevallen (zie bijv. Rb. Amsterdam 21 februari 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BV6450; Rb. Amsterdam 24 februari 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BV7998; Rb. Amsterdam 12 juni 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:4114).
eerstealternatief, OLW (Rb. Amsterdam 21 februari 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BV6450).
tweedealternatief, OLW. In geval van een “persoonlijke dagvaarding” staat immers
a fortiorivast dat de opgeëiste persoon ondubbelzinnig op de hoogte was van de datum en de plaats van het proces dat tot de beslissing heeft geleid (zie bijv. Rb. Amsterdam 21 december 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BZ0685; Rb. Amsterdam 22 januari 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ0689).
alledoelstellingen van dat kaderbesluit en op de rechtspraak van het Hof van Justitie, leent de zinsnede “overeenkomstig nadere in het nationale recht van de uitvaardigende lidstaat bepaalde procedure voorschriften”, die voorafgaat aan de opsomming van de onderdelen a tot en met d van artikel 4 bis Pro lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ, zich voor een andere lezing dan dat de onderdelen a tot en d geen autonome begrippen van Unierecht bevatten.
alledoelstellingen van artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2009/299/JBZ. Anders dan de lezing dat sprake is van niet-autonome begrippen van Unierecht, draagt de lezing dat sprake is van autonome begrippen van Unierecht bij aan de doelstelling van het versterken van de procedurele rechten van verdachten (artikel 1, eerste lid, Kaderbesluit 2009/299/JBZ). In het geval van niet-autonome begrippen bepaalt immers het nationale recht van de lidstaten volledig de omvang van die versterking. Bovendien draagt de lezing dat sprake is van autonome begrippen ook bij aan de doelstelling van het faciliteren van de justitiële samenwerking in strafzaken, in het bijzonder het bevorderen van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen tussen de lidstaten (artikel 1, derde lid, Kaderbesluit 2009/299/JBZ). Gemeenschappelijke
autonomegronden tot niet-erkenning maken anders dan gemeenschappelijke niet-autonome gronden tot niet-erkenning voor alle lidstaten duidelijk onder welke omstandigheden de erkenning kan worden geweigerd.
Melloni. In dat arrest heeft het Hof van Justitie onder meer overwogen dat:
nietnaar het recht van de lidstaten verwijst, zodat deze begrippen autonoom en uniform moeten worden uitgelegd, rekening houdend met de context van de bepaling en het nagestreefde doel (zie bijv. HvJ EU 27 mei 2014, C-129/14 PPU, ECLI:EU:C:2014:586 (Spasic), punt 79).
Door de rechtbank voorgestane autonome uitleg
a fortioriop ondubbelzinnige wijze vast dat de betrokkene op de hoogte was van het voorgenomen proces, zodat de zinsnede in zo een geval overbodig is. De formulering van de punten 3.1a en 3.1b van rubriek D van het EAB-formulier ondersteunt deze lezing. Alleen punt 3.1b, dat betrekking heeft op een officiële daadwerkelijke in kennis stelling, bevat de bedoelde zinsnede. Bovendien heeft het verzoek om toelichting van de wijze waarop aan de desbetreffende voorwaarde is voldaan alleen betrekking op de punten 3.1b-3.1c en dus niet op punt 3.1a.
feitelijkop de hoogte is gekomen van de datum en plaats van dat proces. Alleen dan staat immers “op ondubbelzinnige wijze vast dat hij op de hoogte was van het voorgenomen proces”, dat wil zeggen van het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Vergelijking met artikel 4 bis Pro, eerste lid, aanhef en onder b, Kaderbesluit 2002/584/JBZ ondersteunt deze lezing. Die bepaling eist immers dat de betrokkene “op de hoogte was van het voorgenomen proces” zonder te verlangen dat de betrokkene op de hoogte was van datum en plaats van het voorgenomen proces. Uit een en ander volgt dat de officiële inkennisstelling op zodanige wijze moet hebben plaatsgevonden, dat daaruit zonder meer geconcludeerd kan worden dat de betrokkene op de hoogte was van datum en plaats van het proces dat tot de beslissing heeft geleid.
Om van dat recht gebruik te kunnen maken, zo vervolgt deze overweging,
moet de betrokkene op de hoogte zijn van het voorgenomen proces. Deze lezing is eveneens in overeenstemming met het arrest
Melloni. In dat arrest heeft het Hof van Justitie immers overwogen dat van een schending van het recht op een eerlijk proces geen sprake is in een geval waarin de verdachte niet in persoon is verschenen “wanneer hij op de hoogte is gebracht van het tijdstip en de plaats van het proces (…)” (HvJ EU 26 februari 2013, C-399/11, ECLI:EU:C:2013:107 (Melloni), punt 49).
feitelijkop de hoogte was van de datum en de plaats van het proces dat tot vonnis II heeft geleid. Uit het EAB blijkt niet dat en wanneer de grootvader van de opgeëiste persoon hem de dagvaarding daadwerkelijk in handen heeft gesteld. Uit de verklaring die de opgeëiste persoon op de zitting van 21 januari 2016 heeft afgelegd kan evenmin worden afgeleid dat hij – tijdig – op de hoogte was van de datum en plaats van het proces dat tot vonnis II heeft geleid. Naar de mening van de rechtbank levert de wijze waarop volgens de uitvaardigende justitiële autoriteit de dagvaarding in het onderhavige geval is betekend dan ook niet zonder meer een “tijdige” – als bedoeld in overweging 7 van de preambule van Kaderbesluit 2009/299/JBZ – en “anderszins daadwerkelijke officiële inkennisstelling” van datum en plaats van het proces op, zodat niet zonder meer “op ondubbelzinnige wijze vaststaat dat [de opgeëiste persoon] op de hoogte was van het voorgenomen proces”.
kanweigeren op de grond dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot de aan het EAB ten grondslag liggende beslissing heeft geleid. Zij is daartoe dus niet verplicht. In een geval als het onderhavige zou de uitvoerende rechterlijke autoriteit tot het oordeel kunnen komen dat de opgeëiste persoon, ondanks het ontbreken van een “tijdige persoonlijke dagvaarding” of een “tijdige anderszins daadwerkelijk officiële inkennisstelling” van de datum en plaats van het proces, voldoende kennis had van de vervolging en de beschuldigingen tegen hem om te kunnen concluderen dat de opgeëiste persoon vrijwillig en ondubbelzinnig, zij het stilzwijgend, afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon aanwezig te zijn op het proces en om die reden afzien van weigering van de tenuitvoerlegging van het EAB.
Noodzaak prejudiciële vragen
dwingtartikel 12 OLW Pro de uitvoerende rechterlijke autoriteit tot weigering van de tenuitvoerlegging van het EAB, tenzij zich één van de in de onderdelen a tot en met d bedoelde gevallen voordoet. Het hangt dus van het antwoord op de prejudiciële vragen af of de rechtbank de overlevering al dan niet moet weigeren op de grond dat de opgeëiste persoon niet is verschenen op het proces dat tot vonnis II heeft geleid.
6.Slotsom
7.Toepasselijke wetsbepalingen
8.Beslissing
[opgeëiste persoon]aan
the Circuit Court of Zielona Góraten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen die zijn opgelegd bij vonnis I (II K 142/07) en bij vonnis III (II K 626/11).
“tijdig persoonlijk is gedagvaard en daarbij op de hoogte is gebracht van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot de beslissing heeft geleid”
“tijdig anderszins daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van dat proces, zodat op ondubbelzinnige wijze vaststaat dat hij op de hoogte was van het voorgenomen proces”
a. hoe dienen deze autonome begrippen dan in zijn algemeenheid te worden uitgelegd en
b. valt een geval als het onderhavige, dat zich daardoor kenmerkt dat :
volgens het EAB de dagvaarding is betekend op het adres van de opgeëiste persoon aan een volwassen huisgenoot die heeft toegezegd de dagvaarding te overhandigen aan de opgeëiste persoon,
zonder dat uit het EAB blijkt dat en wanneer die huisgenoot de dagvaarding inderdaad aan de opgeëiste persoon heeft overhandigd,
terwijl uit de verklaring die de opgeëiste persoon ter zitting van de verwijzende rechter heeft afgelegd niet kan worden afgeleid dat de opgeëiste persoon – tijdig –op de hoogte was van de datum en plaats van het voorgenomen proces,
voor onbepaalde tijdin afwachting van de uitspraak van het Hof van Justitie.