Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Het onderzoek ter terechtzitting
30 juni 2020 en 2 juli 2020.
2.Tenlastelegging
(art. 11b van de Opiumwet en art. 140 van Pro het Wetboek van Strafrecht);
(art. 420bis, lid 1 aanhef onder a en b van het Wetboek van Strafrecht);
(art. 2, onder C van de Opiumwet);
(art. 26 Wet Pro wapens en munitie).
3.Waardering van het bewijs
5 op 6 november 2017, kort voor de aanhoudingen van de verdachten.
€ 23.000,- en € 24.000,- lag.
4.Bewezenverklaring
- misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, 10a, eerste lid, 11, derde en vijfde lid en 11a Opiumwet en
- witwassen zoals bedoeld in artikel 420bis Wetboek van Strafrecht,
5.De strafbaarheid van de feiten
6.De strafbaarheid van verdachte
7.Motivering van de straf
96 maanden (acht jaren)passend. In die zin wijkt de rechtbank in het voordeel van verdachte af van de eis van de officieren van justitie. De rechtbank komt overigens ook tot een bewezenverklaring van minder feiten dan door de officieren van justitie geëist en een partieel ontslag van rechtsvervolging. Met toepassing van de strafkorting voor de termijnoverschrijding zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf van
91 maandenopleggen.
8.Het beslag
- verbeurdverklaring van de onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 29, 30 en 32 genoemde voorwerpen;
- onttrekking aan het verkeer van de onder 33, 34, 35, 36 en 37 genoemde voorwerpen;
- teruggave van het onder 31 genoemd voorwerp.
9.Toepasselijke wettelijke voorschriften
10.Beslissing
[verdachte], daarvoor strafbaar.
91 (eenennegentig) maanden.