ECLI:NL:CRVB:2020:2464
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens te lang verblijf in buitenland zonder zeer dringende redenen
Appellant ontving bijstand en verbleef in 2017 langer dan de wettelijk toegestane periode van vier weken buiten Nederland. Het college trok de bijstand over die periode in omdat appellant niet voldeed aan de voorwaarden van de Participatiewet.
Appellant voerde aan dat hij door een ongeval en psychische problemen niet eerder kon terugkeren en dat er sprake was van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16 van Pro de Participatiewet. De rechtbank en de Raad oordeelden dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er sprake was van een acute noodsituatie die het verlenen van bijstand onvermijdelijk maakte.
De Raad overwoog dat de medische stukken onvoldoende bewijs boden voor een situatie van levensbedreiging of blijvend ernstig letsel. Ook was niet aangetoond dat appellant in het buitenland behoeftig was geworden. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat appellant niet aannemelijk maakte dat het college gelijke gevallen ongelijk behandelde.
Daarmee werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de intrekking van de bijstand bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de bijstand bevestigd.