ECLI:NL:CRVB:2013:CA2803
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding en handel in kralenkettingen
Appellant ontving bijstand vanaf mei 2006 en het college trok deze bijstand in op grond van het voeren van een gezamenlijke huishouding met betrokkene en het niet melden van inkomsten uit handel in kralenkettingen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat er geen gezamenlijke huishouding was en dat de kralenhandel beperkt en zonder winst was.
De Raad oordeelde dat de verklaringen van buurtbewoners onvoldoende waren om een gezamenlijke huishouding vanaf augustus 2006 vast te stellen, waardoor het besluit over die periode niet deugdelijke grond had en werd vernietigd. Voor de periode vanaf september 2009 was er wel sprake van gezamenlijke huishouding met wederzijdse zorg.
Verder concludeerde de Raad dat appellant de inlichtingenplicht had geschonden door zijn handel in kralenkettingen niet te melden, ongeacht of dit als hobby of bedrijfsmatig werd gezien. Door het ontbreken van een administratie droeg appellant het bewijsrisico en kon het college niet vaststellen of hij recht had op bijstand.
De Raad veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten en griffierechten en wees op nader onderzoek naar de medeterugvordering van betrokkene. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 4 juni 2013.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van bijstand wordt vernietigd voor de periode 1 augustus 2006 tot en met 6 januari 2008 wegens onvoldoende bewijs gezamenlijke huishouding, maar bevestigd voor latere perioden vanwege schending van de inlichtingenplicht.