Eiser, een Amerikaanse nationaliteit bezittende vreemdeling met een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op niet-tijdelijke humanitaire gronden, vroeg studiefinanciering aan. De minister wees dit af omdat eiser niet de Nederlandse nationaliteit heeft en niet gelijkgesteld kan worden met een Nederlander op grond van het Besluit studiefinanciering 2000 (Bsf).
Eiser stelde dat hij gelijkgesteld moet worden met een Nederlander omdat zijn verblijfsvergunning gericht is op permanent verblijf en dat het onderscheid in het Bsf ongerechtvaardigd is. Hij verwees naar eerdere uitspraken waarin onderscheid tussen verschillende niet-tijdelijk humanitaire verblijfsvergunningen als discriminerend werd beoordeeld.
De rechtbank volgde de minister en de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in hun oordeel dat het onderscheid gerechtvaardigd is vanwege het ontbreken van een schrijnende situatie en het element van vrije keuze in de verblijfsstatus. De rechtbank oordeelde dat het onderscheid in het Bsf noodzakelijk is om het studiefinancieringsstelsel betaalbaar te houden en dat het beroep ongegrond is.