Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de meervoudige kamer van 31 augustus 2022 in de zaak tussen
[eiser] , te Amsterdam, eiser
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
1 januari 2014 tot en met 30 september 2015 uit te sluiten voor de volksverzekeringen door middel van toepassing van artikel 24 van Pro het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (hierna: KB 746). Bij besluit van 4 februari 2019 heeft verweerder op dat verzoek beslist en is aan eiser meegedeeld dat hij van 1 mei 2010 tot en met 30 september 2015 niet verzekerd is geweest voor de Nederlandse volksverzekeringen. Daarbij is vermeld dat het gaat om de “AOW, Anw, AKW en WLZ”. Tegen dit besluit heeft eiser geen rechtsmiddelen aangewend.
het Bundesgesetz über die Alters- und Hinterlassenenversicherung(AHVG), strijdig is met het Unierecht zoals uitgelegd in de rechtspraak van het HvJ EU. Uit de rechtspraak van het HvJ EU volgt dat een woonplaatsvereiste in de nationale wetgeving niet mag worden tegengeworpen aan een persoon die ingevolge de aanwijsregels van Verordening 1408/71 aan die wetgeving is onderworpen. Het Hof Amsterdam had echter de betreffende bepaling in de AHVG niet buiten beschouwing mogen laten, aldus verweerder. Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat, indien eiser al onderworpen zou zijn geweest aan de Nederlandse wetgeving, in zijn situatie artikel 12 van Pro het KB 746 tot uitsluiting van de Nederlandse volksverzekeringen leidt. Eiser heeft namelijk niet aangetoond dat hij tussen 1 september 2007 tot en met 30 april 2010 heeft gewerkt in Nederland of op het Nederlandse deel van het continentaal plat.
in der Schweiz’ staat, dient dit deel van de bepaling op grond van het arrest Kits van Heijningen buiten beschouwing gelaten te worden. Om die reden is eiser in de betreffende periode niet verzekerd in Nederland.
Art. 1a Obligatorisch Versicherte
mit Wohnsitz in der Schweiz”. Als voorwaarde voor de verplichte verzekering geldt dus ingezetenschap, namelijk van de Zwitserse bondsstaat. Gelet op de hiervoor genoemde jurisprudentie mag met deze territoriale voorwaarden geen rekening worden gehouden. Deze zinsnede dient naar het oordeel van de rechtbank buiten beschouwing te worden gelaten. Dit leidt tot het oordeel van de rechtbank dat eiser verplicht verzekerd is op grond van artikel 1a, eerste lid, onder a, van het AHVG, nu hij als natuurlijk persoon ingezetene is, zij het niet van Zwitserland maar van een lidstaat of een daarmee gelijk te stellen staat (namelijk in Nederland). Aan eiser kan ten aanzien van de verplichte verzekering in de Zwitserse bondsstaat niet worden tegengeworpen dat hij ingezetene moet zijn van die staat. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat eiser op grond van het Zwitserse recht aldaar verplicht verzekerd moet worden geacht. Hierbij is van belang dat de rechtbank de vereisten uit de Verordening in samenhang met de jurisprudentie zo begrijpt, dat het volledige stelsel van conflictregels van de Verordening voorkomt dat elke natuurlijk persoon door het weglaten van de zinsnede “mit Wohnsitz in der Schweiz” verplicht verzekerd is in Zwitserland, zoals de gemachtigde van eiser heeft gesteld. De verplichte verzekering op grond van het AHVG betreft alleen “
natürlichen Personen” voor wie de conflictregels Zwitserland als verzekeringsland hebben aangewezen en die ingezetene zijn van een lidstaat of een daarmee gelijk te stellen staat.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2022.