De zaak betreft een geschil tussen Dexia Nederland B.V. en twee gedaagden over de betaling van resterende termijnen na beëindiging van effectenlease-overeenkomsten. In eerdere tussenvonnissen is vastgesteld dat er geen sprake was van een onaanvaardbaar zware financiële last voor de gedaagden, waardoor zij de betaalde termijnen niet konden terugvorderen.
Het arrest van het Hof van Justitie van 21 januari 2021 (ECLI:EU:C:2021:68) was van belang voor de beoordeling. Dit arrest bepaalt dat een verkoper die een oneerlijk beding heeft opgelegd dat door de nationale rechter is vernietigd, geen aanspraak kan maken op wettelijke schadevergoeding als de overeenkomst zonder dat beding kan voortbestaan.
De kantonrechter oordeelt dat het beding van Dexia dat aanspraak geeft op resterende termijnen na beëindiging van de overeenkomst, op grond van Richtlijn 93/13/EEG en eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad, oneerlijk is en vernietigd moet worden. Dexia kan geen wettelijke schadevergoeding vorderen voor de niet opeisbare termijnen bij ontbinding.
Daarom zijn de door Dexia in rekening gebrachte resterende termijnen onverschuldigd betaald door de gedaagden en moet Dexia deze terugbetalen. De vorderingen van Dexia worden afgewezen en Dexia wordt veroordeeld in de proceskosten.