Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.Tenlastelegging
(art. 2, onder C van de Opiumwet);
(art. 420bis, lid 1 aanhef onder a en b van het Wetboek van Strafrecht);
(art. 26 van Pro de Wet wapens en munitie);
(art. 11b van de Opiumwet en art. 140 van Pro het Wetboek van Strafrecht);
(art. 2, onder B en art. 3, onder b van de Opiumwet);
(art. 420bis, lid 1 aanhef onder a en b van het Wetboek van Strafrecht);
(art. 2, onder C van de Opiumwet);
(art. 3, onder C van de Opiumwet);
(art. 2, onder C van de Opiumwet).
3.Waardering van het bewijs
8 en 9 november 2016, de vondsten in de woning van [persoon 1] aan het adres [adres 2] op 10 en 11 november 2016 en sporenonderzoek blijkt dat verdachte deze feiten samen met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] , [persoon 1] en [medeverdachte 5] heeft gepleegd en er voldoende bewijs is voor bewezenverklaring van de feiten 1, 2 en 3 in de zaken van [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] .
Het geld is aangetroffen in een gesloten kluis, in een doos in een slaapkamer en in een verborgen ruimte en lag dus evenmin in het directe zicht. Van verdachte is alleen een spoor aangetroffen op verplaatsbaar plastic folie om het geld, maar niet op het geld zelf.
de ex-vriendin van [medeverdachte 5] . Op laatstgenoemde datum hadden [verdachte] en [medeverdachte 2] een ontmoeting met een onbekende man.
5 op 6 november 2017, kort voor de aanhoudingen van de verdachten.
5 november 2017, blijkt dat [verdachte] toen contact had met zowel [medeverdachte 5] als [medeverdachte 2] .
4.Bewezenverklaring
- 25,986 kilo netto, 35,540 kilo bruto cocaïne en
- 2,612 kilo netto, 12,650 kilo bruto heroïne en
- 6,998 kilo netto, 19,50 kilo bruto cocaïne;
- 215.450,- euro en
- 5.790,- euro en
- 599.000,- euro
- misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, 10a, eerste lid, 11, derde en vijfde lid en 11a Opiumwet en
- witwassen zoals bedoeld in artikel 420bis Wetboek van Strafrecht,
- hoeveelheden cocaïne en/of heroïne en
- hoeveelheden hasj;
5.De strafbaarheid van de feiten
6.De strafbaarheid van verdachte
7.Motivering van de straf
31 augustus 2020 uitspraak. De redelijke termijn is dus met ongeveer tien maanden overschreden. Dat is een forse overschrijding die niet aan de verdediging te wijten is, maar vooral aan organisatorische en logistieke kwesties bij de rechtbank en het Openbaar Ministerie. Deze termijnoverschrijding dient consequenties te hebben in de vorm van enige compensatie in de strafmaat. De rechtbank acht een strafkorting van ongeveer vijf procent passend.
84 maanden (zeven jaren)passend. In die zin wijkt de rechtbank in het voordeel van verdachte af van de eis van de officieren van justitie. De rechtbank komt overigens ook tot een bewezenverklaring van minder feiten dan door de officieren van justitie geëist en een partieel ontslag van rechtsvervolging. Met toepassing van de strafkorting voor de termijnoverschrijding zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf van
80 maandenopleggen.
8.Het beslag
9.Toepasselijke wettelijke voorschriften
10.Beslissing
[verdachte], daarvoor strafbaar.
80 (tachtig) maanden.