ECLI:NL:RVS:2020:2880
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing kwijtschelding studielening wegens niet-rechtmatig verblijf niet discriminerend
De zaak betreft het beroep van appellant tegen de afwijzing van haar verzoek om kwijtschelding van een studielening van € 8.875,28 door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De minister wees het verzoek af omdat appellant geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd heeft en niet verblijft bij een houder van een dergelijke vergunning, zoals voorgeschreven in het Besluit inburgering.
Appellant betoogde dat zij zich in een vergelijkbare positie bevindt als asielgerechtigden en dat het onderscheid discriminerend is zonder objectieve rechtvaardiging, verwijzend naar het EVRM en wetsvoorstellen die de kwetsbaarheid van migranten erkennen. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het onderscheid gebaseerd is op de bijzondere kwetsbare positie van asielgerechtigden, die hun land ontvluchten vanwege vervolging of ernstige risico's, en dat deze situatie verschilt van die van personen met een reguliere verblijfsvergunning.
De minister heeft voldoende gemotiveerd dat het onderscheid een legitiem doel dient en proportioneel is, mede gelet op internationale verplichtingen en jurisprudentie van het EHRM. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van kwijtschelding van de studielening is ongegrond verklaard omdat het onderscheid tussen asielgerechtigden en overige inburgeringsplichtigen objectief gerechtvaardigd is.