ECLI:NL:CRVB:2021:1845
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging recht op studiefinanciering voor vreemdeling met verblijfsvergunning niet-tijdelijke humanitaire gronden medische behandeling
Betrokkene, een vreemdeling met een verblijfsvergunning verblijf als familie- of gezinslid bij haar broer, die een verblijfsvergunning niet-tijdelijke humanitaire gronden heeft vanwege medische behandeling, werd de studiefinanciering geweigerd door de minister. De rechtbank oordeelde dat dit onderscheid binnen de groep vreemdelingen met een niet-tijdelijke humanitaire verblijfsvergunning ongerechtvaardigd was en in strijd met het EVRM.
De minister stelde in hoger beroep dat het onderscheid gerechtvaardigd was vanwege budgettaire overwegingen en beleidsvrijheid, maar de Raad volgde de rechtbank en oordeelde dat de wetgever verzuimd had deze groep onder de uitzonderingen te laten vallen. De Raad benadrukte dat de verblijfsvergunning niet-tijdelijke humanitaire gronden medische behandeling een permanente verblijfsstatus betreft die vergelijkbaar is met andere uitzonderingsgevallen.
De Raad bevestigde dat betrokkene recht heeft op studiefinanciering vanaf 1 februari 2018 en veroordeelde de minister tot betaling van proceskosten. Dit arrest verduidelijkt dat het onderscheid in studiefinancieringsrecht binnen groepen vreemdelingen met niet-tijdelijke humanitaire verblijfsvergunningen zonder objectieve rechtvaardiging in strijd is met het discriminatieverbod van het EVRM.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat betrokkene recht heeft op studiefinanciering vanaf 1 februari 2018 en veroordeelt de minister in de proceskosten.