ECLI:NL:RBAMS:2022:3037
Rechtbank Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring bezwaarschrift tegen DNA-afname bij veroordeelde voor gewoontewitwassen
Veroordeelde is bij vonnis van 26 november 2021 veroordeeld wegens medeplegen van gewoontewitwassen over de periode 2016-2018 tot een gevangenisstraf van negen maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk. De officier van justitie gaf op 21 januari 2022 bevel tot afname van celmateriaal voor DNA-onderzoek, waarna op 2 maart 2022 het materiaal werd afgenomen.
Veroordeelde maakte bezwaar tegen de DNA-afname op grond van artikel 7 van Pro de Wet DNA, stellende dat witwassen een delict is waarbij DNA-onderzoek niet van belang is en dat zij een blanco strafblad had. De raadsman verwees naar uitzonderingsgronden in de wet en eerdere beschikkingen.
De officier van justitie stelde dat ontwikkelingen in DNA-onderzoek en digitalisering het belang van DNA-onderzoek ook bij witwassen vergroten en dat recidive niet kan worden uitgesloten. De rechtbank oordeelt dat de wet voorschrijft dat bij veroordeelden DNA moet worden afgenomen, tenzij uitzonderingen gelden die hier niet van toepassing zijn.
Hoewel witwassen niet primair een delict is waarbij DNA-onderzoek wordt ingezet, kan het wel bijdragen aan opsporing en berechting. Het recidivegevaar is niet gering gezien de duur van de feiten en de deels voorwaardelijke straf. De rechtbank verklaart het bezwaar ongegrond en bevestigt het bevel tot DNA-afname.
Uitkomst: Het bezwaarschrift tegen DNA-afname wordt ongegrond verklaard en het bevel tot DNA-afname bevestigd.