Eiser ontving sinds 2010 een bijstandsuitkering en verbleef van 19 november 2020 tot 16 augustus 2021 in Marokko, langer dan de wettelijk toegestane periode van vier weken buiten Nederland. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam stelde een onderzoek in en besloot het recht op bijstand met ingang van 27 mei 2021 in te trekken wegens het overschrijden van deze termijn.
Eiser maakte bezwaar tegen dit besluit en stelde beroep in nadat het bezwaar ongegrond werd verklaard. Hij voerde aan dat hij door ziekte van zijn moeder en lockdownmaatregelen in Marokko niet eerder kon terugkeren, en beriep zich op overmacht en zeer dringende redenen om bijstand te behouden.
De rechtbank oordeelt dat het langer verblijf buiten Nederland vaststaat en dat de reden voor het verblijf niet relevant is voor het recht op bijstand. Het beroep op overmacht faalt omdat de wet geen uitzonderingen op de termijn van vier weken kent. Ook het beroep op zeer dringende redenen wordt verworpen, omdat deze alleen betrekking kunnen hebben op de persoon die bijstand ontvangt en er geen acute noodsituatie is aangetoond.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak is hoger beroep mogelijk bij de Centrale Raad van Beroep.