De rechtbank Amsterdam behandelde op 2 juni 2020 een vordering tot overlevering van een Belgische staatsburger op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Parket van de procureur des Konings te Antwerpen. De opgeëiste persoon is gedetineerd in Nederland en wordt verdacht van strafbare feiten in België.
Tijdens de procedure werd uitgebreid aandacht besteed aan de detentieomstandigheden in België, met name de toepassing van een interneringsmaatregel van onbepaalde duur en het risico op onmenselijke behandeling door overmatig gebruik van sederende medicatie in psychiatrische afdelingen. De verdediging voerde aan dat plaatsing in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) binnen vier maanden niet gegarandeerd kon worden en dat er een reëel gevaar bestond op onmenselijke behandeling.
De rechtbank nam aanvullende informatie van de Belgische autoriteiten en deskundigen in overweging, waaronder verklaringen die de eerdere zorgen weerspraken. Gezien het vertrouwensbeginsel en de geboden garanties concludeerde de rechtbank dat geen weigeringsgrond voor overlevering aanwezig was. De overlevering werd daarom toegestaan, waarbij de rechtbank tevens het groot vluchtgevaar benadrukte en geen aanleiding zag tot schorsing van de overleveringsdetentie.