Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 maart 2022 in de zaak tussen
[eiser] , te Amsterdam, eiser
de raad van bestuur van de sociale verzekeringsbank, verweerder
Procesverloop
€ 5.800,- opgelegd.
Overwegingen
1 september 2017 niet meer op hetzelfde adres woont als zijn echtgenote, dat zij om persoonlijke redenen uit elkaar zijn gegaan en hij niet denkt in de toekomst weer samen op een adres te zullen wonen. Op 19 juni 2020 heeft verweerder een formulier ontvangen van de echtgenote van eiser, hierin heeft zij aangegeven sinds 2016 niet meer op hetzelfde adres te wonen. Vervolgens heeft er op 13 juli 2020 telefonisch een gesprek plaatsgevonden met eiser in het kader van een handhavingsonderzoek door verweerder. Tijdens dit gesprek heeft eiser aangegeven dat hij en zijn echtgenote sinds 23 augustus 2016 niet meer samen wonen.
1 september 2016 het AOW-pensioen van eiser herzien naar de norm van een alleenstaande. Verweerder heeft het teveel uitgekeerde bedrag van bruto € 11.363,28 teruggevorderd. Daarbij heeft verweerder aangegeven dat de terugvordering feitelijk betreft de periode van september 2016 tot en met januari 2020 voor een totaal bedrag van bruto € 132.807,26, en dat dit bedrag verrekend wordt met het bedrag van bruto € 2.443,98 dat eiser te weinig heeft gekregen na de schorsing van zijn (in de onderhavige procedure niet ter beoordeling voorliggende) schorsing van zijn pensioen over de periode februari 2020 tot en met juli 2020. Daarnaast heeft verweerder aan eiser een boete opgelegd van € 5.800,- omdat hij niet op tijd deze verandering in zijn woonsituatie heeft doorgegeven. Met het bestreden besluit I heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de primaire besluiten gehandhaafd.
€ 10.669,24 en € 5.520,20. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat verweerder eerder op de hoogte had kunnen zijn van een wijziging in de leefsituatie van eiser, namelijk doordat de echtgenote van eiser op 21 juni 2019 aan verweerder had doorgegeven dat zij is verhuisd naar Zweden. Dat had, aldus verweerder, aanleiding moeten zijn geweest om een onderzoek te starten naar de leefsituatie van eiser. Met toepassing van het evenredigheidsbeginsel heeft verweerder bepaald dat over de periode juni 2019 tot en met januari 2020 het pensioen van eiser niet volledig wordt herzien. Volgens verweerder is er sprake van een verminderde verwijtbaarheid van 25% in die periode, daarom heeft verweerder over de gehele periode de maanden december 2019 en januari 2020 buiten beschouwing gelaten. Het bedrag aan teveel ontvangen AOW-pensioen bedraagt, met het buiten beschouwing laten van de maanden december 2019 en januari 2020, over de periode van juni 2019 tot en met januari 2020 bruto € 13.113,22. Met verrekening van het bedrag van bruto € 2.443,98 dat eiser te weinig heeft gekregen na de tussentijdse schorsing van zijn pensioen, overeenkomstig het bestreden besluit I, is de hoogte van het terug te vorderen bedrag bruto € 10.669,24. Ten aanzien van de boete, heeft verweerder deze bepaald op € 5.520,20, namelijk 50% van het vorderingsbedrag over de periode september 2016 tot en met mei 2019.
€ 5.520,20 heeft opgelegd.De rechtbank stelt vast dat de hoogte van het terug te vorderen bedrag en de periode waarover wordt teruggevorderd niet (meer) in geding is.
€ 10.669,24 heeft teruggevorderd en een boete van € 5.520,20 heeft opgelegd.
Beslissing
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit I niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit II ongegrond;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 49,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.518,-.
mr. N. Bissumbhar, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
15 maart 2022.