Uitspraak
1.[eiser 1]
1.de besloten vennootschap Amstelhof Properties B.V.
2. de besloten vennootschap Amstelhof Energie B.V.
- antwoord met producties;
- instructievonnis;
- dagbepaling comparitie.
€ 621,00, derhalve op € 310,50. Voor [eiser 1] komt de rapporteur op dezelfde wijze uit op een bedrag van (50% van € 1.225,50 =) € 612,75.
Naar het oordeel van de commissie is Amstelhof Energie B.V. een aparte entiteit waar de huurder een overeenkomst tot levering van warmte mee heeft afgesloten. Daarbij moet worden opgemerkt dat de Huurcommissie slechts bevoegd is uitspraak te doen in geschillen tussen een huurder en een verhuurder.
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de Huurcommissie in dit geval niet bevoegd is om uitspraak te doen over de afrekening van de servicekosten.
Ten overvloede merkt de Huurcommissie op dat er voor energie niet meer betaald dient te worden dan werkelijk wordt verbruikt.
primairAmstelhof Properties als verhuurster en
subsidiairAmstelhof Energie gehouden is tot het jaarlijks verstrekken van een afrekening met betrekking tot de werkelijk gebruikte verwarmingskosten en meer in het algemeen ter zake de warmtekosten gehouden is te voldoen aan alle verplichtingen ter zake de servicekosten zoals deze worden omschreven in paragraaf 2 van onderafdeling 7.4.5.2 van het Burgerlijk Wetboek (BW);
nadien niet meer. Omdat artikel 7:259 BW Pro ingevolge artikel 7:265 BW Pro van dwingend recht is en daarvan niet kan worden afgeweken, is de maatstaf van artikel 7:259 BW Pro onverkort blijven gelden voor warmtelevering waarop de Warmtewet van toepassing was (en is). Zo oordeelden de rechtbank Den Haag en Overijssel op 15 februari 2018 resp. 19 februari 2019 (ECLI:NL:RBDHA:2018:1513 en ECLI:NL:RBOVE:2019:593) alsmede het Hof Arnhem-Leeuwarden op 9 juli 2019 (ECLI:NL:GHAR:2019:5624) en de kantonrechter sluit zich bij die uitspraken aan. Kortom: de Warmtewet heeft het dwingendrechtelijke artikel 7:259 BW Pro niet opzij gezet.
Kamerstukken II2017/18, 34723, 7, p. 8), waar [eisers] zich op heeft beroepen:
Artikel 1a van het wijzigingsvoorstel bevat bepalingen ten aanzien van de reikwijdte van de Warmtewet. Voor de reikwijdte van het wetsvoorstel is niet relevant wie de warmte-installatie beheert, maar welke partij als warmteleverancier optreedt. Een dochteronderneming maakt deel uit van het moederbedrijf en wordt ten behoeve van de toepassing van de Warmtewet niet beschouwd als een zelfstandige organisatie. Een verhuurder of een vereniging van eigenaars die voor de warmtelevering een dochterbedrijf inschakelt blijft als moederbedrijf verantwoordelijk voor die warmtelevering en daarmee zijn de reikwijdtebepalingen van artikel 1a ook op de dochteronderneming van toepassing.
bij akteuit te laten over de werkelijke en redelijke stookkosten. [eisers] mag daar vervolgens
bij antwoordakteop reageren. De kantonrechter wijst erop dat de cijfers in deze zaak onduidelijk zijn. Het door [eisers] gevorderde (zie onder 2 sub b) is meer dan er is afgerekend (zie 1.8), terwijl de door de rapporteur van de huurcommissie geadviseerde bedragen (zie 1.11), die door de huurcommissie vanwege de onbevoegdverklaring (zie 1.12) niet zijn gevolgd, een stuk lager liggen. Partijen dienen hierover in hun aktes duidelijkheid te scheppen.
dinsdag 22 december 2020 10.00 uurvoor de onder 13 bedoelde akte aan de zijde van Amstelhof c.s.
rolzitting van 22 december 2020 10.00 uurvoor een akte als bedoeld in rov 13 aan de zijde van Amstelhof c.s.;