De rechtbank Amsterdam behandelde op 7 januari 2020 een verzoek tot overlevering op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Procureur des Konings te Leuven, België. Het EAB betreft twee vonnissen: een vonnis van 19 april 2019 en een onherroepelijk vonnis van 17 oktober 2018.
De rechtbank stelde vast dat de overlevering voor het onherroepelijke vonnis van oktober 2018 moet worden geweigerd op grond van artikel 6, tweede lid, Overleveringswet (OLW). Voor het vonnis van april 2019, dat bij verstek is gewezen maar waartegen verzet is ingesteld, is de overlevering toegestaan onder de voorwaarde dat de opgeëiste persoon adequaat wordt geïnformeerd over zijn rechten op verzet en hoger beroep.
De verdediging voerde aan dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard vanwege het ontbreken van een beroepsmogelijkheid tegen het uitvaardigen van het EAB. De rechtbank verwierp dit verweer op basis van recente jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU, die bevestigt dat het ontbreken van een beroep tegen de uitvaardiging van het EAB niet afdoet aan de bevoegdheid van de uitvaardigende autoriteit.
Daarnaast is vastgesteld dat de Belgische officier van justitie voldoet aan de vereisten om als uitvaardigende rechterlijke autoriteit te worden aangemerkt. De rechtbank concludeerde dat de overlevering voor het vonnis van april 2019 conform de wettelijke eisen kan plaatsvinden, met de garantie dat de opgeëiste persoon de resterende straf in Nederland kan ondergaan. De overlevering voor het onherroepelijke vonnis wordt geweigerd. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.