ECLI:NL:RBAMS:2021:5977

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 oktober 2021
Publicatiedatum
19 oktober 2021
Zaaknummer
AWB - 21 _ 1736
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:15 AwbAlgemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen weigering bijzondere bijstand wegens draagkrachtberekening

Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam heeft op 9 juli 2020 de aanvraag van eiseres om bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage van rechtsbijstand afgewezen. Na een bezwaarprocedure werd dit besluit op 10 februari 2021 gehandhaafd, waarbij de draagkrachtberekening werd aangepast maar het besluit niet werd herroepen.

Eiseres stelde dat het college het primaire besluit had moeten herroepen vanwege de gewijzigde draagkrachtberekening, waardoor ook proceskosten in bezwaar toegekend hadden moeten worden. Tevens voerde zij een beroep op het gelijkheidsbeginsel aan, verwijzend naar eerdere gevallen waarin proceskosten wel werden toegekend.

De rechtbank oordeelde dat de draagkrachtberekening slechts een motiverend element is en geen zelfstandig rechtsgevolg heeft. Het college was daarom niet verplicht het primaire besluit te herroepen of proceskosten toe te kennen. Het beroep van eiseres werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

De uitspraak benadrukt dat het gelijkheidsbeginsel niet vereist dat het college gemaakte fouten uit het verleden herhaalt. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de weigering van bijzondere bijstand wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 21/1736

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 oktober 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , te Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. F.R.G. Keijzer),
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

( [gemachtigde verweerder] ).

Procesverloop

Op 9 juli 2020 heeft het college de aanvraag van [eiseres] om bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage van rechtsbijstand afgewezen (het primaire besluit).
Op 10 februari 2021 heeft het college het bezwaar van [eiseres] ongegrond verklaard (het bestreden besluit).
[eiseres] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben toestemming gegeven om de zaak zonder zitting af te doen. De rechtbank heeft daarom het onderzoek gesloten zonder de zaak op een zitting te behandelen.

Overwegingen

1. Het college heeft bijzondere bijstand geweigerd, omdat de draagkracht van [eiseres] daarvoor te hoog is. In het bestreden besluit is de draagkracht lager vastgesteld maar nog steeds te hoog voor bijzondere bijstand. In geschil is of het college in het bestreden besluit kon overgaan tot een verlaging van de draagkracht van [eiseres] voor de periode 1 april 2020 tot en met 31 maart 2021 zonder het primaire besluit te herroepen en zonder een vergoeding van de proceskosten in bezwaar toe te kennen.
Het standpunt van [eiseres]
2. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat het college het primaire besluit in bezwaar had moeten herroepen, omdat de draagkrachtberekening is aangepast en daardoor het rechtsgevolg voor huidige en toekomstige aanvragen wijzigt. Dit betekent dat het college in bezwaar ook de proceskosten van [eiseres] had moeten vergoeden. [eiseres] doet verder een beroep op het gelijkheidsbeginsel en legt voorbeelden over van zaken waarin het college in vergelijkbare gevallen in bezwaar wel proceskosten toekent.
Het standpunt van het college
3. Het college stelt zich op het standpunt dat het primaire besluit in bezwaar niet is herroepen, maar in stand is gebleven met een aanpassing van de motivering. Ook na deze aanpassing heeft [eiseres] geen recht op bijzondere bijstand, dus het rechtsgevolg wijzigt niet. Over de door [eiseres] aangedragen voorbeelden geeft het college aan dat daar ten onrechte proceskosten zijn toegekend en het college niet gehouden is gemaakte fouten te herhalen.
Het oordeel van de rechtbank
4. De rechtbank overweegt als volgt. De kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, worden door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. [1] Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) [2] volgt dat van herroepen slechts sprake is indien het primaire besluit wordt gewijzigd wat betreft het daarbij beoogde of geweigerde rechtsgevolg. Met het herroepen van een inhoudelijk onjuist primair besluit is in beginsel de onrechtmatigheid daarvan en de verwijtbaarheid aan het bestuursorgaan gegeven, tenzij het aan betrokkene is te wijten dat het onrechtmatige primaire besluit is genomen. [3]
5. De rechtbank oordeelt dat de vaststelling van de draagkracht geen zelfstandig rechtsgevolg heeft. De draagkrachtberekening is slechts een element in de motivering van het besluit om geen bijzondere bijstand te verlenen. Is de draagkrachtberekening onjuist, dan kan de berekening in een eventuele volgende aanvraag om bijzondere bijstand ter discussie worden gesteld. [4] De draagkrachtberekening krijgt daarom ook geen formele rechtskracht.
6. [eiseres] beroept zich op een uitspraak van de Raad van 15 januari 2014. [5] Die vergelijking gaat naar het oordeel van de rechtbank niet op. In die uitspraak gaat het om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en daar heeft het percentage arbeidsongeschiktheid wel een zelfstandig rechtsgevolg.
7. Tot slot oordeelt de rechtbank dat het gelijkheidsbeginsel niet zover strekt dat het college gehouden is om in het verleden gemaakte fouten te herhalen. [6] Het beroep op het gelijkheidsbeginsel van [eiseres] slaagt daarom niet.
Conclusie
8. Het college was niet gehouden het primaire besluit te herroepen. Daarom heeft het college terecht geen proceskosten in bezwaar aan [eiseres] toegekend.
9. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat [eiseres] geen gelijk krijgt.
10. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.L. Bolkestein, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.M. Mazurel, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
14 oktober 2021.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Als hoger beroep is ingesteld, kan daar worden verzocht om een voorlopige voorziening.

Voetnoten

1.Dit staat in artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 28 februari 2017,
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 23 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1154.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 9 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3140.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 29 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3770.