Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.Tenlastelegging
- een (contant) geldbedrag(en) van (in totaal) (ongeveer) 260.000 euro, in elk geval enig geldbedrag en/of voorwerp en/of
- een (contant) geldbedrag(en) van (in totaal) (ongeveer) 75.000 euro , in elk geval enig geldbedrag en/of voorwerp en/of
- een of meer andere geldbedragen, in elk geval enig geldbedrag en/of voorwerp
- [medeverdachte] en/of
- [naam 13] ,
- (gewoonte)witwassen (artikel 420 bis Pro/ter Wetboek van Strafrecht) en/of
- eenvoudig witwassen (artikel 420 bis Pro.1 Wetboek van Strafrecht) en/of
- opzettelijk zonder vergunning van de Nederlandsche Bank het bedrijf van betaaldienstverlener met een zetel in Nederland uitoefenen (artikel 2:3a lid 1 van de Wet op het financieel toezicht).
3.De geldigheid van de dagvaarding
4.De ontvankelijkheid van de officier van justitie
5.Waardering van het bewijs
- € 260.000,- op 17 januari 2019;
- € 75.000,- op 12 februari 2020;
- € 31.100,- op 20 februari 2020;
- £ 25.000,- en/of € 10.000,- op 20 februari 2020;
- € 77.570,- en/of € 60.000,- en/of € 55.000,- op 20 februari 2021.